Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:442

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/04377
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1224
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden (art. 282 Sr) en mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd (art. 273f Sr). Heeft hof tot uitdrukking gebracht tot welke strafverlaging de door hof vastgestelde schending van het recht om te worden berecht binnen een redelijke termijn a.b.i. artikel 6.1 EVRM, aanleiding heeft gegeven? Hof heeft verdachte vrijgesproken van de onder 2 en 3 tlgde. feiten en hem t.z.v. 1. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en 4. mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 mnd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. de motivering van de rechter i.g.v. strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM en de toetsing daarvan in cassatie. Hof heeft i.c. tot uitdrukking gebracht dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met de forse schending van de redelijke termijn. Hof heeft echter, gelet op de in h.b. gegeven vrijspraken en het namens verdachte gevoerde verweer over de overschrijding van de redelijke termijn, nagelaten in de uitspraak duidelijk te maken in welke mate de straf is verlaagd wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 18/02101 en 18/02102.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04377

Datum 17 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 mei 2018, nummer 20/000364-13, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof niet tot uitdrukking heeft gebracht tot welke strafverlaging de door het hof vastgestelde schending van het recht om te worden berecht binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), aanleiding heeft gegeven.

3.2.1

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten en hem ter zake van 1. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en 4. mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 38 maanden.

3.2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2018 houdt onder meer het volgende in:

“Na hervatting van het onderzoek, voert de advocaat-generaal het woord tot requisitoir:

(...)

Met de rechtbank kom ik tot een bewezenverklaring van de vier ten laste gelegde feiten. (...)

De eis in eerste aanleg was een gevangenisstraf van 6 jaren en de rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaren. Het tijdsverloop brengt mij nu tot een eis van 3 jaren gevangenisstraf.

Ik vorder derhalve dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder de feiten 1, 2, 3 en 4 (inclusief het onderdeel ‘heeft gedwongen tot het starten met werkzaamheden in de prostitutie) is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.”

3.2.3

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2018 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

“Redelijke termijn

Vonnis van 30 januari 2013. Eerste regiezitting 30 januari 2014.

Inhoudelijke behandeling 25 april 2018. Ruim vier jaar later. Schending artikel 6 EVRM.”

3.2.4

De strafoplegging is, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd:

“Het hof houdt voorts rekening met de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, welke bij de strafvervolging van verdachte in hoger beroep fors is geschonden. Ondanks dat door de verdediging in hoger beroep is verzocht om het horen van zich in het buitenland bevindende getuigen en die onderzoekswens aan de termijnoverschrijding heeft bijgedragen, kan die overschrijding niet geheel op het conto van de verdediging worden geschoven. Gelet hierop, zal het hof thans volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden, met aftrek van voorarrest.”

3.3

Met het oog op de door de Hoge Raad uit te oefenen controle behoort de rechter in geval van strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, in zijn uitspraak te vermelden welke straf zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, dan wel dat anderszins voldoende duidelijk blijkt op welke wijze de rechter de overschrijding van de redelijke termijn in de bestraffing heeft verdisconteerd. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.)

3.4

Het hof heeft in de hiervoor onder 3.2.4 weergegeven overweging tot uitdrukking gebracht dat bij de strafoplegging rekening is gehouden met de forse schending van de redelijke termijn. Het hof heeft echter, gelet op de in hoger beroep gegeven vrijspraken en het namens de verdachte gevoerde verweer over de overschrijding van de redelijke termijn, nagelaten in de uitspraak duidelijk te maken in welke mate de straf is verlaagd wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

3.5

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2020.