Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:447

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/02561
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1235
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:1248
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Context zaak. Criminele en terroristische organisatie die zich bezig hield met opruien tot deelname aan gewapende strijd in Syrië, werven van Syriëgangers, financieren van terrorisme en bevorderen of vergemakkelijken van door jihadstrijders te plegen levensdelicten in Syrië. (Medeplegen) opruiing tot terroristisch misdrijf (art. 131.1 jo. 131.2 Sr) en (medeplegen) verspreiding van tot terroristisch misdrijf opruiend materiaal (art. 132.1 jo. 132.3 Sr). 1. Heeft verdachte via verschillende media (YouTube en sociale media) uitingen gedaan/verspreid die ‘opruien tot enig strafbaar feit’? 2. Heeft Hof grondslag tll. verlaten door niet alle in tll. aangeduide berichten bewezen te verklaren maar desondanks verdachte te veroordelen voor (mede)plegen van opruiing door plaatsen van berichten op Facebookpagina? 3. Staan vrijheid van godsdienst (art. 9 EVRM) en vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) in de weg staan aan strafbaarheid van bewezenverklaarde?

Ad 1. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte via sociale media en website heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en opruiende berichten heeft verspreid. ’s Hofs oordeel komt erop neer dat aan deze uitingen gemeenschappelijk is dat daarin wordt opgeroepen tot daadwerkelijk afreizen naar Syrië teneinde deel te nemen aan gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans dat zij oproepen tot plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Hof heeft hieromtrent overwogen dat daadwerkelijk deelnemen aan gewapende strijd in Syrië en/of Irak aan zijde van aan deze jihadstrijd deelnemende strijdgroepen, altijd plegen van terroristische misdrijven inhoudt. Gelet op deze vaststellingen geeft bewezenverklaring v.zv. inhoudende dat sprake was van opruien tot ‘enig strafbaar feit zijnde terroristisch misdrijf’, ook in het licht van wat daarover door verdediging is aangevoerd, niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat Hof bij beoordeling van in tll. bedoelde uitingen inhoud en strekking daarvan in hun samenhang heeft bezien en daarbij mede heeft gelet op context waarin deze uitingen aan publiek zijn geopenbaard, terwijl uit b.m. telkens blijkt aan welke concrete uitingen Hof zijn oordeel heeft ontleend dat uitingen van verdachte als opruiend kunnen worden aangemerkt. Mede gelet hierop geeft ook ‘s Hofs oordeel dat het niet t.a.v. iedere uitlating afzonderlijk heeft te beoordelen of inhoud daarvan opruiend is maar dat het daarbij telkens (mede) gaat om (ook aan samenhang tussen en context van deze uitingen te ontlenen) strekking van deze uitingen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat sprake is van opruiing indien rechtstreeks wordt aangespoord tot enig strafbaar feit. Met zijn overweging dat beïnvloeding ook op indirecte wijze opruiend kan zijn, heeft Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat niet is uitgesloten dat ook indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing. Dat oordeel geeft evenmin blijk van onjuiste rechtsopvatting.

Ad 2. Hof heeft t.z.v. Facebookpagina overwogen dat tlgd. uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang worden bezien, waarbij ook op zichzelf mogelijk niet-opruiende berichten rol kunnen spelen omdat zij beogen aandacht van (potentiële) lezers te trekken en hen tot ‘volgen’ van pagina te verleiden. Vervolgens is Hof t.a.v. deze Facebookpagina gekomen tot bewezenverklaring waarin niet in tll. genoemde (categorieën van) berichten afzonderlijk zijn benoemd en bewezenverklaard. Hof heeft hiermee grondslag van tll. niet verlaten. Uit bewijsvoering blijkt immers op welke door Hof in b.m. weergegeven berichten zijn (mede op samenhang en context van die berichten steunende) oordeel dat Facebookpagina opruiende inhoud heeft, is gebaseerd. Wat betreft Facebookpagina heeft Hof vastgesteld dat verdachte vanaf “eerder dan november 2013” (gedurende gehele periode waarin in b.m. weergegeven berichten op Facebookpagina zijn geplaatst) een van de redacteuren was van deze pagina, dat hij als redacteur stukken plaatste op deze pagina, dat hij bekend was met strekking van pagina en dat hij weet had van type berichten dat erop stond. Voorts blijkt uit bewijsvoering dat via deze pagina in periode van 2-12-2013 tot 28-4-2014 berichten zijn geplaatst die door Hof - niet onbegrijpelijk - als opruiend zijn aangemerkt, waarbij het mede in aanmerking heeft genomen steeds op deze pagina terugkerende thema’s, waaronder ronselen voor gewelddadige jihad in Syrië, nieuws over inzet daarbij van Nederlandse strijders en verheerlijking van martelaarsdood en van terroristische aanslagen. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte “tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen (...) (een) Facebookbericht(en) [heeft] geplaatst op (...) Facebookpagina” - waarmee Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat v.zv. verdachte niet zelf zo’n bericht heeft geplaatst, hij als redacteur van Facebookpagina bijdrage van voldoende gewicht aan plaatsing ervan heeft geleverd en hij dus als medepleger kan worden aangemerkt - is niet onbegrijpelijk en ook in het licht van hetgeen namens verdachte over diens betrokkenheid bij deze pagina is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

Ad 3. Hof heeft geoordeeld dat beroep van verdediging op art. 9 en 10 EVRM afstuit op art. 17 EVRM. Daaraan heeft Hof ten grondslag gelegd dat verdachte in EVRM gewaarborgde grondrechten heeft ingezet voor doeleinden (aanzetten tot deelname aan gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin plegen van terroristische misdrijven besloten ligt) die overduidelijk in strijd zijn met geest van EVRM. In dat oordeel ligt besloten dat Hof van oordeel is dat sprake is van ‘uitzonderlijk en extreem’ geval waarin uitlatingen of andere informatieverstrekkingen gericht tegen aan EVRM ten grondslag liggende waarden bescherming van art. 9 en 10 EVRM ontberen o.g.v. art. 17 EVRM (vgl. ECLI:NL:HR:2017:220). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen bewijsvoering in zijn geheel inhoudt over bewezenverklaarde feiten. Stelling dat per uiting van verdachte moet worden beoordeeld of art. 17 EVRM kan worden ingeroepen, vindt geen steun in rechtspraak EHRM.

Volgt verwerping. Samenhang met 18/02493, 18/02548 en 18/02560.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02561

Datum 24 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2018, nummer 22/005853-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 4 en 5 als volgt samengevat waar het in deze zaak om gaat:

“4. Deze zaak en de ermee samenhangende zaken zijn het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek “Context”. Centraal in deze zaken staat een samenwerkingsverband tussen personen die zich vanaf 2012 schaarden achter de door aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen, zoals ISIL en Jabhat al-Nusra, in Syrië te voeren gewapende jihadstrijd voor de stichting van een ‘kalifaat’. Naar het hof heeft vastgesteld zijn de activiteiten van deze groep, die reeds onder namen “ [A] ” en “ [B] ” werden ontplooid, vanaf 2012 ondergebracht in de “ [C] ”. Het hof heeft vastgesteld dat deze organisatie het oogmerk had op diverse misdrijven, te weten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, het verspreiden van geschriften die daartoe opruien, het werven voor de gewapende jihadstrijd en het financieren van die strijd. Voorts heeft het hof vastgesteld dat het oogmerk van deze organisatie was gericht op terroristische misdrijven, namelijk de voorbereiding en/of de bevordering van in Syrië te plegen moord, doodslag en het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met terroristisch oogmerk. Sommige van de binnen de groep actieve personen zouden ook zelf zijn afgereisd naar Syrië om deel te nemen aan een terroristisch trainingskamp en/of de gewapende strijd aldaar.

5. De verdachte in de onderhavige zaak behoorde naar het hof heeft vastgesteld tot de ‘inner circle’ van de bovengenoemde organisatie. De verdachte bekleedde een belangrijke positie. Hij was de secretaris van de Stichting en op zijn naam is het pand van de organisatie gehuurd. Hij meldde openbare demonstraties aan, nam bij die demonstraties het woord of de microfoon, en trad voor de organisatie op als woordvoerder. Hij heeft zich actief betoond in het werven van (potentiële) Syriëgangers en onderhield contact met strijders in Syrië. De verdachte had een aanzienlijke rol – onder meer op social media – bij het uitdragen van denkbeelden van de organisatie, waarbij hij zich volgens het hof heeft schuldig gemaakt aan verscheidene uitingsdelicten: opruien, verspreiden van opruiende geschriften, aanzetten tot haat en, tot slot, smaadschrift. Het hof heeft de verdachte voor zijn rol in de groep mede veroordeeld voor deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft op het plegen van (terroristische) misdrijven.”

3 Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1

De middelen bevatten verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen de bewezenverklaring van de onder 1A, 1B, 2A en 2B in de zaak met parketnummer 09/767174-13 (hierna: dagvaarding I) bewezenverklaarde feiten, welke feiten betrekking hebben op het (mede)plegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf en het (mede)plegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal. Voorts klaagt het eerste middel dat het Hof ten aanzien van het onder 2A en 2B (dagvaarding I) onder D bewezenverklaarde feit, dat betrekking heeft op het plaatsen van berichten op de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2.1

Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1A en 1B en onder 2A en 2B (dagvaarding I) bewezenverklaard dat:

1A (eerste cumulatief/alternatief): opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

in Nederland,

in het openbaar, bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

het plaatsen van tweets (berichten) door [naam 6] , te weten:

- in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd; en

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “ [naam 6] ” en/of “ [verdachte] ”, te weten:

 berichten waarin martelaren en de martelaarsdood worden verheerlijkt; en

 een bericht dat een aansporing inhoudt om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië.

EN

1B (tweede cumulatief/alternatief): verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

in Nederland,

geschriften en/of afbeeldingen, waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid,

terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid,

terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft verdachte berichten geplaatst op twitter, te weten:

tweets (berichten) door [naam 6] :

- in de periode van 15 september 2013 tot en met 23 september 2013 met daarin verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd en/of het martelaarschap in die gewapende Jihadstrijd; en

in de periode van 1 december 2013 tot en met 3 februari 2014 Facebookberichten van of gedeeld door “ [naam 6] ” en/of “ [verdachte] ”, te weten:

 berichten waarin martelaren en de martelaarsdood worden verheerlijkt; en

 een bericht dat een aansporing inhoudt om deel te nemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië.

