Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:454

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/03545
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:2725
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1315
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr) en medeplegen diefstal d.m.v. valse sleutels (art. 311.4 en .5 Sr), meermalen gepleegd. Verwerping verweer m.b.t. onder 2 tlgde. (diefstal van een personenauto) dat de herkenning van verdachte door verbalisanten niet voor bewijs kan worden gebruikt. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AU9130, m.b.t. selectie en waarderingsvrijheid van de feitenrechter van beschikbaar feitenmateriaal en diens motiveringsplicht ex art. 359.2 Sv i.g.v. uos t.a.v. gebruikt bewijsmateriaal. Hof heeft verweer dat de herkenning van verdachte door 3 verbalisanten op bewakingsbeelden van de ondergrondse parkeergarage waar de in de bewezenverklaring genoemde Volkswagen Golf is weggenomen, niet betrouwbaar is, gemotiveerd verworpen. Hof heeft in dat verband, na het bekijken op de tz. van de beelden en de stills in het dossier, overwogen dat de beelden voldoende duidelijk zijn om daarop enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende 3 personen in samenhang te kunnen waarnemen. Hof heeft verder vastgesteld dat de verbalisanten bij het (opnieuw) bekijken van de beelden al daadwerkelijk 1 of meer ontmoetingen hadden gehad met verdachte en dat zij hem aan enkele nader omschreven kenmerken hebben herkend. O.g.v. e.e.a. heeft het hof geoordeeld dat het de herkenning van verdachte door de verbalisanten betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken. Dat oordeel is, ook in aanmerking genomen wat daarover door de raadsman in h.b. is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof, ook o.g.v. art. 359.2 Sv, niet gehouden. Hieraan doet niet af dat de door het hof voor het overige in aanmerking genomen omstandigheden niet rechtstreeks betrekking hebben op de herkenning door de verbalisanten. Hof heeft deze omstandigheden immers mogen betrekken bij zijn oordeel omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde feit. Volgt verwerping. CAG: anders. Samenhang met 18/03618 en 18/04134.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/03545

Datum 17 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2018, nummer 23/001172-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het met betrekking tot feit 2 gevoerde verweer dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De uitspraak van het hof

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 4 juli 2014 te Huizen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto, te weten een Volkswagen (type Golf, kenteken [kenteken 1]), toebehorende aan [betrokkene 1], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels;”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2014179882-1 van 6 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 1-5).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 4 juli 2014 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van diefstal van mijn personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, in de kleur grijs en voorzien van het kenteken [kenteken 1].

Op donderdag 3 juli 2014, omstreeks 23:50 uur, parkeerde ik mijn auto in de ondergrondse garage onder het appartementencomplex waar ik woon. Dit is het appartementencomplex dat ligt aan de [a-straat] in Huizen.

Deze ondergrondse garage is volledig afgesloten en is formeel alleen bereikbaar voor de bewoners van het appartementencomplex. Bewoners van het complex zijn in het bezit van een sleutel om in de garage te komen.

Toen ik op vrijdag 4 juli 2014, omstreeks 12:00 uur, terugkwam in de ondergrondse garage en naar mijn auto liep, zag ik dat mijn auto er niet meer stond en kennelijk weggenomen was.

De ondergrondse garage is voorzien van cameratoezicht. Bij de grote garagedeur bedoeld voor in/uitrijdende auto’s hangt een camera. Deze camera heeft zicht op het verkeer dat de garage in/uitrijdt. Deze camera heeft ook zicht op een groot gedeelte van de garage zelf.

De bewoners van het appartementencomplex hebben zelf het beheer over deze camerabeelden. Toen ik erachter kwam dat mijn auto weggenomen was, heb ik de camerabeelden bekeken.

