Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:450

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/02560
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1232
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Context zaak. Criminele en terroristische organisatie die zich bezig hield met opruien tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, werven van Syriëgangers, financieren van terrorisme en bevorderen of vergemakkelijken van door jihadstrijders te plegen levensdelicten in Syrië. Verspreiding van tot terroristisch misdrijf opruiend materiaal (art. 132.1 jo. 132.3 Sr) en opruiing tot terroristisch misdrijf (art. 131.1 jo. 131.2 Sr). Staan vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM) en vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) in de weg staan aan strafbaarheid van bewezenverklaarde? Op gronden vermeld in ECLI:NL:HR:2020:447 kan middel niet tot cassatie leiden. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02493, 18/02548 en 18/02561.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02560

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nummer 22/005852-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft F.T.C. Dölle, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vierde middel

2.1

Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in de art. 9 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de weg staan aan de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

2.2

Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 18/02561 (ECLI:NL:HR:2020:447), rov. 4.4 en 4.5 kan het middel niet tot cassatie leiden.

3 Beoordeling van het vijfde middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van elf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze tien maanden en twee weken, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.