2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

door:

A. het beheren van de website [internetsite 1] en op deze website publicaties te plaatsen en/of te laten plaatsen, te weten:

- de videofragmenten “Het graf – [betrokkene 23]” en “Jihaad voor Allah – [betrokkene 23]” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – [betrokkene 23]” en

- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en

- berichten op de website van [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”;

D. het plaatsen van (een) Facebookbericht(en) op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of op de Facebookpagina “ [naam 5] ”

- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en [naam 3] levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS)

EN

2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

geschriften en/of afbeeldingen waarin tot enig strafbaar feit wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid,

terwijl hij wist dat in het geschrift en/of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

A. de website van [internetsite 1] beheerd en publicaties geplaatst en/of laten plaatsen, te weten:

- de videofragmenten “Het graf – [betrokkene 23]” en “Jihaad voor Allah – [betrokkene 23]” en “Drie grote tekenen voor de Dag des Oordeels – [betrokkene 23]” en

- opiniebijdragen van [verdachte] op de website van [internetsite 1] , te weten: “Hoewel ISIS wordt aangevallen roepen zij op tot verbroedering” en “Iedereen is schuldig, behalve wij” en “AIVD, het traject van leugens en bedrog” en “Het is tijd om het toe te geven; Al Qaida wint de oorlog” en artikelen en/of beeldmateriaal, ter goedkeuring van de gewapende Jihadstrijd en/of terroristische organisaties zoals ISIS en/of Al Qaida in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014; en

- berichten op de website [internetsite 1] in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014, te weten: “VS voorzien de zionistische staat van nieuwe munitie” en “OM gaat islamvlaggen verbieden tijdens demonstraties” en “IS boekt grote overwinning op Koerdische strijders” en “VS geven gewoon extra geld voor Israëlisch raketafweersysteem” en “IS verovert grootse Christelijke stad in Irak en bereikt Koerdistan” en “Schilderswijk laat neo-nazimars niet doorlopen” en “IS-aanhangers duiken onder, aldus een koerier op een scooter”,

D. (een) Facebookbericht(en) geplaatst op de Facebookpagina van “ [verdachte] ” en/of de Facebookpagina “ [naam 5] ”

- 18 mei 2014 een bericht op de Facebookpagina van [verdachte] : “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en [naam 3] levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim [internetsite 3] ” zijnde een film van IS(IS), met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS).”

3.2.2

Voor zover voor de beoordeling van het eerste middel van belang, is aan de verdachte onder 2A en 2B (dagvaarding I), telkens onder D, tenlastegelegd dat:

2A (eerste cumulatief/alternatief): medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

in het openbaar, mondeling en/of bij geschrift en/of afbeelding, heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag, terwijl datgeen waartoe wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan, door:

(...)

D. het plaatsen van berichten en/of filmpjes op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook) te weten:

Facebookberichten op van of gedeeld door “ [naam 6] ” en/of “ [verdachte] ” en/of “ [naam 5] ” en/of “ [betrokkene 22] ”, althans verdachte en/of zijn mededader(s), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra (Caramel p. 1244-1343 – gehele profiel [naam 3] ), te weten:

 berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

 berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

 berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

 berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

 berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

 berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262); en/of

 berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s) / groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352; en/of

- 18 mei 2014 een bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en [naam 3] levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) (Caramel p. 586-595 en 647); en/of

- op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt (Caramel p. 1350); en/of

- op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd (Caramel p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 131 en 47 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

2B (tweede cumulatief/alternatief): medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 augustus 2014,

te Den Haag en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

een geschrift(en) en/of afbeelding(en) en/of (audio)bestand(en) waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, terwijl datgeen waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,

te weten het oproepen, tot het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans het oproepen tot het plegen van (een) terroristisch(e) misdrij(f)(ven) dan wel (een) misdrij(f)(ven) ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan,

heeft verspreid, openlijk tentoongesteld en/of aangeslagen,

terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat in het geschrift en/of afbeelding en/of (audio)bestand zodanige opruiing voorkomt,

en/of met gelijke wetenschap of gelijke reden tot vermoeden de inhoud van deze geschriften en/of afbeeldingen en/of (audio)bestanden openlijk ten gehore heeft gebracht,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

(...)

D. berichten en/of filmpjes geplaatst op diverse (andere) social media (zoals twitter en/of Facebook), te weten:

- in de periode van 2 december 2013 tot en met 30 april 2014 met daarin propaganda en/of verheerlijking van het martelaarschap in het kader van de gewapende Jihadstrijd en/of het afreizen naar Syrië en/of Irak en/of de terroristische organisaties IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra (Caramel p. 1244-1343 – gehele profiel [naam 3] ), te weten:

 berichten waarin direct wordt opgeroepen af te reizen naar Syrië en/of deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd (berichten 16, 17, 24 en 128); en/of

 berichten waarin martelaren en/of de martelaarsdood wordt/worden verheerlijkt en waarin gesuggereerd wordt dat het deelnemen aan de jihadstrijd een nastrevenswaardig doel is en dat het sterven in die strijd het hoogst haalbare is, en dus navolging verdient (Berichten 55, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 114, 115, 116, 117, 118, 135, 149, 173, 174, 176, 179, 304 en 310); en/of

 berichten over (Nederlandse) strijders waarin de jihadstrijd een hoge morele waardering krijgt net als de deelnemers aan die strijd en de suggestie wekken dat deze deelnemers navolging verdienen. (Berichten 9, 18, 19, 27, 28, 51, 54, 56, 57, 58, 59, 86, 87 (2x), 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 100, 101, 104, 105, 106, 110, 177, 211, 212, 221, 222, 281 en 329); en/of

 berichten over of met afbeeldingen van kinderen met wapens, waarin geappelleerd wordt aan de mannelijkheid van jongeren die reeds deelnemen aan de gewapende jihadstrijd en waarin de suggestie wordt gewekt dat deze jongeren navolging verdienen. (Berichten 21, 22, 32, 33, 46, 47, 48, 50 en 308); en/of

 berichten met afbeeldingen van hartverscheurende taferelen die suggereren dat de kijker iets aan deze situatie moet gaan doen (Berichten 14, 15, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 316 en 322); en/of

 berichten met afbeeldingen van een zwarte vlag met daarop in witte letters/tekenen de Arabische tekst van de islamitische geloofsbelijdenis inhoudende dat er geen god is dan Allah en in de witte cirkel/het zegel in zwarte letters/tekenen de Arabische tekst dat Mohammed zijn profeet is (de zogenoemde IS-vlag/zegelvlag, in combinatie met wapens of strijdtaferelen die de gewapende strijd verheerlijken en door de directe link met de actuele strijd in Syrië en/of Irak tevens een aansporing inhouden om deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak (Afbeelding 3 en 7, Berichten 52, 65, 123, 178, 204 (2x), 205 en 262); en/of

 berichten die de gewapende jihadstrijd (al dan niet in Syrië en/of Irak) verheerlijken en/of propaganda bevatten voor IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of (een) andere terroristische organisatie(s) / groepering(en) (Afbeeldingen 1, 2, 4 en 5; Berichten 6, 23, 26, 29, 30, 31, 34, 35, 36, 49, 98, 99, 102, 103, 111, 112, 119, 120, 124, 125, 126, 127, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 171, 172, 175, 180, 181, 182, 183, 184, 185, 186, 187, 188, 189, 190, 191, 192, 193, 194, 195, 196, 197, 198, 199, 200, 201, 202, 203, 206, 207, 208, 209, 210, 213, 214, 215, 216 (2x), 218, 219, 220, 223, 224, 225, 226, 227, 228, 229, 230, 231, 232, 233a, 233b, 234, 235, 236, 237, 238, 239, 240, 241, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 249, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 256, 257, 258, 259, 260, 261, 265, 266, 267, 268, 269, 270, 271, 273, 276, 277, 278, 279, 280, 282, 283, 284, 286, 287, 288, 289, 290, 291, 292, 293, 294, 295, 296, 297, 298, 299, 300, 301, 302, 303, 305, 306, 307, 309, 311, 312, 313, 314, 315, 317, 318, 319, 321, 323, 324, 325, 327, 328, 330, 331, 332, 333, 334, 335, 336, 337, 338, 339, 340, 341, 342, 343, 344, 345, 346, 347, 348, 349, 350, 351 en 352; en/of

- 18 mei 2014 een bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en [naam 3] levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” zijnde een film van IS(IS) met Nederlandse ondertiteling, met een speelduur van ongeveer één uur met daarin zeer gewelddadige beelden van IS(IS) ter propaganda en/of verheerlijking en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) (Caramel p. 586-595 en 647); en/of

- op 19 augustus 2014 het delen van zoektermen naar de link voor de film met betrekking tot de onthoofding van journalist James Foley door IS(IS), waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd en/of gewenning aan geweld ten behoeve van de terroristische organisatie IS(IS) wordt gekweekt (Caramel p. 1350); en/of

- op 20 augustus 2014 een bericht inhoudende: “De Amerikaan op de video is kaalgeschoren, als boodschap aan de Obama administratie en het scheren van de baarden en haren van broeders op Gitmo. Ze geven een bericht aan de soldaten van de VS, want een invasie zal zeker komen, vroeg of laat! Dit #IS leger lijkt enorme dorst te hebben naar Amerikaans leger bloed”, waarmee propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) wordt gevoerd (Caramel p. 1351),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben; en/of

Facebookberichten binnen de (besloten) Facebookpagina [naam 4] , waarin (kort gezegd) propaganda en/of verheerlijking van de gewapende Jihadstrijd door IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra wordt gevoerd door het plaatsen van berichten en/of films en/of afbeeldingen in dit kader en/of het (mede)beheren van die (besloten) Facebook [naam 4] , te weten: een film met audioboodschap van Al Adnani (Caramel p. 1208-1229),

althans uitingen van gelijke aard en/of strekking, die al dan niet in onderlinge samenhang een opruiend karakter hebben.