Op deze camerabeelden is te zien dat drie personen op vrijdag 4 juli 2014 omstreeks 05:02 à 05:03 uur door de ondergrondse garage lopen. Ik zag op de camerabeelden dat de drie personen uit de richting van de toegangsdeur vanuit het appartementencomplex liepen. Ik zag dat ze achter elkaar in een rechte lijn en direct in de richting van mijn geparkeerde auto liepen. Kort hierop is te zien dat de verlichting van mijn auto ontstoken wordt. Vervolgens is op de beelden te zien dat mijn auto weggereden wordt in de richting van de grote garagedeur. Ik zag dat de garagedeur open ging en dat mijn auto naar buiten gereden werd. Bij het verlaten van de garage passeert mijn auto de camera op korte afstand. Op de beelden zag ik dat er drie personen in mijn auto zaten.

Bijlage goederen:

Chassisnummer: [001].

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-1723 van 8 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 9-13).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op bewakingsbeelden (001_R_20140704050100.dav) van de ondergrondse parkeergarage aan de [a-straat] in Huizen is op 4 juli 2014, tussen 05:01 en 05:10 uur, het volgende zichtbaar. Op de camerabeelden zijn personen zichtbaar, die ik herken als [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] en [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]. Te zien is dat de verdachten bij de Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 1], blijven staan ter hoogte van het bestuurdersportier.

Enkele minuten later is te zien dat de koplampen van de [kenteken 1] gaan branden en dat deze richting de uitgang van de parkeergarage rijdt. Te zien is dat [betrokkene 2] de bestuurder is. Te zien is dat [medeverdachte 1] rechts achterin zit.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-2136 van 26 januari 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (ordner Nagekomen stukken 26Tear).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Verbalisant [verbalisant 2] heeft ons, vermoedelijk in de maand mei, bewakingsbeelden (001_R_20140704050100.dav) getoond, waarbij door ons één of meerdere personen werden herkend. Vandaag, 26 januari 2016, zijn deze beelden opnieuw aan ons getoond.

Ik, verbalisant [verbalisant 3], herkende aan de manier van lopen, zijn kleding en aan zijn uiterlijk de eerste mannelijke persoon als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]. De tweede mannelijke persoon, gekleed in wit t-shirt en donkerkleurige trainingsbroek, werd door mij, door zijn manier van lopen en uiterlijk, herkend als [betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]. De derde mannelijke persoon, met een gezet postuur en gekleed in trainingspak, werd eveneens door mij herkend door zijn manier van lopen en zijn uiterlijk als [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].

Ik, verbalisant [verbalisant 4], herkende door de manier van lopen, zijn kleding en zijn postuur, de eerste mannelijke persoon als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats]. De derde persoon, gezet postuur en gekleed in trainingspak, werd door mij herkend, aan zijn manier van lopen, zijn gezette postuur en aan zijn kleding, als [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats].

Ik, verbalisant [verbalisant 5], heb de eerste mannelijke persoon herkend door zijn manier van lopen, zijn uiterlijk en zijn kleding, als [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats].

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 26DLR14031-1661 van 1 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 1-7).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

4.3

Doorzoeking [b-straat 1] [plaats]

Op maandag 16 maart 2015 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in perceel [b-straat 1] in [plaats]. Tijdens deze doorzoeking is onder inbeslagnamecode WI426.09.01.003 een huurcontract inbeslaggenomen. Het betreft een huurcontract van [B] in Bergschenhoek. Het betreft een huurcontract van een Volkswagen Golf voorzien van het kenteken [kenteken 3]. Het huurcontract is opgemaakt voor [betrokkene 3] met het adres [c-straat 1], [postcode] te [plaats]. Voornoemd adres betreft het GBA-adres van [betrokkene 2]. [betrokkene 3] is de partner van [betrokkene 4] geboren op [geboortedatum] 1960 in [geboorteplaats]. Laatstgenoemde betreft de moeder van [betrokkene 2].

5. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met registratienummer PL1300‑2015061639-10 d.d. 1 juni 2015 (doorgenummerde pag. 25):

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 17 maart 2015 is aan de [d-straat 1] te Amsterdam een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] in beslag genomen.

