Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:496

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/05477
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:82
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:4598, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging van 2 politieambtenaren door voorafgaand aan voetbalwedstrijd in Amsterdam lettercombinatie ‘ACAB’ te zingen, art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Bewijsklacht opzet. Wist verdachte betekenis van lettercombinatie ‘ACAB’? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 18/05471, 18/05476, 18/05484, 18/05485 en 18/05489.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05477

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2018, nummer 23/000572-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.