Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:444

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/05261
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:65
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op een onder klager inbeslaggenomen geldbedrag. Middel over oordeel rb dat belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave inbeslaggenomen geldbedrag. Rb heeft geoordeeld dat uit het strafrechtelijk onderzoek niet naar voren is gekomen dat klager handelde in legale wasmiddelen en dat in de gehele strafrechtelijke procedure klager niet heeft onderbouwd dat het geldbedrag aan hem toebehoort. In de strafzaak is niet beslist over het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan klager teruggave heeft verzocht. HR: Rb is kennelijk ervan uitgegaan dat onder klager ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het in het klaagschrift bedoelde geldbedrag. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. toepasselijke maatstaf of belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave indien beslagene zich beklaagt over voortduring beslag ex art. 94 Sv. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij heeft getoetst of het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05261 B

Datum 17 maart 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 december 2018, nummer RK 18/1261, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.

2.2.1

De rechtbank heeft het klaagschrift, dat onder meer strekt tot teruggave aan de klager van het onder hem inbeslaggenomen geldbedrag van € 14.000, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“Beoordeling

Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na voornoemde inbeslagneming.

De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van het geldbedrag van € 14.000,- en de administratie aan klager. Uit het strafrechtelijk onderzoek is niet naar voren gekomen dat klager handelde in legale wasmiddelen. In de gehele strafrechtelijke procedure heeft klager niet onderbouwd dat het geldbedrag van € 14.000,- aan hem toebehoort. De enkele verklaring van [betrokkene 1], dat het geldbedrag aan klager toebehoort, maakt niet dat het geldbedrag aan klager kan worden teruggegeven. Nu klager onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het geldbedrag aan hem toebehoort, zal het klaagschrift ongegrond worden verklaard. In raadkamer heeft de officier van justitie aangegeven dat de gehele inbeslaggenomen administratie aan klager is teruggegeven. De raadsman heeft aangevoerd dat klager een deel van de inbeslaggenomen administratie nog niet terug heeft. De raadsman kan echter niet onderbouwen welke stukken missen. Gelet hierop is de rechter van oordeel dat het beklag ten aanzien van voornoemde administratie ongegrond dient te worden verklaard.”

2.2.2

Het proces-verbaal van het verhoor in raadkamer van 24 september 2018 houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende in:

“De rechter deelt mee dat het klaagschrift strekt tot opheffing van het op respectievelijk 19 mei 2015 en 25 mei 2015 onder klager gelegd beslag op

(...)

- een geldbedrag van € 14.000,=

(...)

- de administratie Stichting [A],

en de teruggave van deze goederen aan klager.”

2.2.3

Bij de stukken van het geding bevindt zich een afschrift van een onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2018 in de strafzaak tegen de klager. In die uitspraak is niet beslist over het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan de klager de teruggave heeft verzocht.

2.3

De rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat onder de klager op de voet van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) beslag is gelegd op het in het klaagschrift bedoelde geldbedrag. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomen voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Ook verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv. (Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823.)

2.4

Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt niet dat zij heeft getoetst of het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Daarom is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd.

2.5

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld. Dit leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking. De overige klachten tegen de beschikking behoeven geen bespreking.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.