6. Een geschrift, zijnde een mutatierapport met registratienummer PL1300-2015061639-1 d.d. 17 maart 2015 (doorgenummerde pag. 26-27):

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 17 maart 2015 trof rapporteur op de [d-straat 1] te Amsterdam de [kenteken 3] aan. Het bleek dat het voertuig voorzien was van valse platen. Het originele kenteken is [kenteken 1]. Een buurtbewoonster vertelde dat het voertuig er zeker al zes maanden stond.

Het voertuig betreft een Volkswagen Golf, met chassisnummer [001].”

2.2.3

Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2018, heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Feit 2:

(...)

Naar de overtuiging van de verdediging zijn die herkenningen onbetrouwbaar, althans kan daarvan de betrouwbaarheid niet worden vastgesteld, ondanks dat vier agenten menen cliënt in de persoon op de beelden te herkennen, en dat is te meer van belang nu cliënt zijn betrokkenheid bij dit feit ontkent en er geen ander (steun)bewijs is voor de betrokkenheid van cliënt bij dit feit.

Het begint met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (zaakdossier blz 9 e.v.) waarin hij de camerabeelden van de parkeergarage beschrijft en waaruit blijkt dat de persoon die hij eerder nog als NNI omschrijft na ruim vier minuten aan camerabeelden, op het moment dat de auto richting de uitgang rijdt, door hem wordt herkend als [verdachte].

Ter zake die herkenning is allereerst van belang dat [verbalisant 2] deel uitmaakt van het opsporingsteam en dat de NNI door hem wordt herkend aan de hand van een politiefoto. Dat is van belang omdat [verbalisant 2] weet dat cliënt als verdachte in deze zaak wordt aangemerkt, hetgeen ook de reden is dat hij diens politiefoto tot zijn beschikking heeft. Hij gaat derhalve met een zekere verwachting naar de onduidelijke beelden kijken en het ontbreken van een contra‑indicatie leidt bij hem tot zijn herkenning, althans u kunt minst genomen niet uitsluiten dat het zo is gegaan.

U heeft de beelden tot uw beschikking en u kunt met mij vaststellen dat de kwaliteit van de camerabeelden iets beter is dan de afdrukken van de stills in het dossier maar nog volstrekt onvoldoende om gelaatstrekken te kunnen onderscheiden van de NNI. Niet op het moment dat die NNI in de richting van de auto loopt maar ook niet op het moment dat de auto voorbij rijdt, en waarvan de politie stelt dat de NNI als bijrijder in die auto zit. Ik zie geen ogen, geen neus, geen mond en kan niet vaststellen of de betreffende man (kort) haar heeft of kaal is omdat dat gedeelte niet te zien is op de beelden, althans met onvoldoende zekerheid is vast te stellen of die persoon haar heeft of dat hij kaal is.

Omdat cliënt ontkent de betreffende NNI te zijn, en omdat hij verklaart niets met dit feit te maken te hebben, heeft de officier van justitie de teamleider gevraagd of de herkenning die door verbalisant [verbalisant 2] is beschreven zou kunnen worden toegelicht, hetgeen niet heeft geleid tot een reactie van [verbalisant 2] zelf maar tot een gezamenlijk proces-verbaal van bevindingen van drie andere agenten, te weten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5].

Daarin wordt gerelateerd dat [verbalisant 2] “vermoedelijk in de maand mei 2015” aan deze agenten de camerabeelden heeft getoond. Waarom men denkt dat het vermoedelijk in de maand mei was wordt verder niet duidelijk, waarom [verbalisant 2] die beelden getoond heeft wordt niet duidelijk, en waarom dit alles destijds niet gerelateerd is - gelet op het gestelde in artikel 152 Sv - ook niet, maar duidelijk is wel dat die camerabeelden aan de drie agenten tegelijk is getoond en dat die agenten gezamenlijk tot hun conclusie komen. Dat is uiteraard al een methode die bezwaarlijk kan leiden tot een voldoende betrouwbare uitkomst omdat minst genomen niet kan worden uitgesloten dat er sprake is geweest van enige vorm van onderlinge beïnvloeding.

Er worden door de drie verbalisanten in hun latere proces-verbaal drie onderwerpen genoemd waaraan door hen cliënt in de beelden wordt herkend, te weten zijn manier van lopen, zijn kleding en zijn postuur dan wel zijn uiterlijk.