Artikel 132 en 47 Wetboek van Strafrecht”

3.2.3

De onder 3.2.1 weergegeven bewezenverklaringen steunen op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, p. 1 tot en met 149. Waar het in het bijzonder gaat om het – overeenkomstig het onder 2A en 2B (dagvaarding I), telkens onder D, tenlastegelegde – bewezenverklaarde medeplegen van opruiing tot een terroristisch misdrijf en medeplegen van verspreiding van tot een terroristisch misdrijf opruiend materiaal door, kort gezegd, het plaatsen van berichten op de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’, luidt die aanvulling (p. 123 tot en met 145):

“41. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2018 verklaard – zakelijk weergegeven – (proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 januari 2018 - 13 februari 2018, blz. 15 e.v.):

Het klopt dat ik een van de redacteuren was van de Facebookpagina [naam 3] .

Ik postte stukken op deze pagina.

42. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2015 verklaard – zakelijk weergegeven – (proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 7 september 2015 - 26 november 2015, blz. 48 e.v.):

[naam 3]

Ik heb de code gekregen en ben naar binnen gegaan als redacteur. Ik zag daar tien verschillende redacteuren. We ondertekenden met admin a en b. Toen werd bedacht, is het niet handiger dat admin eruit gaat, dat iedereen in naam van ‘ [naam 3] ’ post.

Ik denk dat ik er al eerder dan november 2013 bij ging. Eerst was er [naam 3] en daarna [naam 5] . Er kwamen 30 tot 50 berichten per dag.

Ik kende de strekking van de pagina, het was wel bekend dat er dit type berichten op stonden.

43. Een geschrift, zijnde een verslag over de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’ (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen betreffende verslag “ [naam 3] ” d.d. 4 september 2014 van de politie Eenheid Den Haag (zaaksdossier Caramel blz. 1244 e.v.):

het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 1258 e.v.)

De Facebookpagina ‘ [naam 3] ’ is een (deels) Nederlandstalige Facebookpagina en is van start gegaan op 2 december 2013. In dit verslag wordt de vormgeving, structuur en inhoud van de berichtgeving van FB ‘ [naam 3] ’ in de Arabische en Nederlandse taal van 02 december 2013 tot 28 april 2014 beschreven.

De FB ‘ [naam 3] ’ heeft zich tot taak gesteld het bieden van ‘dagelijks nieuws over Syrië en omstreken’. Uit een reeks berichten blijkt echter dat de FB ‘ [naam 3] ’ eenzijdige berichtgeving over de het gewapend conflict in Syrië en Irak verspreidt.

Het aangereikt materiaal van de FB ‘ [naam 3] ’ behelst berichten afkomstig twee versies van deze Facebookpagina: ‘ [naam 3] ’ en ‘ [naam 5] ’. De berichten op beide Facebookpagina’s werden uitgebreid bekeken. Zij blijken identiek te zijn. In het vervolg zal daarom gesproken worden over ‘de FB ‘ [naam 3] ’ zonder onderscheid tussen beide Facebookpagina’s.

De FB ‘ [naam 3] ’ functioneert binnen een netwerk van virtuele mediaorganisaties die het nieuws bieden over de het gewapend conflict in Syrië vanuit een jihadistische perspectief en specifiek vanuit de visie van het Nusra Front en de ISIL.

Binnen dit netwerk gaat het om en aantal Nederlandse partners: de eigen een Twitteraccount, de eigen ASK-account [ [internetsite 4] ] de Facebookpagina ‘ [naam 8] ’ [ [internetsite 5] ], de Facebookpagina ‘ [naam 9] ’ [ [internetsite 6] ], de websites ‘ [internetsite 1] , de website ‘ [internetsite 7] , het internetradiostation ‘ [I] ’ en het Youtube-kanaal ‘ [K] ’ [ [internetsite 8] ].

Met deze partners worden informatie en nieuws over de jihadstrijd in Syrië en Irak gedeeld. Zij nemen elkaars berichtgeving over.

De FB ‘ [naam 3] ’ prijst de website ‘ [internetsite 1] ’ aan en beveelt deze website aan als informatiebron voor de moslims.

De FB ‘ [naam 3] ’ put haar informatie en nieuwsvoorziening uitsluitend uit bronnen die gelieerd zijn aan de ISIL en het Nusra Front (in ieder geval tot het voorjaar van 2014). Het gaat hier met name om de mediaorganisaties van ISIL, namelijk de Arabischtalige ‘al-Farouk Media Productions’ en ‘al-Furkan Media Productions’ en ‘al-Itissam Media Foundation’, ‘Ajnad Media Foundation’ en ‘al-Hayat’ die zich specifiek toeleggen op het vervaardigen van mediaproducties in verschillende westerse talen vervaardigen.

De FB ‘ [naam 3] ’ plaatst berichten en nieuws over de jihadstrijd in Syrië en Irak met het oog op werving voor de gewelddadige jihadsrijd in Syrië en Irak. Hiervoor plaatst de FB ‘ [naam 3] ’ berichten met directe wervende en ronselende boodschappen, berichten die het uitreizen naar Syrië gemakkelijk kunnen maken voor de ontvanger, berichten met appellerende boodschappen op de religieuze gevoelens en moreel geweten van moslims en berichten over ervaringen van uitreizigers naar Syrië.

De FB ‘ [naam 3] ’ plaatst berichten over de jihadstrijd in Syrië en Irak waarin het martelaarschap centraal staat. Hierin wordt de martelaarsdood aangeprezen. De ‘martelaren’ worden als individuen en groepen aangeprezen als helden.

De FB ‘ [naam 3] ’ heeft uitgebreid gerapporteerd over de inzet van Nederlandse strijders in Syrië. Daarbij richt zij zich op mobilisering van verschillende vormen van steun voor de gewelddadige jihadsstrijd in Syrië. Verder verzorgt de FB ‘ [naam 3] ’ Nederlandstalige vertalingen van mediaproducties van de jihadistische mediaorganisaties in een poging om meer Nederlands publiek te bereiken.

Berichten:

Zowel de FB ‘ [naam 3] ’ als de FB ‘ [naam 5] ’ plaatste berichten over de gewelddadige jihad in Syrië en Irak. Beide Facebookpagina’s vestigden ook hun aandacht op de gewelddadige jihad in andere landen. Opmerkelijk is dat een aantal thema’s steeds terugkeert in de berichtgeving:

- ronselen voor de gewelddadige jihad in Syrië,

- verheerlijking van de martelaarsdood,

- nieuws over de inzet van de Nederlandse strijders in Syrië,

- verheerlijking van terroristische aanslagen,

- support aan de genoemde terroristische organisaties te weten: het ‘Nusra Front’ [Jabhat al‑Nusra] en de ‘Islamitische staat in Irak en de Levant’ [ISIL], de voortgang van de gewelddadige jihadstrijd in andere landen en de verspreiding van YouTube-filmpjes en andere mediaproducties van de ‘Islamitische Staat in Irak en de Levant’.

9 december 2013

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

9 januari 2014

Dit bericht is gericht aan de lezer: ‘Alles klaar voor de rit? Een prettige reis naar land van bestemming’. Op de foto bij dit bericht staat een tas. Hierop staan een paspoort en een reisticket. Op het ticket staat ‘Het Kalifaat: de Islamitische Staat’ en op het paspoort staat het logo van de terroristische organisatie ‘De Islamitische Staat in Irak en de Levant’ (ISIL)

[afbeelding]

18 januari 2014

[afbeelding]

22 februari 2014

[afbeelding]

9 maart 2014

[afbeelding]

25 maart 2014

[afbeelding]

1 april 2014

[afbeelding]

[afbeelding]

3 april 2014

[afbeelding]

14 april 2014

Dit bericht bevat de mededeling dat de helft van Jihad mediawerk is.

[afbeelding]

15 april 2014

[afbeelding]

17 april 2014

[afbeelding]

21 april 2014

In dit bericht staat op de foto een gewapende soldaat met uniform en het logo van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL).

[afbeelding]

22 april 2014

[afbeelding]

26-28 april 2014

[afbeelding]

In bericht 128 wordt op een laconieke wijze gerapporteerd over een uitgevoerde aanslag tegen een bus met aan boord Sjiieten.

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding

44. Een geschrift, zijnde een rapport van prof. dr. mr. Ruud Peters in verband met het context‑onderzoek d.d. 21 augustus 2015.

Het houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

Gezien het materiaal dat zich in het aan mij beschikbaar gestelde dossier bevindt, kan ik de conclusies van het politieonderzoek naar de Facebook pagina [naam 3] geheel delen (Caramel 1342-1343). Het gaat om het verheerlijken van de gewapende strijd van de ISIL/IS (vanaf juli 2014 noemde de Islamic State in Iraq and Syria, ISIL, zich Islamic State, (IS)) en Jabhat al-Nusra en plaatst berichten met het oog op de werving voor deelname aan de gewapende strijd van deze organisaties. Daarnaast vergoelijkt en bagatelliseert deze pagina de aanslagen gepleegd door deze organisaties.”

3.2.4

Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de bewezenverklaringen onder 1A, 1B, 2A en 2B (dagvaarding I), voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

De strijd in Syrië

In dit arrest wordt onder de ‘gewapende jihadstrijd in Syrië’ verstaan de strijd in Syrië die de vorm aanneemt van het ontplooien van geweldsactiviteiten tegen gepercipieerde vijanden van de islam ter verwezenlijking van een wereld die een zo zuiver mogelijke afspiegeling is van hetgeen men meent dat in de eerste bronnen van het islamitische geloof – de Koran en de soenna – staat vermeld. In dit arrest gaat het specifiek over de in Syrië gevoerde interne oorlog, die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), het ‘kalifaat’ dat op 29 juni 2014 ook daadwerkelijk is uitgeroepen en bekend is geworden als IS. Centraal hier staat de strijd zoals die werd gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra.

