Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:418

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
19/00525
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1318, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:4571, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vervolg van HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484. Ontslag op staande voet, door kantonrechter en hof rechtsgeldig geoordeeld; na cassatie en verwijzing oordeelt verwijzingshof dat ontslag onterecht was en veroordeelt het de werkgever tot herstel arbeidsovereenkomst per datum ontslag. Kan daarbij ook veroordeling uitgesproken worden tot betaling van loon vanaf die datum? Art. 7:683 lid 3 en 4 BW en art. 7:682 lid 6 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0324
NJB 2020/772
JAR 2020/89
RvdW 2020/376
NJ 2020/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/00525

Datum 13 maart 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

DRÄGER NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Zoetermeer,

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de werkgever,

advocaat: H.J.W. Alt,

tegen

[de werknemer],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep,

hierna: de werknemer,

advocaat: S.F. Sagel.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

  1. zijn beschikking in de zaak 17/01642, ECLI:NL:HR:2018:484, van 30 maart 2018;

  2. de beschikking in de zaak 200.240.592/01 van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2018.

De werkgever heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.

De werknemer heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en tot vernietiging van de beschikking ten aanzien van de afwijzing van de loonvordering, met afdoening als in de conclusie vermeld.

De advocaat van de werkgever heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De werknemer is in 1991 in dienst getreden bij de werkgever als magazijnbeheerder/bediende.

(ii) De regeling alcohol- en drugsbeleid van de werkgever houdt onder meer in dat werknemers voor aanvang en tijdens het werk niet onder invloed van alcohol mogen verkeren.

(iii) In 2015 heeft de werknemer een waarschuwing gekregen omdat hij onder invloed van alcohol op zijn werk was verschenen. Toen hij op 17 maart 2016 weer onder invloed op zijn werk verscheen, is hij die dag op staande voet ontslagen.

2.2

In dit geding verzoekt de werknemer voor recht te verklaren dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging en dat hij geen dringende reden voor ontslag heeft gegeven. Voorts verzoekt hij de opzegging te vernietigen en de werkgever te veroordelen tot onder meer doorbetaling van loon. Subsidiair verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding van
€ 40.000,-- en een transitievergoeding van € 41.215,--.

2.3

De kantonrechter heeft de verzoeken afgewezen. Volgens de kantonrechter is sprake van een dringende reden en van ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer. Het gerechtshof Den Haag heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. De beschikking van het hof is door de Hoge Raad vernietigd.1 De zaak is daarbij verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

2.4

In de thans bestreden beschikking heeft het hof de beschikking van de kantonrechter vernietigd en de werkgever veroordeeld de arbeidsovereenkomst met de werknemer per
17 maart 2016 (de datum van het ontslag) te herstellen.2 Voor zover in cassatie van belang heeft het hof als volgt overwogen:

“3.14 [De werknemer] heeft tevens verzocht [de werkgever] te veroordelen tot betaling van loon, vakantietoeslag en overige toeslagen en emolumenten, te verhogen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Deze vorderingen zijn in hoger beroep niet toewijsbaar. De veroordeling van [de werkgever] tot herstel van de arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat [de werkgever] tot herstel dient over te gaan. [De werknemer] kan eerst na dat herstel aanspraak maken op loon, vakantietoeslag en overige toeslagen en emolumenten.”

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1 Onderdeel 2 van het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof in rov. 3.14 heeft geoordeeld dat de rechter die een werkgever veroordeelt een arbeidsovereenkomst te herstellen, geen veroordeling tot betaling van loon kan uitspreken zolang de werkgever de arbeidsovereenkomst niet daadwerkelijk heeft hersteld. Onderdeel 1, dat van een andere lezing uitgaat, mist dus feitelijke grondslag.

4.1.2 Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 3.14 heeft miskend dat de rechter die een arbeidsovereenkomst niet zelf herstelt, maar de werkgever veroordeelt tot herstel daarvan tegen een datum in het verleden, een dergelijke veroordeling tot herstel gepaard kan doen gaan met een veroordeling tot betaling van het verschuldigde loon, vermeerderd met emolumenten, met ingang van de datum in het verleden waartegen herstel wordt bevolen.

4.1.3 Op grond van art. 7:683 lid 3 BW kan de rechter, indien hij in hoger beroep of na cassatie en verwijzing oordeelt dat een verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is toegewezen of dat een verzoek van de werknemer om vernietiging van een opzegging of om herstel van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen, de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. Op grond van art. 7:683 lid 4 BW in verbinding met art. 7:682 lid 6 BW bepaalt de rechter in een dergelijk geval op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst wordt hersteld en treft hij voorzieningen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Indien de rechter ervoor kiest om niet zelf de arbeidsovereenkomst te herstellen, maar om de werkgever te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, kan hij, indien de werknemer daarom verzoekt, in dezelfde uitspraak de werkgever veroordelen tot betaling van het na herstel verschuldigde loon (alsmede tot betaling van vakantietoeslag, overige toeslagen en emolumenten, de wettelijke verhoging en wettelijke rente) vanaf de datum met ingang waarvan de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld.

4.1.4 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Onderdeel 2 slaagt dus.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt Dräger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 404,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2018;

- wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Dräger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident E.J. Numann op 13 maart 2020.

1 HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484.

2 Gerechtshof Amsterdam 11 december 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4571.