Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:417

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
18/04213
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:919, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:2248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Afwikkeling van periodiek verrekenbeding na echtscheiding (art. 1:141 BW en art. 1:136 BW). Wijze van begroting van te verrekenen bedragen. Uitleg van verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden in verband met aanspraak uit stamrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/769
PFR-Updates.nl 2020-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/04213

Datum 13 maart 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: de man,

advocaat: J. van Duijvendijk-Brand,

tegen

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: de vrouw,

advocaat: C.G.A. van Stratum.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de beschikkingen in de zaak C/15/181934/FA RK 11-1831 en C/15/181983/FA RK 11-1850 van de rechtbank Noord-Holland van 27 september 2011, 20 december 2011, 31 januari 2012, 17 april 2012 en 30 september 2015;

  2. de beschikkingen en beslissing in de zaak 200.182.892/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 november 2016, 1 augustus 2017, 3 juli 2018 en 3 juli 2018 (beslissing).

[de man] heeft tegen de beschikkingen en beslissing van het hof beroep in cassatie ingesteld.

[de vrouw] heeft deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt in het principaal cassatieberoep tot verwerping en in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan

(i) De man en de vrouw zijn op 13 oktober 1990 met elkaar getrouwd. In de door hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

Artikel 1

De echtgenoten zijn gehuwd in gemeenschap van inboedel; elke andere gemeenschap van goederen is tussen hen uitgesloten. (…)

Artikel 6

Echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar. (…)

Artikel 8

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, (…) worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; (…)

2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen (…)

Artikel 11

De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 8, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (…)”

(ii) De staat van aanbrengsten, die onderdeel is van de akte van huwelijksvoorwaarden, luidt als volgt:

“Door [de vrouw] wordt ten huwelijk aangebracht:

Het compleet door haar te (…) uitgeoefende manegebedrijf met de daarbij behorende onroerende en roerende goederen, liquiditeiten, vordering en schulden. De roerende goederen liquiditeiten, vorderingen en schulden zijn de navolgende:

(…)

Voorts de navolgende schulden:

Een hypothecaire geldlening ten behoeve van de Westland Utrecht Hypotheekbank pro resto f 150.000,-;

Een geldlening van [de moeder van de vrouw] groot f 60.000,-;

Een geldlening van [de moeder van de man] groot f 115.000,-.”

(iii) De vrouw is eigenaar van een onroerende zaak (hierna: de onroerende zaak). Het manegebedrijf van de vrouw is aldaar gevestigd. De onroerende zaak omvatte op 31 december 2009 naast bedrijfsmatige opstallen een woning (zijnde de voormalige echtelijke woning) en een garage inclusief studiowoning.

(iv) In de periode van 13 oktober 1990 (de huwelijksdatum) tot 26 juni 1997 is een bedrag van ƒ 60.000,-- (€ 27.227,--) afgelost op de hiervoor onder (ii) genoemde schuld aan de moeder van de vrouw, en een bedrag van (afgerond) ƒ 17.000,-- (€ 7.716,--) op de hiervoor onder (ii) genoemde schuld aan de moeder van de man, dus in totaal € 34.943,--. Beide leningen zijn vóór het huwelijk door de vrouw aangegaan ten behoeve van de aankoop en de voorafgaand aan het huwelijk verrichte verbouwingen van de onroerende zaak.

(v) In 1997 is een drietal hypothecaire geldleningen afgesloten bij ABN AMRO, waarmee de hiervoor onder (ii) genoemde hypothecaire geldlening van Westland Utrecht Hypotheekbank van ƒ 150.000,-- (€ 68.067,--) en de restantschuld aan de moeder van de man van ƒ 98.000,-- zijn afgelost. De hypothecaire geldleningen bij ABN AMRO zijn de volgende:

(1) ƒ 200.000,-- (€ 90.756,--) spaarhypotheek op naam van de man, waarvan het saldo op 31 december 2009 € 43.672,-- bedroeg;

(2) ƒ 200.000,-- (€ 90.756,--) meegroeihypotheek op naam van de vrouw, waaraan een ‘meegroei-vrijpolis’ op naam van de man en de vrouw is verbonden, waarvan het saldo op 31 december 2009 € 12.929,-- bedroeg;

(3) ƒ 100.000,-- (€ 45.378,--) aflossingsvrije hypotheek op naam van de vrouw.

(vi) Tijdens het huwelijk is de onroerende zaak drie keer verbouwd.