Al Qaida is - het is een feit van algemene bekendheid - een terroristische organisatie die onder leiding van Osama Bin Laden al aan het begin van dit millennium een wereldwijde ‘jihad’ is begonnen; de aanslagen op 11 september 2001 gepleegd in de Verenigde Staten staan in het geheugen van velen gegrift. Voor wat betreft het Midden-Oosten legitimeert Al Qaida de revolutionaire Jihad met de opvatting dat de heersende regimes in het Midden-Oosten, waaronder in Syrië, ongelovig zouden zijn vanwege hun niet-islamitische wetgeving, hun steun aan de zogenaamde vijanden van de moslims of zelfs regelrechte strijd tegen moslims. Al Qaida komt daarbij tot de conclusie dat het om diverse redenen een islamitische plicht is om te strijden tegen deze regimes.

In de context van dit arrest wordt, als er wordt gesproken over ‘jihadisme’ of ‘de Jihad’ gedoeld op geweldsactiviteiten geïnspireerd door bovengenoemd streven naar – en na 29 juni 2014 de voortzetting van – ‘het kalifaat’ in Syrië.

De opstand in Syrië tegen het regime van Assad begon in het voorjaar van 2011. Het regime probeerde de roep om hervormingen met geweld de kop in te drukken. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich gewapenderhand te verzetten. De groep opstandelingen, door de VN betiteld als anti-government armed groups, bestond onder meer uit het Vrije Syrische Leger (VSL).

Op 24 januari 2012 liet Jabhat al-Nusra (Hulpfront voor het Syrische Volk) voor het eerst van zich horen. Zij maakte haar oprichting bekend in een videoboodschap op de jihadistische website Shumukh al Islam. Daarna zocht het front steeds meer de publiciteit door middel van verklaringen waarmee het aanvallen claimt en van videoproducties die via het internet verspreid worden. Vervolgens sloten Syrische, maar ook veel buitenlandse strijders zich bij Jabhat al‑Nusra aan (het bataljon Al-Ghuraba’a ofwel “de vreemdelingen”). Al in juli 2012 legt Al Qaida in een audioboodschap de link tussen de strijd in Irak en Syrië door beide te omschrijven als een sektarische strijd tussen soennieten en sjiieten. Het doel van de opstand is niet langer de val van Assad. Ook een strijder van de soennitische Farouk Brigade beweert al in 2012 dat de strijd niet langer om het omverwerpen van het Syrische leger en/of het regime gaat, maar een sektarische strijd is geworden van soennieten tegen alawieten en sjiieten. Sinds de herfst van 2012 zou de rol van het VSL zelfs grotendeels zijn uitgespeeld. Jabhat claimt voor veel van de aanslagen die in 2012 zijn gepleegd verantwoordelijk te zijn. De teller staat per 22 november 2012 op 168.

De claims van Jabhat al-Nusra werden op bekende jihadistische websites gepubliceerd. Op 3 oktober 2012 wordt door Jabhat al-Nusra een aanslag gepleegd in Aleppo met tientallen doden, die door de Veiligheidsraad wordt omschreven als terroristische aanval. Ook in 2013 heeft Jabhat al-Nusra zijn serie van aanslagen in Syrië voortgezet. Aleppo wordt gezien als het bastion van Jabhat al-Nusra. In de strijd tegen Assad heeft zich ook een (voorheen) aan Al‑Qaida gelieerde groep gemengd die eerder actief was in Irak. Het gaat hierbij om de Islamitische Staat in Irak (ISI), ook bekend als Al-Qaida in Iraq (AQI). ISI staat onder leiding van Abu Bakr al-Baghdadi. Op 8 april 2013 verklaart Al Baghdadi dat zijn organisatie samengaat met Jabhat al-Nusra in ISIL. ISIL streeft een snelle invoering en strikte interpretatie van de sharia na. Kort na de aankondiging van Al-Baghdadi van de oprichting van ISIL komt Jabhat al-Nusra leider Al-Jawlani met een reactie waarin hij stelt nooit geïnformeerd te zijn over plannen voor een fusie en de oprichting van ISIL. Op 24 mei 2013 schrijft Al Qaida leider Al-Zawahiri in reactie hierop een brief waarin staat dat de situatie zo blijft als hij is, geen fusie met ISI dus. ISIL moet worden opgeheven en Jabhat al-Nusra blijft een onafhankelijke entiteit onder commando van Al Qaida. Per 30 mei 2013 zijn het toenmalige ISIL en Jabhat al-Nusra als één van de aliassen van Al‑Qaida in Iraq door de VN Veiligheidsraad op de VN Sanctielijst geplaatst. In juli 2013 heeft Jabhat al-Nusra bij de slag bij Khan al Assal in de omgeving van Aleppo, 200 doden en 200 krijgsgevangen gemaakt, die voor 90% sjiieten en dus afvalligen waren.

Op 29 juni 2014 riep ISIL het islamitisch kalifaat uit in het door haar veroverde gebied in Irak en Syrië en werd haar naam gewijzigd in de Islamitische Staat. Al-Baghdadi werd aangesteld als ‘kalief’ van IS.

Zowel Jabhat al-Nusra als ISIL maakten zich in 2013 en 2014 schuldig aan oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen, waaronder ook marteling en (openbare) executies. Beide organisaties streefden naar het vestigen van een Islamitische staat.

Terroristische misdrijven

Artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt welke misdrijven als terroristische misdrijven hebben te gelden. Gemeenschappelijk daaraan is dat zij moeten zijn begaan met een terroristisch oogmerk.

Artikel 83a Sr omschrijft het terroristisch oogmerk als: ‘het oogmerk om de bevolking of een deel van de bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.’

De jihadistische strijdgroepen in Syrië zoals Jabhat al-Nusra en IS(IS) wilden/willen op gewelddadige wijze een zuiver islamitische samenleving en/of staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd – opleggen aan de burgerbevolking. Hiermee beogen zij de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. Veel van deze misdaden zijn bovendien gepleegd met (mede) het doel grote delen van de bevolking in deze gebieden ernstige vrees aan te jagen zoals bedoeld in artikel 83a Sr. De jihadistische strijdgroepen in Syrië zaai(d)en – om hun doel te bereiken – dood en verderf onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst.

De Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (IICISAR) heeft in haar rapport van 12 februari 2014 gemeld dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.”

De verdediging heeft betoogd dat terroristische misdrijven moeten worden beperkt tot die welke het oogmerk hebben de bevolking ernstige vrees aanjagen. Die beperking vindt geen steun in artikel 83a Sr. Ook de strijd tussen de verschillende strijdgroepen, waarin strijders elkaar onderling gewapend bevechten om in plaats van het bestaande regime – kort gezegd – een ‘zuiver islamitische samenleving’ en/of ‘het kalifaat’ in Syrië te vestigen, valt binnen de reikwijdte van deze bepaling.

De misdrijven die deze strijdgroepen plegen, zoals moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke, worden dus begaan met een terroristisch oogmerk en zijn daarmee terroristische misdrijven. Deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van deze strijdgroepen houdt dus altijd in het plegen van terroristische misdrijven.

Ideologie van geweld door terreurgroepen

Relevant voor deze strafzaak is dat de ideologie van Al Qaida en daaraan gelieerde groepen, zoals verwoord door de leiders en woordvoerders van deze organisaties, als gezegd is gericht op dood en verderf en ook heeft geresulteerd in dodelijk geweld. Het geweld waartoe wordt opgeroepen treft in beginsel de ‘ongelovigen’, lees sjiieten, yezidi’s, christenen, westerlingen, joden, zionisten, afvallige soennieten, kortom al diegenen die hun leven niet inrichten naar de rigide voorschriften en geloofsvoorstellingen waarop Al Qaida en verwante groeperingen zich baseren; in een bloedig visioen van het einde der tijden gaat het om de strijd van de ‘ware gelovigen’ tegen allen, waarbij ook aan eigen zijde slachtoffers zullen vallen. Voor wat betreft het ‘kalifaat van IS’ is, zo blijkt uit de uitgedragen boodschap, duidelijk dat dit geen vrije staat kon zijn en ook niet was bedoeld als thuisland voor alle moslims. Het was van meet af aan de bedoeling dat slechts een select gezelschap (alleen aanhangers van IS en dus aanhangers van deze gewelddadige, vrijwel een ieder uitsluitende ideologie) van het kalifaat zou profiteren. De gepredikte levenswijze berustte op een versie van de sharia die dienstig was aan de ideologische voorstellingen en interpretaties van de terreurgroep IS en daaraan verwante groeperingen, en werd in feite – ook dat is al opgemerkt – met grof geweld opgelegd aan de plaatselijke bevolking.

Dat daarbij ook burgerslachtoffers vielen, valt al op te maken uit de hiervoor genoemde bronnen maar ook uit hetgeen de verdachte en de medeverdachten deelden op hun eigen social media: daarop werden immers foto’s van gestorven mannen en jongens geplaatst en gedeeld die waren uitgereisd naar Syrië om zich daar bij een terroristische groepering aan te sluiten, en die op deze websites en Facebookpagina’s als ‘martelaar’ werden verheerlijkt, terwijl zij in feite gewone burgers waren die in een eerder leven (soms nog maar heel kort voor hun overlijden) als pizzakoerier werkten, studeerden, of leefden van een uitkering.

Ten slotte nog twee laatste algemene overwegingen. Welke motieven precies ten grondslag liggen aan het gepredikt en toegepast stelselmatig geweld in Syrië is voor het hof minder relevant. In de propaganda voor het meedoen met de terreur wordt gebruik gemaakt van een gevaarlijke mix van oorlogsretoriek, kennelijk inspirerende religieuze voorstellingen gebaseerd op een selectie van islamitische teksten, zucht naar avontuur en macht, en wordt een appel gedaan op gevoelens van vernedering en disfunctioneren in het ‘gewone’ burgerleven. Dat de verdachte en de medeverdachten het geweld, gepleegd in Syrië, hebben gepresenteerd en mogelijk ook hebben ervaren als een gevolg van een diepgevoelde geloofsovertuiging illustreert met name hoe gevaarlijk en ook krachtig deze ideologie en de daaruit voortspruitende mythe van ‘het kalifaat van IS’ is geweest. Zij verheerlijkten het bijbehorend doden en gedood worden en idealiseerden het ‘sterven op het pad van Allah’ als het mooiste wat je kon overkomen. En ook uit de omstandigheid dat uit hun kennissen- en vriendenkring een relatief groot aantal mensen is afgereisd en omgekomen blijkt dat de ideologie op enig moment bijzonder effectief is geweest.

