Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:44

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
18/01333
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1016
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:889
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bedreiging met o.m. enig misdrijf tegen het leven gericht, art. 285.1 Sr, door opzettelijk dreigend teksten en foto’s per e-mail te sturen naar A. Bedreiging a.b.i. art. 285.1 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2005:AT3659 en ECLI:NL:HR:1984:AC8252 m.b.t. vereisten voor veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hof heeft vastgesteld dat blijkens de inhoud van de door verdachte gestuurde berichten en foto’s sprake was van “een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven”, dat A de politie daarvan op de hoogte heeft gesteld waarbij “de politie de e-mails en de foto’s van de verdachte zeer serieus heeft genomen” en de politie een observatieteam heeft ingeschakeld. Hof heeft voorts, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, geoordeeld dat verdachte, gelet op de zeer dreigende inhoud van de berichten en foto’s, bewust de minst genomen aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat A met die berichten en foto’s naar de politie zou gaan. ‘s Hofs oordeel dat verdachte “iedere politieagent die bij de verdachte komt” heeft bedreigd op de wijze als bewezenverklaard, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘bedreiging’ a.b.i. art. 285 Sr en is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte zijn berichten, met foto’s, niet rechtstreeks naar de politie heeft verzonden en dat tevoren niet vaststaat welke bepaalde politieagenten naar de woning zouden komen, maakt dat niet anders. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2020/66
RvdW 2020/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01333

Datum 21 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2018, nummer 23/004178-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C. Grijsen, advocaat te Almere, en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Procureur-Generaal J. Silvis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe C. Grijsen heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1

Het middel richt zich tegen de onder 1 bewezenverklaarde bedreiging als bedoeld in art. 285, eerste lid, Sr.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

“1:

hij op 3 februari 2015 te Amsterdam iedere politieagent die bij verdachte komt heeft bedreigd met:

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen ontstaat, en

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en

- brandstichting,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend teksten en foto's per e-mailbericht naar [getuige] verzonden, te weten:

“Maar jullie kunnen mij niet uitlokken want ik zit in mijn bunker met 15 liter benzine en twee butaan gasflessen van 50 liter per stuk. Iedere huurmoordenaar en politieagent zal worden opgeblazen die hier komt.”,

“[getuige], Thet wanna fuck with me? They fucking with the best. I take them all to fucking hell. Who? Me! That's who. Ik zal het complete gebouw opblazen wanneer ik maar één verdacht persoon of politieagent zie. Ik heb een gijzelaar en ze kunnen die jongen terugkrijgen wanneer ik een miljoen euro krijg en de liquidatieopdracht is ingetrokken. [betrokkene 1] heeft mij een Uzi gebracht en [betrokkene 2] twee handgranaten. Jij gaat de politie geen informatie geven dat ik bezig ben met mijzelf verdedigen en met een 'schoonmaak' en [betrokkene 3] kan dat beter ook niet doen. Ik ga iedereen in dit conflict vermoorden en daarna ga ik mijzelf en het gebouw opblazen.”,

“Politie bellen is zinloos. Ik heb mij al verplaatst maar het gebouw is één boobytrap. Wanneer jij de politie informeert heb jij een explosie veroorzaakt.”,

een foto met daarop afgebeeld een bed met daarop liggend een paspop afgedekt met een jas, en

twee foto's met daarop afgebeeld twee gasflessen aan elkaar verbonden door een elektriciteitssnoer met daaraan gekoppeld een mobiele telefoon, geplaatst voor een voordeur,

terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is geschied.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in de aanvulling verkort vonnis waarvan beroep, met aanvulling van het bewijsmiddel, inhoudende de verklaring van de verdachte op 4 februari 2015, pagina’s 32 en 33:

V: Zoals je weet kregen wij een melding dat je iemand gegijzeld zou hebben. Via de mail [e-mailadres 1] had jij dit aangegeven aan [getuige]. Wat kan je hierover verklaren?

A: Ik ben gisteren weer teruggegaan naar mijn woning. Toen heb ik die mail verzonden. Ik had die pop mijn kleren aangetrokken (het hof begrijpt: de pop zoals afgebeeld op de foto in de bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 4 februari 2015).

V: Waarom heb je die foto van die paspop genomen?

A: Wij hebben de pop gefotografeerd.

V: En die foto van die gasflessen?

A: Ook genomen om haar te stangen.

V: Waarom had jij gezegd dat je iemand had gegijzeld.

A: Ik wilde gewoon treiteren.

V: Ook had jij gezegd dat jij de beschikking had over een UZI en twee handgranaten.

A: Ja.

Aanvullende opmerking.

Het hof begrijpt dat met de “foto van de gasflessen” als vermeld in de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte van 4 februari 2015 worden bedoeld de twee foto’s die zijn opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 4 februari 2015.”