Ten aanzien van de manier van lopen moet dan worden vastgesteld dat de persoon op de beelden een afwijkend manier van lopen heeft, dat hem onderscheid van andere personen, en dat die afwijkend manier van lopen tevens bij cliënt wordt gezien. Immers alle drie de verbalisanten noemen de manier van lopen onderscheidend, in ieder geval onderscheidend genoeg om als criterium te noemen waarom de man op de beelden cliënt is en niet een ander. Ik heb die beelden gezien en kan niets vaststellen omtrent een afwijkende manier van lopen. Ik stel overigens vast dat ook de agenten daaromtrent niets stellen. Daarop zou kunnen worden gereageerd dat ook cliënt geen afwijkende manier van lopen heeft, hetgeen juist is, maar die vaststelling leidt vervolgens niet tot een criterium om cliënt te kunnen onderscheiden van een willekeurige derde.

Over de kleding wordt door alle drie verbalisanten gesteld dat de persoon een grijs sweatshirt draagt. Op de beelden lijkt het op het moment dat de persoon naar de auto loopt om iets grijs te gaan en op het moment dat de auto langskomt lijkt de bijrijder iets blauws aan te hebben. Het is in ieder geval opmerkelijk te noemen dat alle drie tot de vaststelling komen dat het om iets grijs gaat. Datzelfde geldt minst genomen de vaststelling dat het om een sweatshirt gaat. Ik heb dat niet kunnen vaststellen aan de hand van de beelden. Het kan net zo goed een T-shirt zijn als een poloshirt als iets anders, maar alle drie komen tot de vaststelling dat het een sweatshirt is, hetgeen ook weer een indicatie is dat er sprake is geweest van onderlinge beïnvloeding.

Maar belangrijker dan de vraag om wat voor kledingstuk het gaat, is de vraag waarom dat dan op cliënt wijst. Ik heb nergens in het dossier gelezen dat vastgesteld is dat cliënt op enig moment in een grijs sweatshirt loopt, en bovendien, zou dat al anders blijken, dan moet kunnen worden vastgesteld dat het sweatshirt op de beelden het sweatshirt is dat cliënt toen en daar droeg. Ik stel vast dat er onder hem geen sweatshirt in beslag is genomen en (dus) ook niet het sweatshirt dat op de beelden te zien is. Dat betekent dat dat aspect geen onderscheidend kenmerk kan opleveren om te kunnen komen tot identificatie van cliënt.

Het is in dit kader ook opmerkelijk te noemen dat alle drie de verbalisanten stellen dat zij [verdachte] herkennen aan zijn kleding en dan alleen komen met het vermeende grijze sweatshirt maar niets over de broek en/of schoenen. Maar dat wordt wellicht veroorzaakt door het feit dat zij gedrieën tezamen het proces-verbaal hebben opgesteld; ook dat leidt tot beïnvloeding hetgeen tot uitdrukking komt in de omstandigheid dat zij alleen dezelfde bewoordingen gebruiken, niet alleen hier maar ook ten aanzien van de manier van lopen en het postuur. Voor de waarheidsvinding en dus de betrouwbaarheid hadden zij uiteraard ieder apart een proces-verbaal moeten opmaken.

Als laatste wordt cliënt herkend aan zijn postuur dan wel uiterlijk. Ik heb hiervoor al vastgesteld dat er van de betreffende persoon geen gezichtskenmerken kunnen worden vastgesteld, en dus ook geen onderscheidende gezichtskenmerken. Wat er specifiek is aan het postuur van de NN1 kan ik niet vaststellen en is door de verbalisanten ook niet gerelateerd. Waar ten aanzien van de persoon waarin men een medeverdachte meent te zien nog wordt gesteld dat er sprake is van een gezet postuur, wat door mij overigens niet kan worden vastgesteld, wordt dat ten aanzien van de NN1 niet gesteld zodat aangenomen moet worden dat dat ten aanzien van die NN1 niet het geval is. Wat dat dan is dat die persoon onderscheidt van een ander, en de persoon op de beelden maakt tot cliënt, en dat met voldoende mate van zekerheid is te ontwaren op de beelden, blijkt op geen enkele wijze.