Of er inderdaad sprake is of was van een geloofsovertuiging is niet aan het hof ter beoordeling. Maar het is duidelijk dat geen enkele geloofsovertuiging kan dienen als legitimatie voor terreur, en dat actieve verspreiders van een ideologie die oproept tot en daadwerkelijk uitmondt in dodelijk geweld tegen medemensen, in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Daarom staat hier niet de geloofsovertuiging van de verdachte ter discussie, maar wel de wijze waarop in uitingen van de verdachte en medeverdachten de gewelddadige ideologie van genoemde terreurgroepen werd uitgedragen.

De positie van de verdachte en de medeverdachten ten opzichte van de strijd in Syrië

De antropoloog Martijn de Koning is in 2010/2011 gestart met een onderzoek naar activistische netwerken ( [D] , [E] , [B] en [A] ) in Nederland en België, die niet tot mainstream islam kunnen worden gerekend. Zo heeft hij (onder anderen) de verdachte en een aantal van de medeverdachten in het Context onderzoek – uitgezonderd de medeverdachten [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] – langdurig van nabij meegemaakt. De Koning heeft verklaard dat gedurende zijn onderzoek een deel van de activisten naar Syrië ging. Hij heeft verslag gedaan over hoe de Syriëgangers uit de netwerken betekenis gaven aan hun reis naar Syrië, hun activiteiten daar en hun vorige leven hier. Met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft hij contact gehouden toen zij in Syrië verbleven. Het aangaan van de strijd was een middel om de wil van God te realiseren evenals het vestigen van het kalifaat. Men wilde niet zomaar het zittende regime verdrijven, maar daadwerkelijk een kalifaat uitroepen. Men maakt allemaal het statement dat het uiteindelijke lot door God wordt bepaald, dat men niet op zoek gaat naar de dood, maar wel verheugd zou zijn als men zou sneuvelen in de strijd en vervolgens met Gods wil naar het paradijs zou gaan. De na de zomer van 2012 tot en met de zomer van 2014 bestaande inner circle van de netwerken (de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] ) deelden de belangrijkste elementen van hun ideologie. Men stond achter de militaire jihad zoals deze door Al Qaida werd gevoerd. Zij vertelden De Koning over de zegeningen van de sharia. In 2012 bleek Syrië makkelijk bereikbaar via Turkije. Waar de activisten al eerder het idee hadden dat een militaire jihad gerechtvaardigd en noodzakelijk was en er met Jabhat al-Nusra een groep was die volgens hen op de juiste correcte weg zat en gezien de snelle opmars ook bijzonder effectief was, ontdekte men dat men zelf effectief kon zijn omdat Syrië zo makkelijk bereikbaar bleek. In de zomer van 2012, gelijk met de opkomst van Jabhat al-Nusra, kwamen mensen – aldus nog steeds De Koning – op de gedachte om af te reizen naar Syrië. De strijd in Syrië werd als een militaire jihad beschouwd. De strijd door Al Qaida en IS(IS) heeft hun goedkeuring en vanaf het begin was er discussie of het het beste was om je bij Jabhat al-Nusra of ISIS aan te sluiten.

Het hof concludeert dat na verontwaardiging over en protest tegen het optreden van het regime van Assad, het de verdachte en zijn medeverdachten tenminste vanaf de zomer van 2012 primair ging om het vestigen van een kalifaat door het voeren van de militaire jihad in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde strijdgroepen zoals ISIL en Jabhat al-Nusra. Het hof verwerpt de verweren die als grondslag hebben dat de verdachte zich louter richtte tegen het regime Assad en door het regime gepleegde misdrijven.

Wetenschap verdachte

Nu de verdediging aandacht heeft gevraagd voor de vraag of de verdachte al dan niet op de hoogte was van geweld door strijdgroepen in Syrië tegen burgers, herhaalt het hof hier dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië aan de zijde van aan Al Qaida gelieerde groepen – hoofdzakelijk om ‘het kalifaat’ daar te vestigen en derhalve om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen – misdrijven met een terroristisch oogmerk werden gepleegd, te weten moord, doodslag, brandstichting en het teweegbrengen van ontploffingen en dergelijke.

De strijders pleegden deze misdrijven tegen het regeringsleger en in de strijd – doorgaans: om de macht in een bepaald gebied – tussen de jihadistische strijdgroepen onderling. Ten laatste vanaf de zomer 2012 was de verdachte op de hoogte van deze strijd om de stichting van het kalifaat. Dit volgt niet alleen uit hetgeen Martijn de Koning heeft verklaard, namelijk dat de strijd werd beschouwd als een militaire jihad en dat deze de goedkeuring had van degenen uit de netwerken die hij daarover sprak, waaronder de verdachte die duidelijk pro ISIS was. Ook uit (een deel van) de posts van de verdachte op de Facebookpagina [naam 3] – die verderop in dit arrest in het kader van (kort gezegd) opruiing aan de orde zullen komen – kan worden afgeleid dat de verdachte vanaf eind 2013 tot en met de eerste maanden van 2014 op de hoogte was van de gewapende jihadstrijd en de gevolgen ervan. De verdachte heeft dit ter terechtzitting in eerste aanleg ten aanzien van IS – onder die naam actief na 29 juni 2014 – bevestigd. De hierboven weergegeven gegevens over de strijd in Syrië zijn bovendien afkomstig uit openbare bronnen. Tot slot laat het hof niet onvermeld dat de verdachte op 18 mei 2014 het volgende bericht op Facebook plaatste: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en [naam 3] levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië”. “Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim”, met een hyperlink. Deze video – getoond ter terechtzitting in hoger beroep – bevat gruwelijke beelden van standrechtelijke executies, drive by shootings, mensen die worden geïnterviewd terwijl zij hun graf graven en een onthoofding. Het ontgaat het hof dan ook hoe de verdediging kan volhouden dat de verdachte niet wist van wreedheden van ISIS en dat niet “met kennis van nu” moet worden geoordeeld, maar dat bij de beoordeling van de tenlastelegging voor ogen gehouden moet worden dat de onthoofding van James Foley – die wereldwijd de aandacht trok – medio augustus 2014 plaatsvond vlak voor de aanhouding van de verdachte. De stelling van de verdediging dat de gruwelijkheden in deze video niet tegen burgers werden begaan, maar tegen militairen en medewerkers van Assad, doet – voor zover juist – als gezegd niets af aan de vaststelling van het hof dat in de gewapende jihadstrijd in Syrië ter vestiging van een kalifaat misdrijven als bedoeld in artikel 83a Sr werden gepleegd. De door de verdachte hooggeprezen video spreekt wat dat betreft boekdelen.

Het hof concludeert dat de verdachte ten minste vanaf medio 2012 ervan op de hoogte is geweest dat de jihadistische strijdgroepen zoals Jabhat al-Nusra en ISIS in Syrië zich schuldig maakten aan terroristische misdrijven.

(...)

Feit 1

Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 15 september tot en met 23 september 2013 (re)tweets als omschreven in de tenlastelegging heeft geplaatst via zijn Twitteraccount [naam 6] ; op 29 juli 2014 heeft de verdachte op zijn account [naam 7] getweet over een video van IS(IS) die “Salilul Sawaarim 4” zou overtreffen.

De vraag is of deze (re)tweets kunnen worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.

Daarvan is in elk geval sprake als rechtstreeks – dus met zoveel woorden – wordt aangespoord tot strafbaar handelen (waarbij het in casu gaat om, kort gezegd, het deelnemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië). Niet beslissend is of iemand zich tot dat feit aangezet voelt, maar of de uitingen zodanig zijn dat iemand erdoor tot dat feit gebracht zou kunnen worden.

Ook beïnvloeding op indirecte wijze kan opruiend zijn, namelijk als met bepaalde uitingen wordt beoogd de geesten rijp te maken voor strafbaar handelen.

De bedoeling moet zijn daartoe op het gemoed te werken van diegene die er vatbaar voor is. In dit geval zou dit bijvoorbeeld kunnen zijn omdat hij of zij gemakkelijk beïnvloedbaar is of al overweegt af te reizen naar het strijdgebied in Syrië en zich daar aan te sluiten bij IS(IS) of Jabhat al-Nusra. Het uiten van grote waardering voor de strijd van terreurgroepen in Syrië en de bewondering voor diegenen die aan de zijde van die terreurgroepen meevechten impliceert dat meedoen navolging verdient en is daarom opruiend. Het verheerlijken van de martelaarsdood in die strijd is een uiting van een zodanig intense bewondering dat die op zichzelf ook aanzet tot navolging.

In beginsel zal het hof bij de beoordeling van social media berichten (zoals ook tweets) niet bij elk ten laste gelegd bestand afzonderlijk ingaan op de vraag of dat bestand op zichzelf beschouwd opruiend is. Uiteraard speelt de inhoud van die afzonderlijke berichten wel een rol, maar doorslaggevend is de vraag wat de strekking is van de berichten in samenhang bezien.

Het hof overweegt ten aanzien van de tweets op het Twitteraccount [naam 6] het volgende. Uit het dossier valt niet op te maken of en in hoeverre het account is ingericht met de intentie anders dan de algemene, namelijk om te twitteren. Wel kan een zekere samenhang worden gezien in de onderwerpkeuze maar dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om daaruit te concluderen dat het Twitteraccount bedoeld is om opruiende berichten te plaatsen. Wel kan van drie tweets geplaatst op 19 september 2013 worden gezegd dat die opruiend zijn, in die zin dat zij, in samenhang bezien, het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra verheerlijken op een zodanige wijze, dat iemand er daardoor toe gebracht zou kunnen worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië. Die drie tweets acht het hof, in samenhang bezien, opruiend van aard. Verder is het bericht over een martelaar – een commandant van ISIS die het martelaarschap zou hebben ontvangen, geplaatst op 23 september 2013 – op zichzelf beschouwd opruiend.

Ten aanzien van de tweet via het account [naam 7] van 29 juli 2014 kan niet worden gezegd dat deze tekst op zichzelf aanzet om naar het strijdgebied in Syrië te gaan. Er is in dit bericht ook geen link gedeeld naar genoemde video. Het hof zal hiervan vrijspreken.

