Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:45

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
28-01-2020
Zaaknummer
18/05576
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1049
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit mensenhandel, meermalen gepleegd. 1. Verweer dat w.v.v. dat de betrokkene t.a.v. slachtoffer A heeft verworven op nihil dient te worden gesteld o.g.v. boedelvermenging door huwelijk van slachtoffer A met betrokkene in gemeenschap van goederen, zodat helft van het te ontnemen voordeel aan haar toebehoort en dus niet voor ontneming vatbaar is. 2. Afwijzing getuigenverzoek. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05576 P

Datum 28 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 december 2018, nummer 21/002821-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de betrokkene.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.