Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:492

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/02623
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:93
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:3458
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan door rechtspersoon begaan van mensenhandel door ex-verslaafde i.h.k.v. opvang en zorgverlening 2 jaren lang zonder betaling te laten werken in keukenbladenfabriek van bedrijf van verdachte, art. 273f.1.4 Sr. Is sprake van uitbuiting? In art. 273f.1 Sr voorkomend bestanddeel ‘uitbuiting’ is in wet niet gedefinieerd, behalve door opsomming in art. 273f.2 Sr van aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden maar is sterk verweven met omstandigheden van geval. Bij beantwoording van die vraag komt in geval als onderhavige o.m. betekenis toe aan aard en duur van tewerkstelling, beperkingen die zij voor betrokkene meebrengt en economisch voordeel dat daarmee door tewerksteller wordt behaald. Bij weging van deze en andere relevante factoren dienen in Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BI7099). In dit verband is nog van belang dat ‘uitbuiting’ moet worden aangemerkt als impliciet bestanddeel van art. 273f.1.4 Sr, nu in die bepaling bedoelde gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit bewijsvoering volgt dat is voldaan aan voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. ECLI:NL:HR:2016:556). Gelet op door hof vastgestelde omstandigheden geeft ‘s hofs oordeel dat m.b.t. ex-verslaafde A sprake is geweest van uitbuiting, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. Omstandigheid dat sprake was van re-integratietraject voor ex-verslaafden, maakt dat niet anders. Hof heeft die omstandigheid en consequenties daarvan in aanmerking genomen maar geoordeeld dat in specifiek geval van A zodanig ernstige disbalans bestond tussen doelstellingen van dit traject en aard, duur en intensiteit van werkzaamheden van A en omstandigheden waaronder deze werden verricht, dat sprake was van uitbuiting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02623

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2018, nummer 21/006236-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde mensenhandel en klaagt in de kern dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat sprake is van uitbuiting.

2.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“Stichting [A] en/of [B] B.V. in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 te Nijkerk, in elk geval in Nederland, een perso(o)n, te weten

2. [slachtoffer]

door misbruik van uit andere feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie, die

2. [slachtoffer]

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

immers hebben voornoemde rechtspersonen terwijl die genoemde persoon een alcoholverslaving en schulden heeft - zakelijk weergegeven -

- opvang en/of behandeling en/of dagbesteding aangeboden en/of beloofd bij de Stichting [A] en/of [B] B.V. en

- ondergebracht en/of gehuisvest in een woning althans kamerbewoning; en

- die perso(o)n gedurende een periode een schuld laten opbouwen bij Stichting [A] door het voorschieten van kosten voor huur en/of zakgeld, terwijl die bovengenoemde perso(o)n(en) nog geen uitkering had aangevraagd en/of ontvangen;

- die perso(o)n verplicht laten deelnemen aan het programma van Stichting [A] inhoudende dagactiviteiten en/of werkactivering bij de Stichting [A] en/of [B] B.V. en

- die perso(o)n werkzaamheden laten verrichten bij [B] B.V.

door welke feiten en omstandigheden voor die bovengenoemde persoon een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan hij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan hij geen weerstaan aan voornoemd(e) rechtspersonen heeft kunnen bieden

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:

“1. De feiten

Uit het dossier blijkt het volgende:

1.1.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De betrokken rechtspersonen en hun activiteiten

Op 3 december 2008 is de stichting [A] opgericht, gevestigd aan de [a-straat 1] in Nijkerk. Verdachte is in de periode 3 december 2008 tot 18 juni 2012 de enige bestuurder van [A]. De activiteiten - zoals omschreven in het uittreksel van de Kamer van Koophandel - van [A] bestonden uit “Het herstellen van de mens naar geest, ziel en lichaam, te voorzien in de behoefte aan (therapeutische) begeleiding naar Bijbelse normen aan mensen in nood, bijvoorbeeld veroorzaakt door psychosociale problemen en of een verslavingsprobleem. Het bieden van dagbesteding en begeleiding aan personen die, als gevolg van maatschappelijke omstandigheden, geen reguliere arbeid kunnen verrichten”.

De cliënten van [A] waren gehuisvest in één van de panden van [A]: [a-straat 2], [a-straat 1] en [a-straat 3] en [b-straat 1] in Nijkerk. Het was voor de cliënten verplicht om bij [A] te wonen.

Cliënten bouwden schulden op bij [A] omdat de cliënten, voordat hun uitkering was aangevraagd en goedgekeurd, al kost en inwoning hadden bij [A]. In die periode werd er zakgeld aan de cliënten verstrekt en werd de huur die zij moesten betalen in rekening gebracht.

Er vonden kamercontroles plaats bij de cliënten van [A]. Cliënten werden hier niet vooraf over geïnformeerd en aan hen werd niet om toestemming gevraagd. Cliënten waren ook niet aanwezig bij deze controles. De post van formele instanties gericht aan de cliënten kwam binnen op het kantoor van [A] en werd door de begeleiders van de cliënten geopend, gelezen en bewaard.

