Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:449

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/02548
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1255
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:1249
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Context zaak. Criminele en terroristische organisatie die zich bezig hield met opruien tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, werven van Syriëgangers, financieren van terrorisme en bevorderen of vergemakkelijken van door jihadstrijders te plegen levensdelicten in Syrië. Deelnemen aan terroristisch trainingskamp, art. 134a Sr. Heeft verdachte in trainingskamp kennis en/of vaardigheden verworven tot plegen van terroristisch misdrijf? Art. 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met terroristische training. O.b.v. wetsgeschiedenis moet training voor terrorisme in ruime zin worden verstaan als opdoen of overbrengen van kennis of zich of ander bekwamen in vaardigheden of technieken. Dat komt o.m. tot uitdrukking in art. 134a Sr v.zv. daarin strafbaar is gesteld zich verwerven of ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot plegen van terroristisch misdrijf dan wel misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristisch misdrijf (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1011). Hof heeft blijkens bewijsvoering vastgesteld dat verdachte naar Syrië is afgereisd en dat hij aldaar heeft deelgenomen aan trainingskamp van rebellengroep, waarin men zowel militaire, fysieke als religieuze trainingen kreeg. Verder heeft het vastgesteld dat die training voorbereidde op actief participeren op slagveld, dat tijdens trainingen werd geleerd om tijdens gevechten geen gevangenen te nemen maar die gelijk te doden en dat militair kamp erg pittig was, waarbij men moest hardlopen, onder grond kruipen en slingeren van ene paal naar andere. Daarnaast blijkt uit ‘s Hofs vaststellingen dat iedere nieuwe deelnemer aan gewapende strijd gedurende 6 weken daaraan voorafgaand op die deelname gerichte training kreeg, terwijl Hof ook heeft bewezenverklaard dat verdachte daadwerkelijk heeft deelgenomen aan gewapende strijd ter plaatse. ’s Hofs o.m. op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat verdachte kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot plegen van terroristisch misdrijf en/of misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijf, is niet onjuist en voldoende met redenen omkleed. Opvatting dat uit bewijsvoering moet blijken welke concrete kennis en/of vaardigheden daadwerkelijk zijn verworven tijdens training, vindt ook in het licht van wetsgeschiedenis geen steun in het recht. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02493, 18/02560 en 18/02561.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02548

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nummer 22/005846-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1

Het middel klaagt ten aanzien van feit 1C dat het oordeel van het Hof dat de verdachte kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1C bewezenverklaard dat:

“1C (derde cumulatief/alternatief) trainen voor terrorisme

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 augustus 2013,

in Nederland en/of in Syrië

opzettelijk zich en/of een ander gelegenheid en/of inlichtingen heeft verschaft en kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten:

- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en

- doodslag (te) plegen met een terroristisch oogmerk; en

- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk; en

- voorbereiding en/of bevordering van de misdrijven genoemd in artikel 176a Sr jo 157 Sr en 288a Sr en 289 Sr te begaan met een terroristisch oogmerk;

immers heeft verdachte

A. zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied in Syrië en is afgereisd naar Syrië;

B. deelgenomen aan een trainingskamp ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd in Syrië; en

C. een ander in het strijdgebied in Syrië begeleid en opgevangen.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Zilt, p. 250-251):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Nadat hij in oktober 2013 uit Syrië was teruggekeerd is [betrokkene 8] op 10 april 2014 gehoord als getuige in het kader van een rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto’s van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 108 als een persoon genaamd [verdachte] . Deze persoon was altijd samen met een Nederlander die hij kende als [betrokkene 10] . Hij had hem in het paleis in Kafr Hamra, Syrië, gezien en af en toe in het trainingskamp.

[betrokkene 10] werd door [betrokkene 8] aangewezen op foto nummer 10. Deze [betrokkene 10] kende hij van vroeger uit België waar deze naar lezingen kwam. [betrokkene 8] had hem in het paleis, in de villa en op straat in Kafr Hamra gezien. Foto nummer 10 betreft [betrokkene 10] .

12. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 september 2015 verklaard – zakelijk weergegeven –:

Het klopt dat ik degene ben op de foto op pagina 255 (hof: fotoblad 108) van het dossier.

13. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Vanille, p. 112-113):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Uit de verhoren van [betrokkene 8] blijkt dat hij op 22 februari 2013 in Syrië is aangekomen. Een dag later, op 23 februari 2013, is hij naar een trainingskamp gebracht in Sheikh Suleyman in Syrië. Hij zat daar in het trainingskamp van de organisatie Maghlis Shura Mujahideen. Deze rebellengroep staat in Aleppo onder leiding van een persoon met de bijnaam [betrokkene 11] . In dit trainingskamp heeft hij een tiental Nederlanders ontmoet.