2.2.3

De door het Hof overgenomen bewijsmiddelen van de Rechtbank luiden:

“Een geschrift zijnde een verhoor van getuige [getuige] van 4 februari 2015, opgemaakt door opsporingsambtenaren T-357 en T-035 doorgenummerde pag. 1 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven verklaring van [getuige]:

Vanavond heb ik [verdachte] voor het laatst gezien. Hij was opgefokt en agressief, niet naar mij toe maar naar de mensen die volgens hem achter hem aanzitten.

Ik heb hem in het najaar nog met een revolver gezien. Via de mail heeft hij mij vanavond verteld dat hij de beschikking heeft over een uzi en twee handgranaten. De handgranaten zou hij van [betrokkene 2] hebben gekregen en een uzi van iemand anders, verder heeft hij nog een wapen gekregen van [betrokkene 4], dat is een junkie. Zijn email adres is [e-mailadres 1]

Hij vertelde ook via de mail dat hij vanavond een jonge jongen heeft gegijzeld in zijn woning aan de [a-straat 1]. Daarna kreeg ik weer een mailtje een paar minuten later dat de jongen al in een loods zou zitten de jongen, 16 jaar, zou het broertje zijn van de opdrachtgever van de liquidatie op hem. Ik heb vanavond ook 2 foto’s gekregen van de voordeur van de [a-straat] waarop twee gasflessen staan met daaraan een mobiele telefoon eraan vast gemaakt. Hij zegt dat hij de deur van de woning heeft gebarricadeerd met een boxspring en er zit een dwarsbalk voor.

Hij zei dat hij met een telefoontje de boel kon opblazen. Ik heb ook een foto gestuurd gekregen van een persoon op een bed, ik zie dat dat in zijn slaapkamer aan de [a-straat] is. Hij zou de jongen ook mishandeld hebben, hij heeft mij dat gezegd in een telefoongesprek.

[betrokkene 2] of [betrokkene 5] is zijn mede ontvoerder zegt hij. [verdachte] heeft gezegd dat hij 1 miljoen euro voor de jongen wil, dat staat in een verzonden email van hem naar mij. Hij wil dat de doodsbedreiging op hem stopt. Als er iemand binnen komt, politie, kinderen, parkieten, dan gaan ze er aan.

Hij maakte op mij vanaf vanmorgen een paranoïde indruk.

Een geschrift zijnde een emailberichten van [e-mailadres 1] aan [e-mailadres 2] van 3 februari 2015, doorgenummerde pag. 6 e.v., inhoudende de zakelijk weergegeven emailberichten:

“Politie bellen is zinloos. Ik heb mij al verplaatst maar het gebouw is één boobytrap. Wanneer jij de politie informeert heb jij een explosie veroorzaakt.”

“Die foto heeft zijn familie nu. Die jongen is overgebracht naar een loods. Ik snij hem in stukken wanneer ze de liquidatie opdracht niet intrekken.”

“Ik zal het complete gebouw opblazen wanneer ik maar één verdacht persoon of één politieagent zie. Ik heb een gijzelaar en ze kunnen die jongen terugkrijgen wanneer ik een miljoen euro krijg en de liquidatieopdracht is ingetrokken. [betrokkene 1] heeft mij een Uzi gebracht en [betrokkene 2] twee handgranaten. Jij gaat de politie geen informatie geven dat ik bezig ben met mijzelf verdedigen en met een ‘schoonmaak’. Ik ga iedereen in dit conflict vermoorden en daarna ga ik mijzelf en het gebouw opblazen.”

“Jullie kunnen mij niet uitlokken want ik zit in mijn bunker met 15 liter benzine en twee butaan gasflessen van 50 liter per stuk. Iedere huurmoordenaar en politieagent zal worden opgeblazen die hier komt. Maar ik ga ook achter iedereen aan die mij wil liquideren en uitlokken”.”

2.2.4

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts onder meer het volgende overwogen:

“3. Oordeel van het hof ten aanzien van feit 1

3.1

Voorwaardelijk opzet

De verdachte heeft e-mailberichten met een zeer indringende inhoud naar [getuige] gestuurd waarin hij deed voorkomen dat hij een jongen in zijn woning gegijzeld hield. Tevens heeft de verdachte foto’s naar [getuige] gestuurd met een - naar achteraf is gebleken - in scène gezette gijzeling en ‘boobytrap’, kennelijk om de inhoud van zijn e-mails kracht bij te zetten. Gelet op de aard en de inhoud van de e-mails in combinatie met hetgeen op de foto’s is afgebeeld, is naar het oordeel van het hof sprake van een minst genomen aanmerkelijke kans dat [getuige] hiermee naar de politie zou gaan. De omstandigheid dat de verdachte in zijn e-mails aan [getuige] (meermaals) tegen haar heeft gezegd dat zij niet naar de politie moest gaan, duidt op wetenschap van die aanmerkelijke kans bij de verdachte. Dat de verdachte [getuige] met deze bewoordingen lijkt te ontmoedigen om naar aanleiding van zijn mededelingen contact op te nemen met de politie, doet niets af aan deze kans. Integendeel, in het licht van de zeer dreigende inhoud van de berichten en de foto’s kan bezwaarlijk worden betoogd dat [getuige] aan deze ontmoedigende opmerkingen van de verdachte redelijkerwijs gehoor zou geven. Dit gegeven leidt voorts tot de slotsom dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [getuige] de politie zou benaderen tevens bewust heeft aanvaard. Dat de e-mails en foto’s slechts zouden zijn bedoeld als ‘geintje’, zoals de verdachte heeft verklaard, komt op geen enkele wijze in de inhoud daarvan tot uitdrukking, noch in de opdringerige wijze waarop de verdachte zich tot [getuige] heeft gericht.

3.2

Redelijke vrees

De raadsman heeft betoogd dat, gelet op de algemene woordkeuze van de uitlatingen van de verdachte (zoals: ‘iedere politieagent’) en de omstandigheid dat de uitlatingen niet direct door de verdachte tegen de politie zijn geuit, bij de politie niet de redelijke vrees heeft kunnen ontstaan dat een politieambtenaar het leven zouden kunnen verliezen. Uit het gegeven dat de politie niet direct heeft ingegrepen, blijkt naar het oordeel van de raadsman voorts dat bij de politie daadwerkelijk geen redelijke vrees is ontstaan.

Het hof volgt de raadsman niet in dat standpunt. Gelet op de inhoud van de berichten - te weten: dat [getuige] een explosie veroorzaakt indien zij de politie informeert, iedere politieagent die naar de woning van de verdachte komt zal worden ‘opgeblazen’ en dat hij ‘de boel’ met één telefoontje kan opblazen - alsmede de foto’s met daarop afgebeeld de voordeur van de verdachte met daaraan vastgemaakt twee gasflessen waaraan een mobiele telefoon is verbonden, is sprake van een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven. De omstandigheid dat de politie alvorens de woning te betreden en de verdachte aan te houden een observatieteam heeft ingeschakeld om de woning onder controle te houden, duidt er op dat door de politie ook uiterste voorzichtigheid is betracht. Hieruit volgt dat de politie de e-mails en de foto’s van de verdachte zeer serieus heeft genomen. De opvatting dat uit dit beheerste optreden ook maar enigszins kan worden afgeleid dat de politie de ernst van de dreigingen afkomstig van de verdachte heeft gerelativeerd, is naar het oordeel van het hof volstrekt speculatief.

Voor zover de raadsman heeft beoogd te betogen dat geen sprake kan zijn geweest van een bedreiging, op de grond dat niet blijkt dat de politie zich daadwerkelijk door de uitlatingen van de verdachte bedreigd voelde, geldt dat die stelling geen steun vindt in het recht.

Het hof verwerpt in zoverre de verweren. Wel is het hof met de raadsman van oordeel dat de bedreiging van anderen dan politieambtenaren niet bewezen kan worden, nu, voor zover het [getuige] betreft, de bedreigende woorden niet tegen haar zijn gericht en de overige in de tenlastelegging genoemde personen niet op de hoogte zijn geraakt van de bedreigingen.”

2.3

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252).

2.4.1

Het Hof heeft, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat blijkens de inhoud van de door de verdachte aan [getuige] gestuurde berichten en foto’s sprake was van “een voldoende concrete dreiging met een explosie gericht aan de agenten die zich naar de woning van de verdachte zouden begeven”, dat [getuige] de politie daarvan op de hoogte heeft gesteld waarbij “de politie de e-mails en de foto’s van de verdachte zeer serieus heeft genomen” en de politie een observatieteam heeft ingeschakeld. Het Hof heeft voorts, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, geoordeeld dat de verdachte, gelet op de zeer dreigende inhoud van de berichten en foto’s, bewust de minst genomen aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [getuige] met die berichten en foto’s naar de politie zou gaan.

2.4.2

Gelet hierop en in aanmerking genomen wat onder 2.3 is vooropgesteld, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte “iedere politieagent die bij de verdachte komt” heeft bedreigd op de wijze als bewezenverklaard, niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip ‘bedreiging’ als bedoeld in art. 285 Sr en is het niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte zijn berichten, met foto’s, niet rechtstreeks naar de politie heeft verzonden en dat tevoren niet vaststaat welke bepaalde politieagenten naar de woning zouden komen, maakt dat niet anders.

2.5

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.6

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2

Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden en de taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2020.