De financiën van de cliënten werden beheerd door een bewindvoerder. Iedere cliënt had drie bankrekeningen op zijn naam: 1) de beheerrekening, waarop de inkomsten (uitkering) binnenkwamen en waarvan de vaste lasten van werden betaald, 2) de leefgeldrekening, waar wekelijks leefgeld op werd gestort vanaf de beheerrekening, 3) de PGB-rekening, waarop alle PGB-gelden binnenkwamen en waarvan de bewindvoerder de facturen van betaalde. Cliënten konden alleen gebruik maken van de leefgeldrekening.

Cliënten werden afgeschermd van contact met de buitenwereld. Als een cliënt naar de gemeentelijke sociale dienst, de huisarts of een andere instantie moest, dan ging er veelal een begeleider mee.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij werkt bij de stichting [A] als begeleider. Hij is voorzitter van de stichting. In 2009 is hij samen met onder meer [betrokkene 1] met [A] begonnen. Stichting [A] is een rehabilitatie- en trainingscentrum voor mannen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar. Gezien de zware werkzaamheden die verricht moesten worden, hebben zij als stichting besloten geen vrouwen op te nemen. Het doel is om mensen met een verslaving weer terug de maatschappij in te krijgen. Als iemand binnenkomt vindt er eerst een intake gesprek plaats. Na een proefweek komen mensen in fase 1 terecht. Fase 1 is met beperkte vrijheid. Ze draaien volledig mee met het dagprogramma. De werkactivering vindt plaats bij [A] of [B]. In deze fase krijgen de gasten € 15 leefgeld per week. Ze zijn inwonend bij de Stichting [A]. In fase 2 krijgen de cliënten iets meer vrijheid en iets meer leefgeld en fase 3 is de uitstroomfase. Als een cliënt zich misdraagt dat wordt hij een fase teruggezet.

Als besloten is dat een persoon na een proefweek wordt opgenomen, dan wordt [C] in Nunspeet erbij betrokken. Bij [C] worden er drie rekeningen op naam van de persoon geopend. Eén voor de PGB-bedragen, één voor het financieel beheer en één voor het leefgeld. Op de rekening voor het financieel beheer komt de uitkering binnen. Het leefgeld komt van de rekening financieel beheer. Vanuit de beheerrekening werden de maandelijkse lasten zoals huur en ziektekosten betaald. Als de uitkering binnen was, werd er vaak een regeling getroffen om de schuld bij [A] af te lossen. Gasten bouwden een schuld op bij [A] omdat de uitkering niet meteen beschikbaar was en zij wel huur moesten betalen. In fase 1 betaalde men € 600,- per maand aan huur, in fase 2 € 500,- en in fase 3 € 450,-.

De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij vanaf het begin van [A] daar heeft gewerkt en dat verdachte de touwtjes bij [A] in handen had. Verdachte bepaalde wat er gebeurde en niemand anders. De gasten van [A] zijn mensen die aan de onderkant van de samenleving staan. Die hebben alles al verloren. Op het moment dat ze bij [A] komen wordt ze van alles beloofd. Als ze niet luisteren naar verdachte, raken ze alles weer kwijt en staan ze weer op straat. Ze hebben geen andere keuze dan meewerken. [betrokkene 2] weet dat het beleid van [A] nu erop gericht is om alleen mensen binnen te halen die een PGB hebben. Dat is dan gelijk kassa. Ze hoeven dan niet drie maanden te wachten. De gasten zijn op zich zelfstandig genoeg om een uitkering aan te vragen. Verdachte liet dat niet toe. Hij voorkwam dat mensen alleen naar de gemeente gingen. Hij was bang dat ze verkeerde dingen zouden zeggen. Verdachte had invloed op wat er met de uitkeringen van de gasten gebeurde. Hij zorgde er in ieder geval voor dat de huur rechtstreeks aan [A] werd overgemaakt.

Daarnaast regelde hij met een medewerker van budgetbeheer dat eerst een eventuele schuld aan [A] werd afgelost voor er andere schulden werden afgelost. Verdachte regelde dat buiten de gast om. De gast heeft vanaf dag 1 al schulden bij [A]. Negentig procent van de gelden die binnenkwamen op de bestuursrekening van de stichting [A] bestond uit PGB-gelden. Verdachte en hij hadden een pas om geld te pinnen.

Op 14 november 1991 is [B] B.V. opgericht. De activiteiten - zoals omschreven in het uittreksel van de Kamer van Koophandel - van [B] B.V. bestonden uit “Het vervaardigen en verhandelen van werkbladen en aanverwante producten, in de ruimste zin”. [D] B.V (verder: [D]) was sinds 6 juli 1998 de enig aandeelhouder en bestuurder van [B] B.V. en was zelfstandig bevoegd.

Verdachte is sinds 22 maart 1996 de enig aandeelhouder en bestuurder van [D]. [B] B.V. was gevestigd aan de [c-straat] te Putten en is op 19 juni 2012 in staat van faillissement verklaard.

[betrokkene 2] heeft over [B] verklaard dat [B] van verdachte is. Verdachte laat maandelijks € 5.000,- overmaken naar [D] beheer. Dat is zijn salaris.