De conclusie is dat de agenten niet aangeven op basis van welke specifieke, onderscheidende, persoonskenmerken zij tot de herkenning komen, terwijl dat volgens vaste jurisprudentie van belang is om de betrouwbaarheid hiervan vast te kunnen stellen.

Ik stel vast dat de Rechtbank zelf niet tot een herkenning is gekomen terwijl ten aanzien van feit 4 door de Rechtbank is overwogen dat de Rechtbank de herkenning door de verbalisant “volmondig (kan) onderschrijven” en tevens “van oordeel (is) dat de bestuurder (...) wel degelijk als zijnde een kale man kan worden omschreven” (vonnis blz 6). A contrario redenerend komt de Rechtbank ten aanzien van onderhavige beelden kennelijk niet tot de eigen waarneming dat cliënt daarop te zien is en/of dat op de beelden een kale man is te zien. Dat is veelzeggend.

De onbetrouwbaarheid van de herkenning vloeit uiteraard ook voort uit de omstandigheid dat men een beperkte groep verdachten op het oog heeft en men die verdachte gaat inpassen die de meeste raakvlakken (of de minste contra-indicaties) heeft met de persoon op de beelden. Daarbij relateren de agenten ook dat cliënt met de andere twee verdachten contact heeft en dat zij in deze samenstelling vermoedelijk betrokken waren bij de diefstal van meerdere personenauto's. Ten aanzien van dat laatste is er geen bewijs, nu ten aanzien van de overige aan cliënt verweten diefstallen geen sprake is van deze combinatie van personen, maar het betekent vervolgens dat de agenten die wel uitgaan van die verkeerde veronderstellingen gelet hierop al met die onjuiste verwachting dat zij mogelijk cliënt gaan zien naar de beelden gaan kijken, waarbij enige gelijkenis of de afwezigheid van contra-indicaties tot een herkenning zal leiden, hetgeen maakt dat een dergelijke methode van herkenning niet tot een betrouwbaar resultaat leidt, althans niet kan worden vastgesteld dat er tot een betrouwbaar resultaat is gekomen.

Daarbij is voorts van belang dat niet is vastgesteld dat de personen uit deze groep verdachten alleen met elkaar strafbare feiten plegen dan wel dat er nog andere personen zijn die met één of meer medeverdachten dergelijke strafbare feiten plegen maar waarvan de identiteit niet is (kunnen worden) vastgesteld. Dat betekent dat de methode waarbij gezocht wordt naar de meeste overeenkomsten van de persoon op de beelden met een persoon in deze verdachtenpoule niet tot een voldoende valide herkenning kan leiden.

U kunt de camerabeelden bekijken en u ziet cliënt hier voor u, en wellicht dat u tot de conclusie komt dat cliënt niet kan worden uitgesloten als zijnde de man op die beelden, maar meer verdergaande conclusies, bijvoorbeeld inhoudende dat er enige gelijkenis is, kunt u in de optiek van de verdediging evenwel niet trekken, laat staan dat geconcludeerd kan worden dat cliënt de persoon op de beelden is. Daarbij komt - het zij herhaald - dat er geen enkel ander (steun)bewijs is in deze zaak.

Ik verzoek u cliënt van dit feit vrij te spreken.”

2.2.4

Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:

“In de onderhavige zaak zijn beeldopnames gemaakt van de diefstal van de betreffende auto. Bij de beoordeling van de vraag naar de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal zijn de herkenningen door verbalisanten gedaan op basis van dit beeldmateriaal van cruciaal belang.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat de bepaling van de waarde en betekenis ervan in een brede context plaatsvindt. Dit is inherent aan het karakter van een herkenning. Het gaat daarbij immers om een niet - althans niet volledig - rationeel proces dat zich slechts door reconstructie achteraf laat ontleden en verantwoorden.