Voor wat betreft de ten laste gelegde Facebookberichten van de verdachte geplaatst of gedeeld tussen 1 december 2013 en 3 februari 2014 overweegt het hof het volgende. Blijkens het dossier is de strekking van de berichtgeving over die hele periode hetzelfde, en gaat het over islam, Jihadisme, radicalisering en geweld. Er is een selectie gemaakt uit de vele berichten “omdat”, aldus het proces-verbaal, “de strekking telkens gelijk is”.

In die selectie bevindt zich een aantal opruiende berichten (over martelaars bijvoorbeeld). En dat brengt met zich mee dat ook gedeelde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigend van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst of gedeeld, gelet op de strekking van die pagina – wél als zodanig worden aangemerkt.

Daarbij merkt het hof nog het volgende op.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het bij social media er om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen en liefst te ‘liken’. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Tenslotte speelt voor het opruiend karakter van de Facebookpagina van de verdachte nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op Facebook worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de ‘content’ – de inhoud van die berichten – permanent is op te roepen.

Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1B (tweede cumulatief/alternatief)

Het hof overweegt, dat het plaatsen van bestanden op de genoemde social media (Twitter en Facebook) in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De social media waren immers toegankelijk voor eenieder.

Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.

Feit 2

Hierboven heeft het hof (onder de overweging ten aanzien van feit 1) aangegeven wanneer er sprake is van opruiing in de zin van de wet en op welke wijze het hof de ten laste gelegde feiten benadert.

Het hof overweegt met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde als volgt.

A [internetsite 1]

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 4] beheerder is geweest van de website [internetsite 1] die in eind april 2013 werd gelanceerd. In die hoedanigheid heeft hij de inhoud van de site bepaald. Hij had de domeinnaam overgenomen en heeft de site ingericht. Hij was eindredacteur. Uit het dossier blijkt dat de in de tenlastelegging omschreven bestanden tussen 1 mei 2013 en 27 augustus 2014 op de website [internetsite 1] zijn geplaatst.

De politie heeft de inhoud van de website onderzocht over de periodes van 3 december 2013 tot en met 30 april 2014 en van 1 augustus 2014 tot en met 26 augustus 2014.

De vraag is of het publiceren van de in de tenlastelegging omschreven bestanden kan worden gekwalificeerd als opruiend in de zin van de wet.

Het hof stelt vast dat meerdere in de tenlastelegging omschreven bestanden weliswaar niet rechtstreeks opruien, maar wel een onmiskenbaar opruiend karakter hebben. Het gaat telkens om sterk suggestieve uitlatingen (verheerlijking van de strijd en het martelaarschap) die daarvoor vatbare geesten kunnen aansporen daadwerkelijk naar het strijdgebied in Syrië te vertrekken. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dat in elk geval geldt voor de preken van [betrokkene 23] getiteld ‘Het Graf’ en ‘Jihaad voor Allah’. Ook in de opiniebijdragen van [verdachte] worden IS(IS) en Al Qaida openlijk verheerlijkt (bijvoorbeeld in de opiniebijdragen van [verdachte] : AIVD, het traject van leugens en bedrog, en in ‘Het is tijd om toe te geven: Al Qaida wint de oorlog’).

Er zijn ook bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet aanzetten tot strafbaar handelen of waarover kan worden getwijfeld. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat de preek ‘Drie grote tekenen voor de dag des oordeels’ van [betrokkene 23] op zichzelf beschouwd niet opruiend is.

Het hof komt met betrekking tot een aantal bestanden tot een ander oordeel dan de rechtbank, omdat het – als gezegd – kiest voor een andere benadering. Het hof acht doorslaggevend het antwoord op de vraag wat de strekking is van de website en de ten laste gelegde publicaties daarop geplaatst in samenhang bezien. Daarbij is leidend wat de bedoeling is geweest van de website.

Allereerst komt het hof tot de vaststelling dat de naam van de website omineus is. [medeverdachte 4] heeft de domeinnaam ‘ [internetsite 1] ’ maar liefst vier keer laten registreren. Het is dan ook een benaming die binnen jihadi-kringen een bijzondere betekenis heeft: geestverwante groepen in Duitsland hadden onder de naam ‘ [...] ’ al langere tijd succes. De voorpagina van de website draagt in het hart een bericht, kennelijk geplaatst op 7 mei 2013, gelinkt aan het (ook in de tenlastelegging omschreven) artikel ‘Iedereen is schuldig behalve wij’, een opiniërende bijdrage van [verdachte] (de islamitische bijnaam van de verdachte). Dat is een artikel waarin al in de tweede alinea wordt gememoreerd dat “in de afgelopen drie kwart jaar ruim honderd moslims zijn vertrokken om ten strijden te trekken tegen het regime van Beshar al-Assad” en de schrijver vervolgens meedeelt dat “iedereen die helder nadenkt alleen maar lof kan uiten voor deze jongens”. De teneur van de site is hiermee gezet. Belangrijke onderwerpen waren vanaf het begin Al Qaida en ISIS en de site bouwde al snel een reputatie op door geregeld nieuws te plaatsen over Syriëgangers, bijvoorbeeld wanneer iemand was overleden. De overledenen werden bewierookt als martelaars.

Indringend komt de onderliggende boodschap van de website naar voren in een brief, in juni 2014 gepubliceerd op de site als reactie op een schrijven van het NCTV: “Wij van [internetsite 1] sympathiseren met de mujahidien van Al Qaida, de mujahdien van Jabhat al Nusra en de mujahidien van de Islamitische Staat van Irak en Shaam . En als je daar pissig om wordt dan zeggen wij: “Stik maar lekker in jullie woede, het interesseert ons geen ene moer! Ga maar lekker janken bij die grote buurman van je!”

Het hof is van mening dat de strekking van de website [internetsite 1] opruiend is en dat de ten laste gelegde publicaties, ook als zij op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn, toch vanwege het feit dat zij op deze website zijn geplaatst en gedeeld wél als zodanig moeten worden gezien.

Daarbij merkt het hof nog het volgende op.

Als gezegd is het een feit van algemene bekendheid dat het er bij social media om gaat, een publiek te vinden, en volgers te verleiden de gedeelde berichten en daarmee uiteindelijk ook een eventueel achterliggende boodschap te lezen. In casu vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden met betrekking tot – kort gezegd – de gewapende strijd in Syrië – een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ook zij bevorderen derhalve de opruiende werking van de website, want zij leiden de lezers naar berichten die opruien en die met die bedoeling op de website zijn gezet. Ook de stelling dat het door [internetsite 1] gebrachte moet worden gezien als ‘nieuws’ is zo bezien niet in strijd met de kwalificatie ‘opruiend’. Dat [internetsite 1] – voor een Nederlandse site – goed geïnformeerd was over de gebeurtenissen in Syrië en daarom ook wel door anderen werd geraadpleegd staat wel vast. Anderzijds is het gebrachte nieuws eenzijdig en tendentieus en krijgt het vaak ook een opruiende ‘twist’.

Illustratief daarvoor is het filmpje waarop een uitzending van Nieuwsuur van 23 april 2013 is te zien. Daarin spelen [betrokkene 1] en de verdachte de hoofdrol. Zij leggen uit wat de jongens in Syrië bezielt. Op [internetsite 1] begint de uitzending met een citaat van Osama Bin Laden: “De gelukkigst is hij wiens Allah hem als martelaar heeft gekozen”. Ook de vele nieuwsberichten over concreet ‘martelaarschap’ zijn ronduit opruiend.

De volgende vraag is: was er bij de verdachte sprake van het voor medeplegen vereiste van nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] ? Was zijn (intellectuele) bijdrage aan het beheer van deze website van voldoende gewicht?

Uit het dossier blijkt dat de domeinnaam [internetsite 1] van [C] (waar de verdachte als initiatiefnemer samen met [medeverdachte 4] bij betrokken was) op naam is gezet van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] en de verdachte spraken met enige regelmaat over de inhoud en strategie van de site. Daarbij gebruikte [medeverdachte 4] de verdachte als klankbord en adviseur. De verdachte beschikte ook over autorisatie om zelf stukken op de site te plaatsen.

Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wist wat de bedoeling was van de website.

De verdachte leverde een bijdrage aan [internetsite 1] door het schrijven van een aantal opiniërende stukken (waaronder het hierboven genoemde) en trad hij op enig moment op als woordvoerder voor de site. De intellectuele en materiële inbreng van de verdachte waren essentieel voor de beheerder en (enig) eindredacteur van [internetsite 1] , [medeverdachte 4] . Er is sprake van medeplegen.

(...)

D Het plaatsen van Facebookberichten

Uit hetgeen op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de door het openbaar ministerie bij requisitoir met name genoemde personen ( [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] ) ten aanzien van in dit onderdeel van de tenlastelegging genoemde gedragingen.

De verdachte zal derhalve van die gedeelten van het onder D ten laste gelegde die medeplegen betreffen worden vrijgesproken.

Wel heeft de verdachte zelf op 18 mei 2014 het bericht “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim: [internetsite 3] ” op zijn Facebookpagina geplaatst. Dat bericht is naar het oordeel van het hof evident opruiend.

Resteert de vraag omtrent verdachtes handelen ter zake de Facebookpagina’s [naam 5] .

Het hof overweeg hieromtrent het volgende.

De Facebookpagina’s [naam 3] en [naam 5] hebben een identieke inhoud (‘content’). Hierna zal alleen worden gesproken over ‘de Facebookpagina’ of ‘ [naam 3] ’, waarbij dan op beide pagina’s wordt gedoeld.

De politie heeft de Facebookpagina bestudeerd over de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014; het kan hier derhalve alleen gaan over hetgeen over die periode uit het dossier blijkt.

Is de Facebookpagina [naam 3] , gelet op de wijze waarop die is ingericht, naar zijn strekking opruiend te noemen?

De politie relateert het, de deskundige Peters bevestigt dat beeld en ook het hof komt, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, niet tot een ander oordeel.