Stichting [B] is op 1 juni 2012 opgericht en is gevestigd aan de [d-straat 1] in Nijkerk. Verdachte was in de periode 1 juni 2012 tot 30 november 2012 de enige bestuurder.

De activiteiten - zoals omschreven in het uittreksel van de Kamer van Koophandel - van Stichting [B] bestonden uit “De vergroting van de participatie op de arbeidsmarkt van personen die een afstand daarvan hebben, personen te leren werken en het te leren omgaan met struktuur, gezag, dag en nacht ritme, verantwoordelijkheid en communicatie, zodat zij in de maatschappij een baan kunnen vinden en deze baan kunnen houden”.

Werkzaamheden bij [B]

Om toegelaten te mogen worden tot [A] moesten de cliënten aan het hele programma dat ze werd aangeboden meedoen. Als ze dat niet wilden, konden ze niet bij [A] terecht. Het was voor de cliënten van [A] verplicht om te werken bij de keukenbladenfabriek [B] B.V., later Stichting [B], of [E], de winkel voor vloeren.

Verdachte heeft verklaard dat het werken bij [B] arbeidstherapie was. De gasten van [A] werden niet betaald voor hun werkzaamheden bij [B]. De gasten waren er niet voor opgeleid. De werkzaamheden werden niet betaald omdat ze geld kostten. Verdachte kon geen antwoord geven op de vraag of er een begeleidingsplan werd opgesteld. Gasten deden alle voorkomende werkzaamheden waarbij rekening werd gehouden met hun beperkingen. Iemand verrichtte van 8.00 uur tot 16.30 uur werkzaamheden voor [B]. De gasten gingen iedere dag met een bus vanuit Nijkerk naar Putten om te werken bij [B]. Dit was een rit van een half uur.

De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat er ongeveer vijf of zes mensen op de loonlijst stonden bij [B], maar dat er ongeveer dertig mensen werkzaam waren. Alle gasten bij [A] waren werkzaam bij [B]. Bij de intake werd de mensen gezegd dat ze bij [B] moeten werken. Het was hard en zwaar werk. Als je niet bij [B] wilde werken ging het niet door. Bij [A] kwamen alleen mensen die nuttig waren voor [B]. Als iemand niets kon of te gehandicapt was, kwam hij niet binnen bij [A]. Gasten die bij [A] kwamen, waren vaak zwaar verslaafd en hadden daarnaast ook nog veel psychische problemen. Zonder uitzondering werden deze mensen bij [B] aan het werk gezet. Het waren zware lichamelijke werkzaamheden. Gasten waren aan het einde van de dag kapot. Gasten werden in een compleet afhankelijke positie geplaatst. Als ze niet deden wat verdachte zei, stonden ze zo weer op straat.

De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij in 2010 als vrijwilliger bij de stichting [A] terecht is gekomen en daar in februari 2012 in dienst is getreden als financieel manager. Hij deed de boekhouding bij [A]. Hij kreeg de opdrachten van verdachte. Verdachte declareerde veel privé‑kosten via [A]. Alles werd voor verdachte betaald. Sinds 2009 ging het om substantiële bedragen; tienduizenden euro’s. Benzinekosten werden dubbel gedeclareerd, zowel bij [A] als bij [B]. Verdachte had bij [B] een managementfee van ongeveer € 7.000 per maand. [slachtoffer] betaalde te veel huur, namelijk € 600 in plaats van € 450. Er werd dan met [slachtoffer] afgesproken dat het teveel betaalde zou worden gespaard zodat hij het groot rijbewijs kon halen. Verschillende personen, waaronder [betrokkene 4], kregen geld voor hun werk bij [B]. Dat werd weggeboekt onder zorgvergoeding, maar dit sloeg nergens op. Het waren gewoon inkomsten uit arbeid. Zij kregen dit naast hun uitkering. Het lijkt er op dat verdachte [B] heeft gebruikt om er beter van te worden. Er kwamen PGB’s en huur binnen, dat was dikke winst. ‘Zelf € 1500 huur betalen voor het hele pand en dan heel veel huur bij de jongens halen en ze op een kamertje proppen.’ Zij waren voor verdachte goedkope arbeidskrachten voor [B]. Verdachte hoefde daar geen loonbelasting over te betalen. De winst van de PGB’s was gigantisch. Er werd lang niet voor alle uren zorg verleend. [A] leverde de arbeiders voor [B] B.V. [A] financierde feitelijk [B] want ze hadden gewoon in loondienst moeten zijn. Er zaten geen cliënten in fase 4. Dit stond alleen maar op papier. In praktijk waren ze alleen maar geplaatst in fase 1 tot en met 3. [betrokkene 4] was één van de weinigen die in fase 4 zat. Verdachte had liever iemand die niet doorgroeide en daardoor veel PGB binnenhaalde voor [A] en bleef werken voor [B].

