Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:474

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
19/05734
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:45, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Voorlopige machtiging. Horen van betrokkene, art. 8 lid 1 Wet Bopz (oud). Bereidheid betrokkene om zich te doen horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/822
RvdW 2020/413
JGz 2020/18 met annotatie van Dijkers, W.J.A.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05734

Datum 20 maart 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

hierna: betrokkene,

advocaat: M.E. Bruning,

tegen

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM,

VERWEERDER in cassatie,

hierna: de officier van justitie,

niet verschenen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/13/670571/FA RK 19-4844 van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2019.

Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze procedure verzoekt de officier van justitie een voorlopige machtiging tot het opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

2.2

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 18 september 2019; de zitting vond plaats in het gebouw van de rechtbank. Betrokkene was op dat moment niet aanwezig. Wel aanwezig waren de advocaat van betrokkene, een psychiater en een verpleegkundige.

2.3

De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend en heeft onder meer het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat betrokkene behoorlijk is opgeroepen. Betrokkene is op 10 september 2019 door de rechtbank schriftelijk op de hoogte gesteld van de datum, tijdstip en locatie van de terechtzitting. Deze brief is op 12 september 2019 bezorgd op het postadres van betrokkene. De psychiater heeft ter zitting verklaard dat betrokkene op de hoogte is van de datum, tijdstip en plaats van de zitting. Hij heeft haar zojuist gesproken, waarbij betrokkene hem heeft gezegd nu, een kwartier voor aanvang van de zitting, in de auto te stappen om alsnog naar zitting te komen. Het is volgens de psychiater van belang de zaak vandaag te behandelen gelet op het gevaar dat betrokkene veroorzaakt.

De rechtbank gaat er, gelet op het vorenstaande, van uit dat betrokkene op de hoogte was van de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting, maar dat zij er blijkbaar voor heeft gekozen niet (tijdig) ter zitting te verschijnen om haar standpunt toe te lichten. De rechter zal, mede gezien het gestelde gevaar, de zitting voortzetten zonder aanwezigheid van betrokkene. Mocht betrokkene alsnog verschijnen, kan zij de zitting bijwonen.”

2.4

Blijkens een e-mail van de griffier van de rechtbank van 24 december 2019 (overgelegd bij brief van 6 januari 2020) heeft betrokkene zich op 18 september 2019 na afloop van de zitting bij de rechtbank gemeld.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt, kort gezegd, dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 8 lid 1 Wet Bopz (oud) door de machtiging te verlenen zonder betrokkene te horen.

3.2

Ingevolge art. 8 lid 1 Wet Bopz (oud) dient de rechter, alvorens op het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging te beslissen, degene ten aanzien van wie de machtiging is verzocht, te horen, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen.

3.3

De rechtbank heeft met haar overweging dat betrokkene blijkbaar ervoor heeft gekozen niet (tijdig) ter zitting te verschijnen, kennelijk geoordeeld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De rechtbank heeft dit oordeel gegrond op de vaststelling dat betrokkene op de hoogte is gesteld van de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting, en op de verklaring van de psychiater ter zitting dat hij betrokkene kort voor aanvang van de zitting heeft gesproken en dat betrokkene toen heeft gezegd “in de auto te stappen om alsnog naar zitting te komen”. In het licht van laatstgenoemde mededeling is het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

Onderdeel 1 slaagt dus. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2019;

- wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 20 maart 2020.