Het trainingskamp werd volgens hem ook gebruikt door de organisaties van de Jabhat al Nusra en de rebellengroep onder leiding van [betrokkene 12] .

Tussentijds is hij van 28 februari tot 1 maart 2013 nog terug geweest in de villa in Kafr Hamra in Syrië. Uiteindelijk heeft men hem, omdat hij kennelijk niet vertrouwd werd door de organisatie waar hij zich bij had aangesloten, weer gevangen gezet in een cel in het trainingskamp.

Op 16 april 2013 is hij tijdelijk vrijgelaten en heeft hij enkele dagen actief deelgenomen aan het trainingskamp in Sheik Suleyman in Syrië. Dit trainingskamp lag volgens hem op een afstand van ongeveer 30 minuten rijden van de villa in Kafr Hamra. In het trainingskamp Sheikh Suleyman kreeg men volgens de verklaring van [betrokkene 8] zowel militaire, fysieke als religieuze trainingen. Tijdens de trainingen werd geleerd om tijdens de gevechten geen gevangenen te nemen maar die gelijk te doden. Dit trainingskamp was volgens hem verplicht voor iedereen die nieuw binnenkwam in de organisatie Maghlis Shura Mujahideen en duurde 20 dagen tot een maand.

14. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Vanille, p. 121-122):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige in het kader van dit rechtshulpverzoek. Daarbij zijn hem 121 foto’s van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 93 als een persoon die [betrokkene 4] werd genoemd. [betrokkene 8] verklaarde in algemene zin dat alle personen die hij van de foto’s herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp. Foto nummer 93 betreft [betrokkene 4] .

15. Een geschrift, inhoudende een kennisdocument van dr. J. Jolen ‘Van opstand naar Jihad’ d.d. 1 augustus 2014. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Algemeen dossier deel 2 blz. 224-226 en 245):

In juli 2012 komt een jihadistische groep met de naam Mujahedin Shura Council, ook wel de Shura Council of the Islamic State genoemd in het nieuws die actief is in de Syrische provincie Idlib. Lund omschrijft de groep in zijn studie naar salafistische opstandelingen in Syrië van maart 2013 als ‘a small extremist jihadi-salafi network’ voornamelijk actief in de regio Aleppo.

De groep bestaat grotendeels uit buitenlandse strijders en expat Syriërs, die met Jabhat al-Nusra samenwerken. Majlis Shura al-Mujahideen, ofwel de Shura Council of the Islamic State, zou de eerste tak van Abu Bakr al-Baghdadi’s ISI in Syrië zijn geweest. [betrokkene 13] heeft de leiding over Majlis overgenomen. Met de komst van al Baghdadi naar Syrië, zou [betrokkene 13] de eed van trouw aan hem hebben afgelegd. Inmiddels zou hij door ISIL zijn aangesteld als de wali [gouverneur] van Aleppo.

Over de training in Syrië stelt [betrokkene 14] in een Volkskrant interview:

“De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken. Hierna kun je actief participeren op het slagveld, de rest van de training bestaat uit het opdoen van ervaring, en instructies en lessen die je regelmatig krijgt. Maar na minimaal zes weken training krijg je pas het recht om op zoek te gaan naar het martelaarschap.”

[betrokkene 14] raakte in november 2013 zwaargewond en overleed 2 weken later.

16. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2014 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Zilt, p. 124):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

[betrokkene 14] is geïdentificeerd als [betrokkene 14] , geboren [geboortedatum] 1987, afkomstig uit [plaats] . Hij is in november 2013 tijdens de strijd in Syrië omgekomen.

17. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 1 juli 2013 om 14:49:45 uur. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Zilt, p. 56):

[betrokkene 1] wgd [verdachte]

[betrokkene 1] zegt: Ik weet niet of jij [betrokkene 14] enzo nog spreekt?

zegt: Ja ik spreek hem nog. Ik ga met hem praten en ga dat proberen te regelen.

18. Het proces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Den Haag van 6 juli 2017. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als de op 6 juli 2017 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :

Ik ben van februari tot april 2013 in Syrië geweest. Ik ben op 27 april 2013 teruggekomen. Ik heb in een trainingskamp in Shaik Suleyman gezeten. Ik heb [betrokkene 8] in dat trainingskamp in Syrië gezien. Hij deed daar alle trainingen. Ik heb [betrokkene 10] op dezelfde plek in Syrië gezien. Hij heeft deelgenomen aan de gewapende strijd.

19. Een geschrift, inhoudende een schriftelijke verklaring van verdachte overgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2017. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

Ik had in Syrië contact met [betrokkene 10] .

20. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 29 juni 2013 om 23:21:39 uur (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal, [betrokkene 9] gebruiker van [telefoonnummer] , van 3 februari 2014, van Regiopolitie Haaglanden). Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Anijs, p. 49):

[betrokkene 1] wgd [betrokkene 9]

zegt dat [betrokkene 10] en [verdachte] een appartement hebben. [betrokkene 15] en zijn vrouw zijn er ook. [betrokkene 9] vertelt dat hij met [betrokkene 15] in dezelfde kamer zat.

21. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2015 van de politie, Eenheid Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Caramel, p. 2030):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Uit historische verkeersgegevens bleek tevens dat [betrokkene 9] op 24 maart 2013 vanuit België naar Turkije en uiteindelijk Syrië vertrok. Op 26 maart 2013 gaf hij via een sms bericht aan bij de broeder in de auto te zijn.

22. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2014 van de politie, Landelijke Eenheid, Dienst Landelijke Informatie Organisatie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Anijs, p. 276-277):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 10 april 2014 is [betrokkene 8] gehoord als getuige.

Daarbij zijn hem 121 foto’s van vermeende Syriëgangers getoond. In deze fotomap herkende hij fotonummer 11 als een lange man van wie hij de naam niet kende. Hij was eind maart 2013 in het trainingskamp aangekomen. [betrokkene 8] verklaarde in algemene zin dat alle personen die hij van de foto’s herkende alle soorten militaire trainingen hadden gevolgd in het kamp. Foto nummer 11 betreft een foto van [betrokkene 9] .

23. Een geschrift, zijnde een tapgesprek, d.d. 28 juni 2013 om 20:16:04 uur. Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (ZD Anijs, p. 215):

[betrokkene 1] (sh) bn [betrokkene 9] .

[betrokkene 9] zegt dat hij nooit meer Maaskar (militaire kamp) zou gaan doen omdat dat erg pittig was. Hij moest een uur hardlopen, onder de grond kruipen en slingeren van de ene paal naar de andere.”

2.2.3

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

“Deelnemen aan een trainingskamp (feit 1B, sub b en feit 1C, sub b)

[betrokkene 8] (hierna: [betrokkene 8] ) heeft tijdens een politieverhoor op één van vele aan hem voorgehouden foto’s de verdachte herkend. Hij kende hem als [verdachte] – in Syrië de kunya (islamitische bijnaam) van de verdachte – en had hem in het trainingskamp gezien. [betrokkene 8] heeft zelf vanaf 23 februari 2013 in Sheikh Suleyman (Syrië) in een trainingskamp gezeten dat op 30 minuten rijden van Kafr Hamra ligt. Dit trainingskamp was van Maghlis Shura Mujahideen. Deze rebellengroep stond onder leiding van een persoon met de bijnaam [betrokkene 11] . De training duurde 20 dagen tot een maand.

De verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat [betrokkene 8] erom bekend staat dat hij leugens vertelt. In hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [betrokkene 8] heeft gelogen. De verdediging heeft aangevoerd dat zijn verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Het hof acht de verklaring van [betrokkene 8] op de navolgende – in samenhang te lezen – gronden betrouwbaar en daarmee ook bruikbaar om voor het bewijs van het de verdachte ten laste gelegde te gebruiken.

a) De verdachte is eind januari 2013 in Syrië aangekomen. [betrokkene 8] arriveerde op 22 februari 2013. De verdachte is Syrië ingereisd via Bab al Hawa en hij verbleef in (de buurt van) die plaats in de provincie Aleppo, waarin ook Kafr Hamra ligt. De verdachte heeft verklaard meermaals in Kafr Hamra te zijn geweest. [betrokkene 8] stelt de verdachte ook daar gezien te hebben en deze plaats ligt niet ver van het trainingskamp. De verdachte kan dus daar (trainingskamp en Kafr Hamra) geweest zijn waar [betrokkene 8] zegt hem gezien te hebben.

b) [betrokkene 8] heeft in hetzelfde politieverhoor verklaard dat hij [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) in het trainingskamp [heeft] gezien. [betrokkene 4] op zijn beurt heeft bij de raadsheer-commissaris bevestigd dat hij [betrokkene 8] in het trainingskamp van Sheikh Suleyman heeft zien trainen. Het hof is dan ook van oordeel dat [betrokkene 8] betrouwbaar heeft verklaard over [betrokkene 4] en de verklaring van [betrokkene 4] plaatst [betrokkene 8] in het trainingskamp van Sheikh Suleyman.

c) [betrokkene 8] heeft verder verklaard dat dit trainingskamp verplicht voor iedereen die nieuw binnenkwam in de organisatie Maghlis Shura Mujahideen. De groep stond onder leiding van [betrokkene 11] .