De getuige [betrokkene 5] heeft op 17 oktober 2012 bij de sociale recherche verklaard dat hij een enorme klik had met verdachte en dat hij in maart 2011 een betaalde baan bij [B] B.V. kreeg. Hij werkte daar als logistiek planner. De macht bij [B] was bij verdachte. Bij [B] waren jongens van [A] aan het werk. Zij maakten daar mallen en deden mee aan de productie. Gewoon alles wat er moest gebeuren. Ze waren daar aan het werk van 8 tot 5. Het was onder de noemer dagbesteding, maar ze waren daar gewoon aan het werk. Het was een productieproces en aan het einde van de rit werd er gewoon grof geld ontvangen. Het heette dagbesteding bij [A] om weer ritme op te doen. De jongens hadden megaproblematiek. De jongens die bij [A] kwamen betaalden tussen de € 450,- en € 600,- huur voor kamertjes die het niet waard waren. Er werden gelijk uitkeringen en PGB’s aangevraagd. Alle jongens waren bang. Er heerste een cultuur van angst. Ze waren volledig afhankelijk van verdachte. Als ze niet deden wat verdachte zei, stonden ze weer op straat.

[betrokkene 5] is op 23 oktober 2012 gehoord door de arbeidsinspectie. Hij heeft verklaard dat hij behalve bij [B] B.V. ook een contract kreeg bij Stichting [A]. Hij was daar begeleider. De bladen, die bij [B] werden geproduceerd, moesten worden vervoerd naar afnemers. Dat vervoer werd volledig gedaan door gasten. Het vervoer werd gedaan door [slachtoffer] en [betrokkene 4]. Bij [B] waren er dagelijks 14 man aan het werk. Daarvan waren er tien gasten. Die gasten zeiden dat ze de hele dag moesten werken en maar een tientje zakgeld kregen. Hij hoorde van de gasten dat ze vonden dat ze veel te weinig begeleiding kregen. Bij [B] was er niemand die was opgeleid om te begeleiden. Volgens [betrokkene 5] was het werk bij [B] veel meer dan een dagbesteding. Er moest flink productie worden gemaakt. Gasten hadden dezelfde werktijden als vaste medewerkers. Een derde van de productie werd gedaan door de gasten. Met goed opgeleide mensen zou een beter product zijn afgeleverd. De gasten moesten in de tweede week na hun binnenkomst al naar [B]. Ze moesten omdat ze hiervoor getekend hadden. Ze tekenden echter voor alles. De mensen waren al blij dat ze een plek hadden. Hij zag dat de mensen ontzettend moe waren van het werk. De begeleiding was zwaar onvoldoende. De gasten betaalden huur voor kamers die dat niet waard waren. [betrokkene 5] wist dit, omdat hij er naast woonde. Hij vond het mensonwaardig. Het dak lekte en er liepen muizen. De gasten lagen meestal met zijn tweeën op een kamer. Het eten werd meestal gehaald van de voedselbank. Feitelijk waren de gasten als werknemer werkzaam bij [B]. Ze werden gedwongen om het werk te doen. Ze waren echter niet capabele werknemers.

(...)

[betrokkene 11]

(...)

Van sommige gasten is volgens [betrokkene 11] echt misbruik gemaakt. [slachtoffer] maakte werkdagen van twaalf of veertien uur en dan moest hij de volgende morgen weer vroeg op de fabriek zijn.

(...)

[slachtoffer]

werd op 16 oktober 2012 als verdachte van uitkeringsfraude gehoord. Hij heeft verklaard dat hij geen uitkering kon aanvragen en geen onderdak had en dat hij toen is teruggegaan naar de stichting [A] in Nijkerk. Hij had al eerder onderdak bij die stichting gehad. Hij heeft een jaar lang minimaal 40 uur per week gewerkt voordat hij een arbeidscontract kreeg. Hij was het er niet mee eens hoe het ging. Hij moest hard werken voor niets. Hij heeft dit met verdachte besproken. Hij heeft de gemeente na een tijdje verteld dat hij veertig uur per week als chauffeur werkte. Verdachte kon toen niet anders dan [slachtoffer] een contract aanbieden. Dit was per 1 december 2010. Hij ging toen netto € 1200,- per maand verdienen. Verdachte is eigenaar van de [a-straat 2] en [a-straat 1]. [a-straat 3] is een anti-kraakwoning. Voor de [a-straat 3] wordt weinig huur betaald, maar de huren bleven € 450,- tot € 600,-. Verdachte verdiende daar flink op. [slachtoffer] heeft in alle drie de panden gewoond. In de uitkeringsperiode was het zo dat de huur betaald werd van de uitkering. Toch heeft [slachtoffer] daarnaast een schuld opgebouwd. Hij kwam er enige weken geleden achter dat hij € 3.000,- schuld had bij [A]. [slachtoffer] heeft inzage gevraagd in de bankafschriften en daaruit bleek dat hij dubbele huur had betaald. [slachtoffer] is weleens een fase omlaag gezet. De huur ging dan omhoog en het zakgeld omlaag. [slachtoffer] heeft nooit zwart geld ontvangen. In 2010, toen [slachtoffer] nog een uitkering had, werd er wel eens een omzet van een ton tot anderhalve ton per week gedraaid. Hij kon dat zien op de uitdraai van de weekplanning. [slachtoffer] bracht de spullen weg. Hij was de enige chauffeur. [slachtoffer] was vaak laat in de avond (22.00 uur) pas thuis. Hij werd niet begeleid tijdens het werk. Ook buiten werktijden had hij geen begeleiding. Hij wist dat hij per maand een PGB-vergoeding had van € 3.000,- tot € 4.000,-. Het werken bij [B] was een verplichting. [slachtoffer] was wel blij dat hij als chauffeur kon werken. Hij kon er niet tegen om de hele dag binnen te zitten. Natuurlijk heeft hij bij de sociale dienst nooit gezegd dat hij veertig uur bij [B] werkte, maar mede omdat het een stichting was, werd het als dagbesteding opgegeven. Hij begreep ook wel dat als de gemeente had geweten dat hij er veertig uur werkte, hij geen uitkering had gekregen, zeker nu hij bij een commercieel bedrijf werkte. Voordien werd door de leiding van de stichting al aangegeven dat het werk dat hij deed dagbesteding was, maar hij was afhankelijk van de stichting, omdat hij anders geen dak boven zijn hoofd had. Vanaf begin 2009 was hij al chauffeur.