Het hof zoekt voor wat betreft het begrip ‘herkennen’ aansluiting bij de in een vakbijlage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gegeven omschrijving van dit begrip. In de NFI‑vakbijlage ‘Algemene onderzoeksmethoden vergelijking van gezichtsbeelden’ is het volgende opgenomen over ‘herkennen’:

“Herkenning vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. Gezichtsherkenning van bekende mensen, zoals dat in het dagelijks leven door iedereen plaatsvindt, is een relatief snel en trefzeker ‘holistisch’ proces. De beoordeling vindt snel plaats, door (onbewust) allerlei aspecten af te wegen. De uitkomst van dit proces leidt tot de categorische, stellige uitkomst dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet expliciet kan uitleggen waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. (...) Herkenning van personen vindt niet alleen op basis van gezicht plaats, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, handen, lengte, postuur, kleding en manier van lopen en andere, soms onbewuste, voorinformatie zoals de locatie waar een persoon is gezien”.

Op basis van deze begripsomschrijving kan worden geconcludeerd dat verschillende elementen een rol spelen bij een herkenning, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon of waargenomen personen. Hoe meer men van de betrokken persoon of personen een beeld heeft, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Daarbij geldt dat de op basis van uiterlijke kenmerken gebaseerde kennis waardevoller is, als deze is ontstaan en gevormd bij ontmoetingen in persoon, dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is.

Daarnaast kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere - meer objectieve - bewijsmiddelen, aan waarde wint.

Samengevat betekent dit dat de bewijswaarde en de bewijskracht van de herkenningen in het licht van hun totstandkoming en in samenhang bezien met het overige beschikbare bewijs dienen te worden beoordeeld.

Tegen deze achtergrond acht het hof, anders dan de raadsman heeft bepleit, de herkenning van de verdachte en zijn medeverdachten door de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] betrouwbaar en zal het deze herkenning bezigen tot het bewijs. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Na het bekijken van de beelden ter terechtzitting en de stills in het dossier is het hof van oordeel dat deze beelden voldoende duidelijk zijn om enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen.

Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voorafgaand aan het door hen (al dan niet voor de tweede keer) bekijken van de beelden van de diefstal, één of meer van de verdachten in deze zaak hebben gezien en gesproken.

Zo heeft verbalisant [verbalisant 2] samen met verbalisant [verbalisant 4] op 17 maart 2015 en 18 maart 2015 [betrokkene 2] verhoord. De verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] hebben op 6 mei 2015 en 3 juni 2015 [medeverdachte 1] verhoord, en op 25 november 2015 en 26 november 2015 de verdachte.

Verbalisant [verbalisant 5] had op 21 oktober 2014 een ontmoeting gehad met de verdachte en [betrokkene 2], ten tijde van het wegnemen van de Landrover, type Range Rover Evoque, met het kenteken [kenteken 4] (het hierna te bespreken feit 4).

Toen de verbalisanten dus (al dan niet opnieuw) naar de beelden keken, hadden zij derhalve al daadwerkelijk een of meer ontmoetingen gehad met een of meer van de betreffende verdachten. Verbalisant [verbalisant 3] heeft gerelateerd dat hij de verdachte heeft herkend aan zijn uiterlijk, kleding en manier van lopen. Verbalisant [verbalisant 4] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, kleding en postuur en verbalisant [verbalisant 5] herkende de verdachte aan zijn manier van lopen, uiterlijk en kleding. Voorts heeft verbalisant [verbalisant 2] [betrokkene 2] herkend naar aanleiding van observaties.

Gelet op hetgeen zojuist is opgemerkt ten aanzien van de ontmoetingen van de verbalisanten met één of meer van de verdachten, acht het hof hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de herkenning onvoldoende om aan de betrouwbaarheid van de herkenning te twijfelen. Daarbij komt dat de herkenning door de drie verbalisanten ondersteund wordt door de volgende omstandigheden.

Verbalisant [verbalisant 2] heeft geconstateerd dat op de beelden te zien is dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] een trainingsbroek respectievelijk trainingspak dragen, die respectievelijk dat sterke overeenkomsten vertoont met de trainingsbroek respectievelijk het trainingspak dat bij de doorzoekingen in hun woningen is aangetroffen.