De Facebookpagina kent onder meer als netwerkpartners [internetsite 1] en YouTubekanaal [K] , put haar informatie en nieuwsvoorziening in elk geval tot het voorjaar van 2014 uit bronnen die gelieerd zijn aan ISIL en Jabhat al-Nusra en plaatst onder meer rechtstreeks wervende berichten over de militaire jihad in het Midden-Oosten en berichten waarin de martelaarsdood wordt verheerlijkt. Men is ook op zoek naar nieuwe redacteuren en leest dan bij ‘voorwaarden’ (onder meer) “wij delen positief nieuws over #Dawlah_Islamiya en #Jabhat_Nosrah, (...) wij bieden geen podium aan Sjieten, PKK/YPG, FSA/Jahba Islammiyah etc, groepen”.

De pagina is opruiend en de verdachte was, als één van de redacteuren, daarvoor mede verantwoordelijk.

Voor wat betreft de Facebookberichten genoemd onder D. overweegt het hof nog het volgende.

De al eerder omschreven benadering van het hof brengt met zich mee dat de ten laste gelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld maar in samenhang. Dat brengt met zich mee dat ook ten laste gelegde bestanden die op zichzelf beschouwd mogelijk niet opruiend zijn (ofschoon, voor zover zichtbaar in het dossier, doorgaans getuigen van verheerlijking van de strijd van groepen als ISIS) vanwege het feit dat zij op deze Facebookpagina zijn geplaatst en gedeeld, wél als zodanig worden aangemerkt.

Ook voor deze Facebookberichten geldt wat hiervoor in algemene zin daarover is opgemerkt ten aanzien van social media: het gaat erom de aandacht van lezers te trekken en ze tot ‘volgen’ te verleiden en derhalve vervullen ook berichten die mogelijk op zichzelf beschouwd niet opruiend zijn een rol. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt bovendien versterkt door het gegeven dat de ‘content’ (de inhoud van de berichten) permanent is op te roepen.

Het hof zal ten aanzien van het onder D. ten laste gelegde komen tot een bewezenverklaring waarin niet (de categorieën) berichten afzonderlijk zullen worden benoemd en bewezen. De ten laste gelegde berichten die het openbaar ministerie aan de categorisering ten grondslag heeft gelegd, zijn opruiend, als gezegd omdat zij op een website met een opruiende strekking staan, waarin een en ander in samenhang moet worden bezien. Het hof schaart zich niet (geheel) achter de conclusies die het openbaar ministerie heeft neergelegd in de feitelijke uitwerking van de tenlastelegging, nog daargelaten dat, meer in het algemeen conclusies zich niet lenen voor bewezenverklaring. Vandaar dat die onderdelen uit de tenlastelegging zullen worden gestreept.

Overweging met betrekking tot het ten laste gelegde onder 2B (tweede cumulatief/alternatief)

Het hof overweegt dat het onder 2A bewezen verklaarde in dit geval samenvalt met het verspreiden van die bestanden. De Facebookpagina’s van [naam 3] en [verdachte] en de website [internetsite 1] waren immers toegankelijk voor eenieder. Op grond van de hierboven weergegeven overwegingen zal ook het verspreiden van het ten laste gelegde materiaal bewezen verklaard worden.”

3.3.1

De tenlastelegging onder 1A, 1B, 2A en 2B (dagvaarding I) behelst het aan de verdachte gemaakte verwijt dat hij heeft opgeruid tot enig strafbaar feit zijnde een terroristisch misdrijf, alsmede dat de verdachte opruiende berichten heeft verspreid als bedoeld in respectievelijk art. 131, eerste en tweede lid, Sr en art. 132, eerste en derde lid, Sr. De in de tenlastelegging voorkomende termen ‘heeft opgeruid tot enig strafbaar feit’ en ‘waarin tot enig strafbaar feit (...) wordt opgeruid’ moeten telkens geacht worden te zijn gebruikt in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepalingen.

3.3.2

Art. 131 en 132 Sr luiden, voor zover van belang:

- art. 131 Sr:

“1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”

- art. 132 Sr:

“1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

(...)

3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.”

3.4.1

Het Hof heeft, alvorens de tenlastegelegde gedragingen te bespreken, in een algemene overweging onder meer vastgesteld dat in Syrië een interne oorlog wordt gevoerd die zou moeten leiden tot ‘herstel’ van het zogenoemde ‘kalifaat’ in Shaam (Syrië), dat deze strijd wordt gevoerd door Al Qaida en daaraan gelieerde (voorlopers van) groepen zoals Islamic State of Iraq and the Levant (ISIL), Islamic State in Syrië (ISIS) en Jabhat al-Nusra, en dat zowel Jabhat al-Nusra als ISIL zich in 2013 en 2014 schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdrijven en mensenrechtenschendingen, waaronder ook marteling en (openbare) executies. Daarnaast heeft het Hof vastgesteld dat de jihadistische strijdgroepen aan de burgerbevolking in Syrië met geweld een zuiver islamitische samenleving dan wel staat gebaseerd op de sharia – zoals door hen gepercipieerd – willen opleggen en dat de jihadistische strijdgroepen in Syrië dood en verderf zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelt.

3.4.2

Ten aanzien van het onder 1A en 1B bewezenverklaarde heeft het Hof voorts onder meer vastgesteld dat de verdachte:

- via Twitter berichten heeft verspreid die het geweld, het martelaarschap en de strijd van Jabhat al-Nusra op een zodanige wijze verheerlijken dat iemand ertoe gebracht kan worden deel te nemen aan de gewapende strijd in Syrië;

- via Facebook berichten heeft geplaatst over islam, jihadisme, radicalisering en geweld, waarin opruiende berichten over martelaars zijn geplaatst.

3.4.3

Wat betreft het onder 2A en 2B bewezenverklaarde blijkt uit de vaststellingen van het Hof onder meer het volgende:

- de verdachte was betrokken bij het beheer en de eindredactie van de website [internetsite 1] ;

- op deze website werden preken en opiniebijdragen gepubliceerd waarin de strijd, het martelaarschap, IS en Al Qaida openlijk verheerlijkt werden. Ook werd op deze website geregeld nieuws geplaatst over Syriëgangers en werden daarop de overledenen bewierookt als martelaars;

- de verdachte heeft op Facebook een bericht geplaatst met onder meer als bijschrift: “Broeders mijn advies is om deze video te bekijken. Islamitische Staat Irak en Shaam levert een prachtige video van hun werken om de Moslims te dienen in Irak en Syrië. Deel 4 van de buitengewone serie Salilu Sawarim”, waarna een link volgt naar een extreem gewelddadige film met schokkende beelden waarin te zien is dat strijders van ISIS/ISIL gewelddadigheden plegen;

- de verdachte was een van de redacteuren van de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’, hij was bekend met de strekking van deze pagina en de berichten hierop en hij plaatste berichten op deze pagina;

- in de berichtgeving op deze Facebookpagina keert steeds een aantal thema’s terug, namelijk het ronselen voor de gewelddadige jihad in Syrië, verheerlijking van de martelaarsdood, nieuws over de inzet van de Nederlandse strijders in Syrië, verheerlijking van terroristische aanslagen, steun aan terroristische organisaties – te weten: het ‘Nusra Front’ (Jabhat al-Nusra) en de ‘Islamitische staat in Irak en de Levant’ (ISIL) –, berichten over de voortgang van de gewelddadige jihadstrijd in andere landen en de verspreiding van YouTube-filmpjes en andere mediaproducties van de ‘Islamitische Staat in Irak en de Levant’.

3.5.1

Het Hof heeft onder 1 en 2 (dagvaarding I) bewezenverklaard dat – kort gezegd – de verdachte alleen of tezamen met anderen via sociale media en de website [internetsite 1] heeft opgeruid tot enig strafbaar feit en opruiende berichten heeft verspreid. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat aan deze uitingen gemeenschappelijk is dat daarin wordt opgeroepen tot het daadwerkelijk afreizen naar Syrië teneinde deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië en/of Irak, althans dat zij oproepen tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking daarvan. Het Hof heeft hieromtrent overwogen – onder verwijzing naar zijn vaststellingen omtrent de strijd zoals die destijds plaatsvond in delen van Syrië en Irak – dat het daadwerkelijk deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië en/of Irak aan de zijde van de aan deze jihadstrijd deelnemende strijdgroepen, altijd het plegen van terroristische misdrijven inhoudt.

3.5.2

Gelet op deze vaststellingen geeft de bewezenverklaring voor zover inhoudende dat sprake was van het opruien tot ‘enig strafbaar feit zijnde een terroristisch misdrijf’, ook in het licht van wat daarover door de verdediging is aangevoerd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof bij de beoordeling van de in de tenlastelegging onder 1 en 2 bedoelde uitingen de inhoud en de strekking daarvan in hun samenhang heeft bezien en daarbij mede heeft gelet op de context waarin deze uitingen aan het publiek zijn geopenbaard, terwijl uit de bewijsmiddelen telkens blijkt aan welke concrete uitingen het Hof zijn oordeel heeft ontleend dat de uitingen van de verdachte als opruiend kunnen worden aangemerkt. Mede gelet hierop geeft ook het oordeel van het Hof dat het niet ten aanzien van iedere uitlating afzonderlijk heeft te beoordelen of de inhoud daarvan opruiend is, maar dat het daarbij telkens (mede) gaat om de – hiervoor onder 3.4.2 en 3.4.3 weergegeven, ook aan de samenhang tussen en context van deze uitingen te ontlenen – strekking van deze uitingen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat sprake is van opruiing indien rechtstreeks wordt aangespoord tot enig strafbaar feit. Met zijn overweging dat beïnvloeding ook op indirecte wijze opruiend kan zijn, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat, afhankelijk van de omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, niet is uitgesloten dat ook een indirecte aansporing tot enig strafbaar feit kan worden aangemerkt als opruiing. Dat oordeel geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.3

Voor zover de middelen hierover klagen, zijn deze tevergeefs voorgesteld.