[slachtoffer] heeft verdachte omschreven als een dictator met een christelijk tintje. Hij kon aardig, maar ook hard zijn. Hij was niet fysiek, maar wel verbaal intimiderend. Hij verklaarde verder dat je bij [A] een financieel plaatje was. Je werd binnengehaald om uitgebuit te worden. Je werd zo geplaatst dat je volledig afhankelijk van ze was. [slachtoffer] wilde niet meer terug naar zijn oude leven in de goot met drank en problemen. Daardoor heeft hij zich in zijn lot geschikt. Hij had nu wel een bepaalde mate van houvast en structuur, al wist hij dat het niet klopte.

Op 6 maart 2013 is [slachtoffer] als getuige gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij wel eens woordenwisselingen heeft gehad met de verdachte en dat hij zich ook wel eens bedreigd heeft gevoeld. Dat was omdat hij op het laatst geen dingen meer wilde doen die hij in het begin zonder commentaar deed. Hij deed dit in het begin omdat hij bang was eruit gezet te worden. Hij zat diep in de schulden en had geen keus of alternatief. Hij heeft drie en een half jaar voor [B] BV gewerkt. Het was een bedrijf dat arbo-technisch zwaar onder de maat was. Verdachte liet mensen te zwaar werk doen. Als je niet wilde werken dan kon je gaan. Je moest gewoon veertig uur hard beuken. Zijn voordeel was dat hij chauffeur kon worden. Anders had hij het niet volgehouden. Van de Sociale Dienst moest hij een contract krijgen en dat kreeg hij ook. Het was een commerciële fabriek, wel een mooie fabriek, maar het werk was veel te zwaar voor de mensen die daar binnen kwamen en die nog helemaal niet goed in staat waren om het zware werk te doen. Bij verdachte werden de mensen helemaal leeg getrokken door het harde werk. Bij andere instellingen waar [slachtoffer] is geweest, was er meer zorgbegeleiding. Bij verdachte was het alleen maar hard werken.

Hij heeft als chauffeur heel hard gewerkt. Zestig of zeventig uur in de week kwam meermalen voor. Er zat een soort track and trace systeem in de auto. Rusttijden en pauzes waren niet nodig, dus die kon hij niet nemen. Als hij stil stond werd er direct gebeld met de vraag waarom hij stil stond. [slachtoffer] kreeg niet de gelegenheid om rustig iets te eten. Hij is meer keren tegen de vlakte gegaan om hij niet gegeten had. Verdachte wilde er vooral zelf beter van worden. De christelijke inslag van de instelling was in het begin wel heel duidelijk, maar nu heeft [slachtoffer] het idee dat het alleen maar ging om geld binnen krijgen zodat verdachte weer naar Amerika kon. Verdachte keek te veel naar het zakelijke en niet naar het persoonlijke. Mensen moesten keihard werken en ze kregen er geen cent voor. De zorg was niet structureel en onprofessioneel. [slachtoffer] werd regelmatig teruggezet in een fase. Men werd snel teruggezet voor een klein vergrijp en dan werd je weken teruggeplaatst. Dat kostte je meteen weer meer huur en je kreeg minder leefgeld. De uitkering heeft [slachtoffer] aangevraagd onder begeleiding. Hij kreeg ongeveer € 900,-. In fase 1 moest daar € 600,- huur vanaf en ook de ziektekostenverzekering. De eerste tijd kwam men zeker met een schuld te zitten. Je kreeg leefgeld van € 15,- per week. Zolang de uitkering niet rond was, bouwde je een schuld op. Verdachte is bij [slachtoffer] thuis geweest. [slachtoffer] had hulp nodig en verdachte zei: ‘dit is je helikopter en nu kun je instappen’. [slachtoffer] vertrouwde verdachte volledig en verdachte heeft hem ook wel uit de goot gehaald.

