Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:521

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
19/01057
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2019:188
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:777
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie gegrond. (zie ook 19/01054)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-03-2020
FutD 2020-0916 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/884 met annotatie van mr. J.D. Schouten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/01057

Datum 27 maart 2020

ARREST

in de zaak van

[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 januari 2019, nr. 18/00908, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland, (nr. AWB 17/3613) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 122e, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 17 juli 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:777 en de daarbij behorende gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2019:843).

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1

Belanghebbende was tot en met 31 december 2016 een zogenoemde eigenrisicodrager voor de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA) als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2.1.2

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 juli 2016 bericht dat belanghebbende ervoor dient te zorgen dat uiterlijk op 31 december 2016 een nieuwe garantieverklaring is ontvangen door de Belastingdienst indien belanghebbende eigenrisicodrager voor de WGA wenst te blijven.

2.1.3

Op 8 december 2016 heeft een verzekeraar aan belanghebbende een offerte uitgebracht voor een verzekering van het eigenrisicodragerschap voor de WGA. Belanghebbende heeft de offerte op 14 december 2016 geaccepteerd. Door een fout van de verzekeraar is de nieuwe garantie niet uiterlijk op 31 december 2016 bij de Inspecteur ingediend.

2.1.4

Op 3 februari 2017 heeft de Inspecteur bij beschikking beslist dat belanghebbende met ingang van 1 januari 2017 geen eigenrisicodrager voor de WGA meer is (hierna: de beschikking).

2.1.5

De verzekeraar heeft op 13 februari 2017 een garantieverklaring voor belanghebbende opgemaakt en deze op 17 februari 2017 door middel van een USB-stick verstrekt aan de Inspecteur.

2.2

Het Hof heeft geoordeeld dat het eigenrisicodragerschap van belanghebbende terecht met ingang van 1 januari 2017 is beëindigd. Daartoe heeft het Hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Het niet tijdig indienen van de nieuwe garantieverklaring leidt wettelijk tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017. De Inspecteur heeft geen beleidsvrijheid om hiervan af te wijken. Van schending van artikel 3:4 Awb is geen sprake.
Het is niet in strijd met de wet dat de Inspecteur digitaal (op een USB-stick) aangeleverde nieuwe garanties heeft geaccepteerd. De Inspecteur heeft die mogelijkheid van aanlevering aan banken en verzekeraars kenbaar gemaakt en met hen afgestemd. Dat de tekst van artikel 40 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in beginsel een schriftelijke garantieverklaring eist, doet hieraan niet af. Van belang is slechts dat de betrouwbaarheid en vertrouwelijkheid zijn gewaarborgd.

2.3

De middelen zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Betoogd wordt onder meer het volgende. Het oordeel van het Hof dat het niet tijdig indienen van een garantieverklaring als bedoeld in artikel 122e Wfsv per definitie leidt tot verval van het eigenrisicodragerschap met ingang van 1 januari 2017 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onder de systematiek van het eigenrisicodragen conform de Wet Pemba, WAO en Wfsv was volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep geen sprake van een ‘harde termijn’ voor het indienen van een schriftelijke garantie maar bestond wel degelijk ruimte voor uitzonderingen op de regel. De redactie van artikel 122e, lid 3, Wfsv verbindt geen (rechts)gevolg aan een verlate levering inzake het eigenrisicodragen WGA. Ook de door het Hof genoemde bedoeling van de wetgever inzake verval van het eigenrisicodragerschap kan men niet duidelijk afleiden uit de wetsgeschiedenis. Er wordt slechts gesteld dat de garantie vóór 31 december 2016 moet worden geleverd, aldus nog steeds de middelen.

2.4

De middelen slagen voor zover dezelfde middelen slagen in de zaak met nummer 19/01054 (ECLI:NL:HR:2020:439) op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in die zaak, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

2.5

De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De hiervoor in 2.1.4 vermelde beschikking dient aldus te worden gewijzigd dat daarin wordt bepaald dat belanghebbende (ook) na 31 december 2016 eigenrisicodrager WGA vast en WGA flex is.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof. Hierbij wordt telkens in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 19/01054, 19/01056 en 19/01058 met deze zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het bezwaar.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur,

- wijzigt de hiervoor in 2.1.4 vermelde beschikking aldus dat daarin wordt bepaald dat belanghebbende (ook) na 31 december 2016 eigenrisicodrager WGA vast en WGA flex is,

- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende heeft betaald voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van € 841.

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding bij de Rechtbank en het Hof, vastgesteld op een vierde van € 4.725, derhalve € 1.181,25 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vierde van € 2.363, derhalve € 590,75 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2020.