Voorts blijkt uit het dossier dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] op 21 april 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van een BMW en dat (zoals hierna zal blijken) [betrokkene 2] en de verdachte op 14 oktober 2014 en 21 oktober 2014 betrokken zijn geweest bij de diefstal van twee Range Rovers. Bovendien volgt uit het dossier dat [betrokkene 2] en de verdachte meermalen telefonisch contact met elkaar hebben gehad, waarbij het kennelijk over een auto en (het maken door de verdachte van) kentekenplaten ging (zie eerste aanvulling zaak dossier criminele organisatie, pagina 14, gesprek 13 oktober 2014, 19:23 uur en pagina 15, gesprek 16 oktober 2014, 16:05 uur).

Het hof trekt uit het voorgaande de conclusie dat de verdachte in ieder geval [betrokkene 2] kende, dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] elkaar kenden en dat de wederzijdse relaties (mede) een crimineel karakter hadden.

Tenslotte is tijdens een doorzoeking op het adres [b-straat 1] in [plaats] (het verblijfadres van [betrokkene 2]) een huurcontract in beslag genomen met betrekking tot een Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 3]. Dit contract stond op naam van de partner van de moeder van [betrokkene 2], en vermeldt als adres: [c-straat 1], [postcode] [plaats], het BRP-adres van [betrokkene 2]. De in Huizen ontvreemde Volkswagen Golf is in Amsterdam teruggevonden, voorzien van valse kentekenplaten met daarop het kenteken van deze gehuurde Golf. Dit vormt een krachtige aanwijzing voor de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij de diefstal. Gelet op de overige gebleken relaties tussen [medeverdachte 1], de verdachte en [betrokkene 2] draagt dit tevens bij aan de kwaliteit van de herkenning van de drie personen in de garage in Huizen.

Het enkele feit dat de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] in hun nadere onderbouwing van de herkenning gelijkluidende aanduidingen hanteren voor hun aanknopingspunten voor herkenning zoals de manier van lopen, het uiterlijk en de kleding, houdt op zich niet in dat sprake is geweest van wederzijdse beïnvloeding. Dit is te minder aannemelijk, nu verbalisant [verbalisant 3] de enige verbalisant is die zowel de verdachte als [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] herkent, terwijl verbalisant [verbalisant 4] alleen de verdachte en [medeverdachte 1] herkent en verbalisant [verbalisant 5] enkel de verdachte herkent.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.”

Het oordeel van de Hoge Raad

2.3

Het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De motiveringsplicht van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal.
Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)

2.4

Het hof heeft het verweer van de raadsman dat de herkenning van de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] op de bewakingsbeelden van de ondergrondse parkeergarage waar de in de bewezenverklaring genoemde Volkswagen Golf is weggenomen, niet betrouwbaar is, gemotiveerd verworpen. Het hof heeft in dat verband, na het bekijken op de terechtzitting van de beelden en de stills in het dossier, overwogen dat de beelden voldoende duidelijk zijn om daarop enkele uiterlijke kenmerken van de betreffende drie personen in samenhang te kunnen waarnemen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 3] en [verbalisant 5] bij het (opnieuw) bekijken van de beelden al daadwerkelijk een of meer ontmoetingen hadden gehad met de verdachte en dat zij hem aan enkele nader omschreven kenmerken hebben herkend. Op grond van een en ander heeft het hof geoordeeld dat het de herkenning van de verdachte door de verbalisanten betrouwbaar acht en voor het bewijs zal gebruiken. Dat oordeel is, ook in aanmerking genomen wat daarover door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof, ook op grond van artikel 359 lid 2 Sv, niet gehouden.
Hieraan doet niet af dat de door het hof voor het overige in aanmerking genomen omstandigheden niet rechtstreeks betrekking hebben op de herkenning door de verbalisanten. Het hof heeft deze omstandigheden immers mogen betrekken bij zijn oordeel omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij het bewezenverklaarde feit.
Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

2.6

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.