[slachtoffer] is een keer geschorst voor een week. Bij een schorsing werd je gewoon een week weggestuurd. Er werd totaal geen aandacht aan besteed of je wel een plek had om heen te gaan. Het gevolg was natuurlijk dat je op straat terecht kwam en verviel in je oude fouten. [slachtoffer] werd geschorst omdat hij tegen het regime was ingegaan. Dat werd niet geaccepteerd. De gasten waren verplicht in de panden in de [a-straat 2], [a-straat 1] of [a-straat 3] te wonen. Ergens anders wonen was niet mogelijk. [slachtoffer] vond dat er misbruik is gemaakt van de kwetsbaarheid van verslaafde personen. Hoe zwakker je was, hoe meer je de sigaar was. Hoe meer je je mond open deed, hoe meer je voor elkaar kreeg. De huisvesting was zwaar onder niveau. [slachtoffer] heeft in alle drie de beschikbare panden gezeten. Op [a-straat 1] kwam het water uit het plafond. Het was een open ruimte waarin een wasmachine en toiletten waren. In die ruimte werden ze met drie man te slapen gelegd.

[slachtoffer] is op 20 april 2017 bij de raadsheer-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij in principe een mooie tijd bij [A] heeft gehad. Hij had werk en onderdak. Hij had een veilige plek en dat vond hij heel belangrijk. Hij blijft bij zijn verklaring dat mensen werden leeg getrokken. Als je binnenkwam werd je verplicht om van 8 tot 5 in een betonfabriek te werken. Hij heeft met die bladen lopen sjouwen zonder hulpmiddelen en zonder loon. Verdachte werd verplicht hem een aantal jaren later salaris te geven. [slachtoffer] kwam in 2006 bij [A]. Pas de laatste jaren is dat leegtrekken gebeurd. Er waren altijd schulden. Je kon niet weg. [slachtoffer] bezorgde hij keukenbladen bij klanten. Hij sjouwde van boven naar beneden. Er waren geen hulpmiddelen. Ze deden alles met hun handen. Zijn vinger is hierdoor verbrijzeld geweest. Hij deed het werk met behoud van uitkering, maar de gemeente vond dat hij een contract moest krijgen. Dat is toen gebeurd met veel moeite. Hij is ongeveer drie jaar zonder contract chauffeur geweest. Bij verdachte werd je gedwongen te werken. Hij voelde een bepaalde mate van dwang. Zeker toen hij geen contract had. Het voelde toen als dwangarbeid. Hij had daar niet over te bepalen. De huur kwam bij zijn schuld. Het bestaan van de schulden heeft er toe bijgedragen aan het gevoel dat hij niet vrij was.

In het dossier bevindt zich een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen [slachtoffer] en [B] B.V. Daarin staat dat de overeenkomst op 1 december 2010 ingaat en dat [slachtoffer] een brutosalaris van € 1416,- per maand ontvangt en dat de vakantietoeslag 8% is.

De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat het vervoer bij [B] onder meer werd gedaan door [slachtoffer]. [slachtoffer] was de hele dag op pad en was fulltime chauffeur.

In het dossier bevindt zich een e-mailbericht van [betrokkene 15], gedateerd 1 april 2010, met de volgende inhoud:

“Ik begreep vandaag dat [slachtoffer] pas om 22 uur thuis was. Hij kreeg om 17:00 uur nog een rit naar Eindhoven. Dit kan toch niet? [slachtoffer] is de hele dag bezig geweest en moet dan nog tot 22 uur overwerken. Hij voelt zich echt misbruikt en heeft ‘s avonds niet gegeten, kwam oververmoeid thuis. Dit kost hem echt heel veel stress en spanning. Dit is echt te gek hoor. Dit is de afgelopen 3-4 weken al veel vaker gebeurd. Hij durft zelf geen nee te zeggen. Dit heeft Ico vorige week ook al 2 keer besproken. [slachtoffer] wil nu zsm stoppen bij [B]...”

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat [slachtoffer] bij [B] B.V. heeft gewerkt als chauffeur en dat hij goed functioneerde. Hij kreeg een contract in 2010.”

2.2.3

Het hof heeft voorts het volgende overwogen:

“4.1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Algemene overwegingen

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 273f Sr en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Het belang dat ten grondslag ligt aan de strafbaarstelling van mensenhandel is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (zie onder meer Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099).

Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren.

Met betrekking tot het bestanddeel ‘een kwetsbare positie’ geldt dat dit begrip in de wet is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.”

Het hof benadrukt ten slotte dat het enkele aanwenden van de in artikel 273f, eerste lid aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht genoemde dwangmiddelen op zich zelf beschouwd niet reeds uitbuiting oplevert, maar dat uitbuiting met zich brengt dat sprake moet zijn van een ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke integriteit en/of de persoonlijke vrijheid en/of de financiële belangen van betrokkenen.