Het hof stelt vast, dat deze algemene informatie (deels) steun vindt in de rapportage van dr. J. Jolen. Zij schrijft immers dat deze groep uit buitenlandse strijders bestond en actief was in de regio Aleppo. [betrokkene 13] was de leider. Dit komt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van [betrokkene 8] ten goede.

d) Dr. J. Jolen haalt in haar rapport een interview aan met [betrokkene 14] ( [betrokkene 14] ) uit [plaats] die zegt: “De trainingen die een nieuw gearriveerde broeder in het begin krijgt duren zes weken.”

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte zich in een strijdgebied in de directe omgeving van [betrokkene 14] bevond, die in november 2013 tijdens de strijd in Syrië is omgekomen.

Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader contact had met [betrokkene 14] , die heeft verklaard dat iedere nieuwe broeder gedurende zes weken trainingen krijgt, kan worden afgeleid dat de verdachte dergelijke trainingen ook heeft gevolgd.

e) [betrokkene 4] heeft bij de raadsheer-commissaris verder verklaard dat hij [betrokkene 10] in het trainingskamp heeft gezien en dat [betrokkene 10] heeft deelgenomen aan de gewapende strijd in Syrië.

Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader veelvuldig contact had met [betrokkene 10] , kan worden afgeleid dat de verdachte net als [betrokkene 10] heeft deelgenomen aan het trainingskamp.

f) Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [betrokkene 9] op 26 maart 2013 in Syrië is aangekomen. [betrokkene 8] heeft hem op een foto herkend als een man die eind maart 2013 in het trainingskamp was aangekomen en dat hij allerlei soorten militaire trainingen had gevolgd. In een afgetapt telefoongesprek van 28 juni 2013 beklaagt [betrokkene 9] zich erover dat het militaire kamp erg pittig was.

Nu in dit arrest bewezen wordt verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan de gewapende strijd en hij in dat kader veelvuldig contact had met [betrokkene 9] , kan worden afgeleid dat de verdachte net als [betrokkene 9] heeft deelgenomen aan het trainingskamp.

(...)

Conclusie ter zake van feit 1C

Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Kwalificatie onder die bepaling is niet mogelijk indien een voldoende verband van die gedragingen met enige vorm van training – waaronder te verstaan: “het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken” – voor terrorisme ontbreekt.

Naar het oordeel van het hof kan de onder B bewezenverklaarde handeling worden gekwalificeerd als het deelnemen aan een training in de zin van artikel 134a Sr. De verdachte heeft na zijn aankomst in Syrië deelgenomen aan een militair trainingskamp van de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen die bestond uit buitenlandse strijders.

(...)

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Voor zijn gedragingen die niet zien op trainingen en wel met betrekking tot artikel 134a Sr zijn bewezenverklaard, zal de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”

2.3

Het Hof heeft onder aanhaling van art. 134a Sr het onder 1C bewezenverklaarde gekwalificeerd als “zich kennis en/of vaardigheden bijbrengen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf”.

2.4

Art. 134a Sr luidt als volgt:

“Hij die zich of een ander opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft of tracht te verschaffen tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, dan wel zich kennis of vaardigheden daartoe verwerft of een ander bijbrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

2.5

Art. 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Op basis van de wetsgeschiedenis moet training voor terrorisme in ruime zin worden verstaan als het opdoen of overbrengen van kennis of zich of een ander bekwamen in vaardigheden of technieken. Dat komt onder meer tot uitdrukking in art. 134a Sr voor zover daarin strafbaar is gesteld het zich verwerven of een ander bijbrengen van kennis of vaardigheden tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. (Vgl. HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011.)

2.6

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte naar Syrië is afgereisd en dat hij aldaar heeft deelgenomen aan een trainingskamp van de rebellengroep Maghlis Shura Mujahideen, waarin men zowel militaire, fysieke als religieuze trainingen kreeg. Verder heeft het vastgesteld dat die training voorbereidde op het actief participeren op het slagveld, dat tijdens de trainingen werd geleerd om tijdens gevechten geen gevangenen te nemen maar die gelijk te doden en dat het militaire kamp erg pittig was, waarbij men moest hardlopen, onder de grond kruipen en slingeren van de ene paal naar de andere. Daarnaast blijkt uit de vaststellingen van het Hof dat iedere nieuwe deelnemer aan de gewapende strijd gedurende zes weken daaraan voorafgaand een op die deelname gerichte training kreeg, terwijl het Hof ook heeft bewezenverklaard dat de verdachte, kort gezegd, daadwerkelijk heeft deelgenomen aan de gewapende strijd ter plaatse. Het onder meer op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte kennis en/of vaardigheden heeft verworven tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, is niet onjuist en voldoende met redenen omkleed. Voor zover in het middel wordt betoogd dat uit de bewijsvoering moet blijken welke concrete kennis en/of vaardigheden daadwerkelijk zijn verworven tijdens de training, stelt het een eis die – ook in het licht van de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1011 – geen steun vindt in het recht.

2.7

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het vijfde middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vier maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.