(vii) De man is tot 1 juli 2002 in dienst geweest van een werkgever. Sinds 1 juli 2002 is de man in dienst van een op 10 maart 1994 opgerichte besloten vennootschap (hierna: de B.V.) waarvan hij directeur/grootaandeelhouder is. Bij het einde van zijn dienstbetrekking bij zijn werkgever heeft de man een schadeloosstelling wegens te derven inkomsten ontvangen, die hij door die werkgever heeft laten storten in de B.V. Op de balans van de B.V. per 31 december 2009 stond een voorziening voor stamrechtverplichtingen van € 74.427,-- voor de man.

(viii) In 2002 heeft de vrouw uit hoofde van geldlening een bedrag van € 107.275,-- van de B.V. ontvangen. Tijdens het huwelijk is niet op deze lening afgelost. Na 31 december 2009 heeft de vrouw het gehele bedrag van deze schuld aan de B.V. voldaan.

(ix) Tijdens het huwelijk van partijen heeft geen verrekening van overgespaard inkomen plaatsgevonden.

(x) De rechtbank heeft de door de vrouw verzochte echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 oktober 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.1.2

Dit geding ziet op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder de afwikkeling van het hiervoor in 2.1.1 onder (i) genoemde verrekenbeding van overgespaard inkomen (art. 11 van de huwelijkse voorwaarden).

De man verzoekt onder meer vaststelling en betaling van het bedrag dat de vrouw uit hoofde van de verrekening van overgespaard inkomen aan hem schuldig is.

De vrouw verzoekt onder meer om uitkering van de helft van het in de B.V. opgebouwde stamrecht van de man.

2.2.1

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald – nadat partijen op dit punt overeenstemming hadden bereikt – dat 31 december 2009 geldt als peildatum voor de omvang en de waarde van het te verrekenen vermogen.

2.2.2

In haar eindbeschikking heeft de rechtbank de bedragen vastgesteld die partijen uit hoofde van verrekening aan elkaar verschuldigd zijn, en beslist dat de vrouw per saldo € 72.762,-- (in hoofdsom) aan de man moet betalen.

2.3.1

In zijn tussenbeschikking van 8 november 2016 heeft het hof met betrekking tot de onroerende zaak het volgende vooropgesteld:

“4.7. (…)

In zijn arrest van 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4387, heeft de Hoge Raad uiteengezet dat geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang de in het verrekentijdvak verrichte belegging van overgespaarde maar niet verrekende inkomsten betrekking heeft op nieuw verworven goederen, dan wel – zoals in het geval van [de onroerende zaak] – reeds voor het huwelijk verworven goederen. Dit geldt op overeenkomstige wijze indien ten laste van te verrekenen inkomsten niet de verwerving maar de verbetering van een aan een der echtgenoten toebehorend goed gefinancierd wordt, indien die verbetering een waardevermeerdering van het goed ten gevolge heeft en derhalve leidt tot extra vermogensvorming, zoals bij een ingrijpende verbouwing van een onroerende zaak.

Indien voor de verwerving of de verbouwing van een aan een der echtgenoten toebehorende woning een hypothecaire lening is aangegaan en in verband daarmee tevens een kapitaalverzekering is gesloten die ertoe strekt om (te zijner tijd) met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire lening af te lossen, dient betaling van verzekeringspremies uit overgespaarde inkomsten gelijkgesteld te worden met aflossing van de hypothecaire schuld. Dat brengt met zich dat de waarde die de polis op de peildatum heeft in die zin in de verrekening wordt betrokken, dat de hypothecaire lening waarmee de verwerving of de verbouwing is gefinancierd, geacht wordt met dat bedrag te zijn afgelost uit overgespaarde inkomsten. De andere echtgenoot heeft dan ook op de voet van artikel 1:136 lid 1 BW in evenredigheid met dat bedrag aanspraak op verrekening van de waarde(stijging) van de woning, aldus nog steeds de Hoge Raad.

In de zaak waar dit arrest op ziet was uitsluitend de verrekening van de met overgespaard inkomen gefinancierde polis aan de orde. De Hoge Raad heeft daarover beslist dat het bedrag dat tussen partijen moet worden verrekend, kan worden bepaald door de waarde van de kapitaalverzekering op de peildatum te delen door het totaalbedrag dat gevormd wordt door de waarde van de woning voor de verbouwing en het bedrag van de hypothecaire lening waarmee de verbouwing is gefinancierd, en het resultaat daarvan te vermenigvuldigen met de waarde van de woning op de peildatum.

4.8.