Het hof gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden:

1. Cliënten kregen opvang, behandeling en dagbesteding aangeboden bij [A] en [B] B.V., later Stichting [B];

2. Cliënten werden gehuisvest in een kamer bij [A]; zij waren verplicht daar te wonen;

3. Cliënten betaalden van hun uitkering de kosten van het verblijf bij [A]. In de eerste fase werd aan cliënten € 600,- per maand in rekening gebracht voor kost en inwoning. Na ongeveer drie maanden werd dit bedrag tot € 500,- en vervolgens tot € 450,- verlaagd;

4. Cliënten bouwden totdat ze een uitkering ontvingen een huurschuld op bij [A];

5. Cliënten werden in hun vrijheden beperkt, onder meer door kamercontroles, het openen van post en het inleveren van hun telefoons;

6. Cliënten waren verplicht om deel te nemen aan het programma van [A] en verrichten (onbetaald) werkzaamheden bij [B] B.V./Stichting [B] of [E];

7. Voor cliënten werd een PGB aangevraagd.

8. Cliënten kregen een financieel bewindvoerder aangesteld die toezicht hield op hun financiën.

Naar het oordeel van het hof kunnen mensen met een verslavingsachtergrond baat hebben bij een dagbesteding (bestaande uit betaalde of niet-betaalde werkzaamheden), controle op hun activiteiten en het uit handen nemen van hun financiële zaken. De omstandigheden dat enige drang wordt uitgeoefend op het hebben en houden van een dagbesteding en er beperkingen zijn als gevolg van de uitgeoefende controle en als gevolg van het ontbreken van zeggenschap over financiële middelen, brengt nog niet met zich mee dat sprake is van uitbuiting, met name niet als van te voren duidelijk met de (ex)verslaafde is gecommuniceerd dat dit de voorwaarden zijn waaronder hij kan worden opgenomen in een instelling. Tegelijkertijd moet voor ogen worden gehouden dat (ex)verslaafden vaak kwetsbare personen zijn die zich minder weerbaar kunnen opstellen. Dat heeft niet alleen te maken met hun verslavingsachtergrond, maar ook met andere omstandigheden zoals schuldenproblematiek en het ontbreken van (alternatieve) huisvesting.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij cliënten huisvestte bij [A] en liet werken bij [B] B.V. omdat hij ze wilde helpen. Tegelijkertijd is echter gebleken dat [A] en [B] B.V. financieel profijt hadden van de cliënten. [A] ontving gelden uit de PGB’s en huur van cliënten en [B] B.V. kon gebruik maken van gratis werkkrachten. Verdachte profiteerde in financieel opzicht zowel van [A] als van [B] B.V. Ten aanzien van [A] gold dat verdachte op de loonlijst stond en salaris ontving, hij kosten declareerde en hij de beschikking had over een pinpas van [A]. Ten aanzien van [B] B.V. gold dat verdachte een forse managementfee ontving en hij ook daar kosten declareerde.

Cliënten werden door het accepteren van voorwaarden bij binnenkomst in [A] beperkt in hun vrijheden. Zij werden verplicht te wonen bij [A] en dus huur te betalen aan [A] en zij werden verplicht te werken bij [B] B.V zonder dat zij hiervoor een vergoeding ontvingen. Dat [A], [B] B.V en verdachte een financieel belang hadden bij de beperkingen en verplichtingen die aan cliënten werden opgelegd, betekent nog niet dat sprake was van een uitbuitingssituatie. Het was immers ook zo dat cliënten baat konden hebben bij de beperkingen en verplichtingen, in die zin dat zij niet terugvielen in hun verslaving en niet terugkeerden naar het leven dat zij als verslaafde hadden geleid.

Pas als gesproken kan worden van een ernstige disbalans in het voordeel van [B] B.V. en/of [A] (en dus verdachte), kan dit naar het oordeel van het hof geduid worden als uitbuiting. Zo een disbalans kan zich voordoen als er (qua duur, aard en intensiteit) geen verschil bestaat tussen de niet betaalde werkzaamheden van cliënten en betaalde werkzaamheden van werknemers. Ook kan zich een disbalans voordoen als cliënten qua inhoud (vies of gevaarlijk werk) zodanige werkzaamheden moeten verrichten of zo langdurig dat van die werkzaamheden niet meer kan worden gesteld dat die gezien kunnen worden als redelijke dagbesteding en/of als redelijk doel om terug te keren in de maatschappij. Ook kan zich een disbalans voordoen als cliënten verplicht worden buitensporig hoge huren te betalen.

Het hof zal hieronder per persoon nagaan of sprake was van een zodanige disbalans dat gesproken kan worden van uitbuiting. Het hof merkt daarbij op dat het bij mensenhandel gaat om een ernstig feit waarop een hoge straf staat en dat daarom niet elke disbalans reeds tot de conclusie leidt dat sprake is van uitbuiting in de zin van artikel 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht. Er moet dus sprake zijn van een forse disbalans. In dat kader merkt het hof op dat er weliswaar vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de huren die cliënten in de eerste fase moesten betalen gelet op de hoogte van die bedragen in relatie tot de kwaliteit van de huisvesting, maar dat naar het oordeel van het hof die huren niet zo hoog waren dat reeds vanwege de hoogte gesproken kan worden uitbuiting. Wel kan die hoogte een omstandigheid zijn in combinatie met andere omstandigheden die er toe leidt dat sprake is van uitbuiting.

(...)

