Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:5

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2020
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
18/01509
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1169
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing, art. 317.1 Sr. Veroordeling in h.b. na vrijspraak in e.a., zonder nadere bewijsoverweging. Ambtshalve verplichting tot horen van getuigen wier verklaringen voor bewijs zijn gebruikt? Onderhavige zaak wordt - anders dan ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet gekenmerkt door bijzonderheid dat rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, terwijl rechter in h.b. die verklaring wel voor bewijs gebruikt. In dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat rechter in h.b. ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing redenen voor gebruik van die verklaring dient op te geven en i.h.b. moet vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b., vindt in deze zaak dan ook geen toepassing (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1485). Evenmin doet zich andere omstandigheid voor op grond waarvan Hof gehouden was ambtshalve personen op te roepen en te horen en/of ambtshalve in b.m. genoemde camerabeelden ttz. te bekijken. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0006
SR-Updates.nl 2020-0021
NJB 2020/299
RvdW 2020/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01509

Datum 14 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 5 april 2018, nummer 22/000743-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.S. Nan, advocaat te 's‑Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt onder verwijzing naar art. 6 EVRM over de (motivering van de) bewezenverklaring. Het betoogt dat het Hof het tenlastegelegde feit niet zonder meer kon bewezenverklaren nadat de Rechtbank de verdachte daarvan in eerste aanleg had vrijgesproken.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 23 april 2016 te Rijswijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [A] of die [slachtoffer]

- zichtbaar voor die [slachtoffer] een veerdrukpistool in zijn hand heeft gehouden en

- een veerdrukpistool in de rug van die [slachtoffer] heeft geduwd en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd “en nu open je de kassa” en

- die [slachtoffer] meermalen met een veerdrukpistool tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 weergegeven bewijsmiddelen.

2.3

De onderhavige zaak wordt - anders dan het geval was in HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943 - niet gekenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, terwijl de rechter in hoger beroep die verklaring wel voor het bewijs gebruikt. De in dat arrest voor dergelijke specifieke gevallen aanvaarde regel, die inhoudt dat de rechter in hoger beroep ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing de redenen voor het gebruik van die verklaring dient op te geven en in het bijzonder moet vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht, waarbij die gronden kunnen maar niet behoeven te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep, vindt in deze zaak dan ook geen toepassing (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1485, rov. 3.6). Evenmin doet zich een andere omstandigheid voor op grond waarvan het Hof gehouden was ambtshalve personen op te roepen en te horen en/of ambtshalve de in de bewijsmiddelen 6 en 7 genoemde camerabeelden ter terechtzitting te bekijken. Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.

2.4

Ook voor het overige faalt het middel. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2020.