3.6.1

Het eerste middel klaagt verder dat het Hof met betrekking tot het onder 2A en 2B (dagvaarding I) tenlastegelegde ten aanzien van de daarin telkens onder D genoemde Facebookpagina ‘ [naam 3] ’, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door alle in de tenlastelegging aangeduide berichten niet bewezen te verklaren, maar desondanks de verdachte (ook) te veroordelen voor, kort gezegd, het (mede)plegen van opruiing door het plaatsen van berichten op deze Facebookpagina. Deze klacht heeft aldus slechts betrekking op de bewezenverklaring onder 2A en 2B telkens onder D voor zover daarin ook is bewezenverklaard het plaatsen van berichten op “en/of de Facebookpagina “ [naam 5] ””; zij ziet niet op het eveneens bewezenverklaarde plaatsen van het aldaar weergegeven bericht van 18 mei 2014 op de Facebookpagina ‘ [verdachte] ’.

3.6.2

In lijn met het hiervoor weergegeven onder 3.5.2 uiteengezette kader heeft het Hof ter zake van de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’ overwogen dat de tenlastegelegde uitlatingen op deze Facebookpagina niet afzonderlijk zullen worden beoordeeld, maar in samenhang worden bezien, waarbij ook op zichzelf mogelijk niet-opruiende berichten een rol kunnen spelen omdat zij beogen de aandacht van (potentiële) lezers te trekken en hen tot het ‘volgen’ van de pagina te verleiden. Vervolgens is het Hof ten aanzien van deze Facebookpagina gekomen tot een bewezenverklaring waarin niet de in de tenlastelegging genoemde (categorieën van) berichten afzonderlijk zijn benoemd en bewezenverklaard. Anders dan de steller van het middel meent, heeft het Hof hiermee de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. Uit de hiervoor onder 3.2.3 en 3.2.4 weergegeven bewijsvoering van het Hof blijkt immers op welke door het Hof in de bewijsmiddelen weergegeven berichten zijn – mede op de samenhang en context van die berichten steunende – oordeel dat de Facebookpagina een opruiende inhoud heeft, is gebaseerd. Met uitzondering van het bericht met nummer 107 – dat blijkbaar in de bewijsvoering is opgenomen teneinde de vaststellingen van het Hof omtrent de werkwijze van de redactie te onderbouwen – zijn al deze berichten opgesomd in de tenlastelegging van het bewezenverklaarde feit. Een en ander brengt mee dat het middel faalt voor zover het ervan uitgaat dat de bewezenverklaring onder D betrekking heeft op andere uitingen dan waarop de tenlastelegging doelt.

3.6.3

Wat betreft de Facebookpagina ‘ [naam 3] ’ verdient voorts opmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte vanaf “eerder dan november 2013” – dat wil zeggen gedurende de gehele periode waarin de in de bewijsmiddelen weergegeven berichten op de Facebookpagina zijn geplaatst – een van de redacteuren was van deze pagina, dat hij als redacteur stukken plaatste op deze pagina, dat hij bekend was met de strekking van de pagina en dat hij weet had van het type berichten dat erop stond. Voorts blijkt uit de bewijsvoering, in het bijzonder het hiervoor onder 3.2.3 weergegeven bewijsmiddel 43, dat via deze pagina in de periode van 2 december 2013 tot 28 april 2014 berichten zijn geplaatst die door het Hof – niet onbegrijpelijk – als opruiend zijn aangemerkt, waarbij het mede in aanmerking heeft genomen de steeds op deze pagina terugkerende thema’s, waaronder het ronselen voor de gewelddadige jihad in Syrië, het nieuws over de inzet daarbij van Nederlandse strijders en de verheerlijking van de martelaarsdood en van terroristische aanslagen. Het hierop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte “tezamen en in vereniging met een ander/anderen, althans alleen (...) (een) Facebookbericht(en) [heeft] geplaatst op de (...) Facebookpagina “ [naam 5] ”” – waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat voor zover de verdachte niet zelf zo’n bericht heeft geplaatst, hij als redacteur van de Facebookpagina een bijdrage van voldoende gewicht aan de plaatsing ervan heeft geleverd en hij dus als medepleger kan worden aangemerkt – is niet onbegrijpelijk en ook in het licht van hetgeen namens de verdachte over diens betrokkenheid bij deze pagina is aangevoerd, toereikend gemotiveerd. Ook voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

3.7

Beide middelen falen.

4 Beoordeling van het vijfde middel

4.1

Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting zoals neergelegd in de art. 9 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de weg staan aan de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

4.2

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

(...)

Vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting

Namens de verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting (artikel 9 en 10 EVRM).

Het beroep stuit naar het oordeel van het hof af op artikel 17 EVRM. In de onderhavige zaak is komen vast te staan dat de verdachte de vrijheid van meningsuiting heeft ingezet voor doeleinden die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM: zij hebben, geïnspireerd door religieus fundamentalisme, aangezet tot het meedoen aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin altijd terroristische misdrijven worden gepleegd. Dat kan worden gekwalificeerd als te zijn gericht op de vernietiging van de in het Verdrag beschermde rechten en vrijheden. Daarom ontvalt aan hem al bij voorbaat de bescherming van artikel 9 en 10 EVRM (vergelijk ook EHRC 2017/169. EHRM, 27-6-2017, 343678/14).

Het hof overweegt daarbij nog, dat ook een materiële toets op basis van de artikelen 9 en 10 EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Het EVRM zelf en de beperkingssystematiek van het EVRM brengen dat met zich mee. Volledigheidshalve zal het hof de daaromtrent gemaakte afwegingen hieronder weergeven.

Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op artikel 9 EVRM (godsdienstvrijheid), dat bescherming biedt aan uitingen voor zover zij naar objectieve maatstaven een directe uitdrukking van godsdienst of levensovertuiging vormen. De bewezenverklaarde uitingen die oproepen tot het afreizen naar Syrië en/of het deelnemen aan de gewapende Jihadstrijd – en dus opruien tot terroristische misdrijven dan wel geschriften die daartoe opruien verspreiden – kunnen naar objectieve maatstaven niet worden beschouwd als het directe belijden van een godsdienst.

De verdediging heeft verder bepleit dat het ten laste gelegde handelen wordt beschermd door artikel 10 EVRM. De door de tenlastelegging beoogde strafbepaling dient dan ook buiten toepassing te blijven en de verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof stelt vast dat met de veroordeling van de verdachte ter zake van uitingsdelicten inbreuk wordt gemaakt op het recht van de verdachte op vrije meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, EVRM. Het hof heeft dan ook te onderzoeken of die inbreuk gerechtvaardigd is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM.

Het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling niet in de weg indien zo een veroordeling een op grond van voornoemde verdragsbepaling toegelaten – te weten een bij de wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke – beperking van genoemde vrijheid vormt.

De artikelen 131 en 132 Sr vormen toegankelijke en voorzienbare beperkingen. Gelet op hetgeen de verdachte wist van de strijd in Syrië, nl. dat de gewapende strijdgroepen in Syrië ernstige misdrijven pleegden, zoals moord, doodslag, het teweegbrengen van ontploffingen e.d. met een terroristisch oogmerk, was voor hem voorzienbaar dat (het verspreiden ter) opruiing tot ‘deelname aan de gewapende jihadstrijd’ als strafbaar feit in de zin van deze artikelen zou worden aangemerkt.

De bepalingen moeten worden beschouwd als in het kader van het EVRM toegestane, wettelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting die in een democratische samenleving noodzakelijk is. Uit de Europese jurisprudentie moet worden afgeleid dat “noodzakelijk” inhoudt: een dringende maatschappelijke noodzaak (“pressing social need”) waarbij aan de lidstaten een zekere vrijheid toekomt bij de waardering van die noodzaak. Bij die waardering moet een afweging worden gemaakt tussen het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting (het individuele grondrecht) en het fundamentele belang van bescherming van de democratische (rechts-)staat (het algemene fundamentele maatschappelijke belang) plaatsvinden. Een aanvaardbare beperking van de vrijheid van meningsuiting dient in ieder geval te voldoen aan eisen van proportionaliteit.

Het hof oordeelt dat nu de bewezen verklaarde feiten opruien tot deelname aan de gewapende jihadstrijd – waarvan de betekenis hierboven is weergegeven – in beginsel de Nederlandse democratische rechtsstaat in gevaar is. De terroristische misdrijven die worden gepleegd door degenen die – na te zijn opgeruid – vanuit Nederland uitreizen en deelnemen aan de gewapende jihadstrijd zijn hiervoor al weergegeven en besproken.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de inbreuk op verdachtes recht op haar vrijheid van meningsuiting niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Een veroordeling voor het bewezen verklaarde handelen is naar het oordeel van het hof derhalve niet in strijd met voornoemde verdragsbepaling.

Toetsing aan het grondwettelijk beperkingssysteem leidt tot dezelfde uitkomst.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”

4.3

De voor de beoordeling van het middel relevante verdragsbepalingen – in de Nederlandse vertaling – luiden als volgt:

- art. 9 EVRM:

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in practische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

- art. 10 EVRM:

“1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.”

- art. 17 EVRM:

“Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

4.4

Het Hof heeft geoordeeld dat het beroep van de verdediging op de art. 9 en 10 EVRM afstuit op art. 17 EVRM. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de verdachte de in het EVRM gewaarborgde grondrechten heeft ingezet voor doeleinden – namelijk het aanzetten tot deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië, waarin het plegen van terroristische misdrijven besloten ligt – die overduidelijk in strijd zijn met de geest van het EVRM. In dat oordeel ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat sprake is van een ‘uitzonderlijk en extreem’ geval waarin de uitlatingen of andere informatieverstrekkingen gericht tegen de aan het EVRM ten grondslag liggende waarden de bescherming van de art. 9 en 10 EVRM ontberen op grond van art. 17 EVRM (vgl. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:220, rov. 3.5). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering in zijn geheel inhoudt over de bewezenverklaarde feiten. De stelling dat per uiting van de verdachte moet worden beoordeeld of art. 17 EVRM kan worden ingeroepen, vindt geen steun in rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarvan de inhoud is weergegeven en besproken in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 134 tot en met 136.

4.5

Het middel kan alleen al daarom niet tot cassatie leiden, zodat de tegen het oordeel van het Hof inzake de art. 9 en 10 EVRM gerichte klachten buiten bespreking kunnen blijven.

5 Beoordeling van het zesde middel

5.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

5.2

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden.

6 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en vier maanden beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020.