Veroordeling ten aanzien van [slachtoffer]

Het hof is van oordeel dat stichting [A] en [B] B.V. zich ten opzichte van [slachtoffer] hebben schuldig gemaakt aan mensenhandel en dat verdachte aan die gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] verslaafd was aan alcohol. Omdat hij geen inkomen en geen onderdak had, is hij naar [A] gegaan. Bij [A] kon hij slechts verblijven als hij werkzaamheden verrichtte voor [B] B.V.

[slachtoffer] was jarenlang werkzaam als chauffeur bij [B] B.V. Hij functioneerde goed en zonder begeleiding en werd als fulltime chauffeur ingezet. Het was dus niet zo dat [slachtoffer] (ondanks zijn verslavingsachtergrond) slechter functioneerde dan chauffeurs die vergelijkbaar werk deden en daar wel voor betaald kregen. [slachtoffer] maakte bij [B] B.V. lange dagen en kwam bij [A] - waar hij verplicht woonde - vaak uitgeput thuis.

Desondanks heeft [slachtoffer] een aantal jaren zonder betaling bij [B] B.V. gewerkt. [slachtoffer] kreeg ook niet zwart betaald zoals bij sommige andere cliënten van [A] wel het geval was. Wel genoot [slachtoffer] (ten onrechte) een bijstandsuitkering. Bij [A], [B] en verdachte was bekend dat [slachtoffer] (meer dan) fulltime werkte, niettemin werd geen actie ondernomen ten aanzien van de uitkering van [slachtoffer], hetzij door [slachtoffer] een contract aan te bieden (zodat een uitkering niet meer nodig was), hetzij door ([slachtoffer]) melding te (laten) doen van het feit dat [slachtoffer] fulltime en naar tevredenheid als chauffeur werkte. Zowel [A], als [B] B.V (en dus verdachte) hadden er belang bij dat [slachtoffer] zo lang mogelijk zijn uitkering behield.

[B] B.V. hoefde op die manier geen loon uit te betalen, terwijl de uitkering hoog genoeg was om de huur bij [A] te voldoen. Door deze constructie werd [slachtoffer] echter financieel benadeeld. Zijn uitkering was aanzienlijk minder dan het loon waarvoor hij in aanmerking kwam. Bovendien liep hij het risico op strafrechtelijke vervolging voor uitkeringsfraude en de oplegging van de bestuursrechtelijke verplichting om het uitgekeerde bedrag terug te betalen.

Pas op 1 december 2010 trad [slachtoffer] door druk van de gemeente officieel in dienst bij [B] B.V.. Gerekend vanaf 1 januari 2009 was het financieel voordeel van [B] B.V. fors (tussen de € 30.000,- en € 40.000,-).

Door [slachtoffer] gedurende lange tijd (meer dan) fulltime te laten werken, zonder hem hiervoor een salaris te geven, was - gelet op het financiële voordeel voor [B] B.V (en dus verdachte) enerzijds en het financiële nadeel van [slachtoffer] en de strafrechtelijke en bestuursrechtelijke risico’s die hij liep anderzijds - sprake van een zodanige disbalans dat gesproken kan worden van uitbuiting in de zin van artikel 273f, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Deze uitbuiting was een gevolg van misbruik van de kwetsbare positie waarin [slachtoffer] zich bevond en het overwicht dat [A] op hem had. [slachtoffer] was voor zijn onderdak afhankelijk van [A]. Om bij [A] te kunnen blijven wonen, was hij verplicht te werken voor [B] B.V.

Uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zowel binnen de stichting [A] als binnen [B] B.V. een zodanige positie had, zodanige zeggenschap en wetenschap had dat hij feitelijk leiding heef gegeven aan de hierboven genoemde strafbare gedragingen van de stichting [A] en [B] B.V.”

2.3

De tenlastelegging is toegesneden op artikel 273f lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Artikel 273f Sr luidde, voor zover hier van belang, in de periode waarop de tenlastelegging betrekking heeft als volgt:

“1. Als schuldig aan mensenhandel wordt (...) gestraft:

1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

(...)

4°. degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

(...)

2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

(...).”

2.4

Vooropgesteld moet worden dat het in artikel 273f lid 1 Sr voorkomende bestanddeel ‘uitbuiting’ in de wet niet is gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd (vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, rechtsoverweging 2.6.1).
In dit verband is nog van belang dat ‘uitbuiting’ moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van artikel 273f lid 1, aanhef en onder 4º, Sr, nu de in die bepaling bedoelde gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:556).

2.5

Gelet op de door het hof vastgestelde omstandigheden zoals samengevat in de conclusie van de advocaat-generaal onder 14 tot en met 21, geeft het oordeel dat met betrekking tot [slachtoffer] sprake is geweest van uitbuiting niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel toereikend gemotiveerd. De in de schriftuur aangevoerde omstandigheid dat, kort gezegd, sprake was van een re-integratietraject voor ex-verslaafden, maakt dat niet anders. Het hof heeft die omstandigheid en de consequenties daarvan in aanmerking genomen, maar geoordeeld dat in het specifieke geval van [slachtoffer] een zodanig ernstige disbalans bestond tussen de doelstellingen van dit traject en de aard, duur en intensiteit van [slachtoffer] werkzaamheden en de omstandigheden waaronder deze werden verricht, dat sprake was van uitbuiting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

2.6

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.