Tijdens het huwelijk heeft een drietal verbouwingen plaatsgevonden, zijn (hypothecaire) leningen afgelost en andere (hypothecaire) leningen afgesloten, is – voor zover van belang – rente betaald voor zover de (hypothecaire) geldleningen betrekking hebben op het bedrijfsmatige deel van [de onroerende zaak] (hierna: de rente) en heeft waarde-opbouw van polissen plaatsgevonden. Volgens vaste rechtspraak geldt de hiervoor geciteerde rekenmethodiek (in beginsel) tevens voor uit overgespaard inkomen gefinancierde verbouwingen, aflossingen en – mogelijk – rentebetalingen op een hypothecaire geldlening voor zover deze geen betrekking heeft op de echtelijke woning. Kort gezegd komt deze rekenmethodiek neer op: de investering uit overgespaard inkomen gedeeld door de totale investeringen, vermenigvuldigd met de waarde.

4.9.

De vrouw stelt dat de waarde van de polissen, de aflossingen en de rente niet in de verrekening dienen te worden betrokken. Zij voert daartoe het volgende aan. De premies, aflossingen en rente zijn niet voldaan uit overgespaard inkomen. De premies en aflossingen zijn steeds door de B.V. voldaan. De rente is aanvankelijk eveneens door de B.V. voldaan, en daarna door haarzelf, omdat de rente sindsdien in de jaarstukken van de manege is verwerkt als een bedrijfslast, zoals blijkt uit de jaarstukken 2008 van de manege en haar fiscaal rapport, waarnaar zij verwijst. Subsidiair is de vrouw van mening dat op de rente niet de beleggingsleer van toepassing is en hooguit de B.V. een nominale vordering op de manege heeft.

De man heeft daar tegenover aangevoerd dat de aflossingen aan [de moeder van de vrouw] en [de moeder van de man] rechtstreeks van zijn privérekening zijn voldaan. De rente en premies werden door de B.V. betaald, waarna de daarbij betrokken bedragen werden bijgeboekt in de rekening-courantschuld van de man aan de B.V. De man heeft maandelijks van zijn privérekening, waarop zijn salaris werd gestort, een bedrag aan de B.V. overgemaakt teneinde de door de betalingen ontstane schuld af te lossen. Ter zitting in hoger beroep heeft de man uiteengezet dat de betaling aan ABN Amro op deze wijze plaatsvond, omdat de bank wenste dat betaling zou geschieden vanaf een rekening bij ABN Amro en de B.V. over een rekening bij ABN Amro beschikte. Ter onderbouwing heeft de man een aantal bankafschriften in het geding gebracht.

4.10.

De vrouw heeft hier tegenover onvoldoende gesteld om haar in haar standpunt te volgen dat de premies, aflossingen en rente niet zijn voldaan uit overgespaard inkomen. Evenmin volgt het hof de vrouw in haar standpunt dat op de rente niet de beleggingsleer van toepassing is. De aanschaf en de verbouwingen van [de onroerende zaak] zouden niet mogelijk zijn geweest zonder dat daartoe (hypothecaire) leningen zijn afgesloten waarover rente verschuldigd is. Aldus heeft de betaalde rente bijgedragen aan de waardevermeerdering. De rente ter zake van het bedrijfsmatige deel van [de onroerende zaak] is derhalve, evenals de verbouwingen en aflossingen, te beschouwen als investering in [de onroerende zaak].

Zoals door de Hoge Raad in het hiervoor besproken arrest beslist, dient betaling van verzekeringspremies uit overgespaard inkomen gelijkgesteld te worden met aflossing van de hypothecaire schuld. De polissen dienen derhalve in de verrekening te worden betrokken.

4.11.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de zakelijke opstallen niet mogen worden betrokken in de verrekening, omdat uitsluitend voor de verbouwing van de bedrijfswoning (het hof begrijpt: overgespaard) inkomen is aangewend. Het hof maakt uit de stukken in het dossier op dat [de onroerende zaak] ten tijde van het huwelijk bestond uit een aantal zakelijke opstallen en een dagverblijf, en dat bij de drie verbouwingen niet alleen de woning, maar ook een aantal andere bedrijfsmatige opstallen is toegevoegd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt uit het dossier niet op te maken welke aan de diverse verbouwingen uitgegeven bedragen op de woning respectievelijk de bedrijfsmatige opstallen betrekking hebben. Daarbij komt dat ook de aflossingen en premies zijn voldaan uit overgespaard inkomen. Het hof volgt de vrouw daarom niet in haar standpunt.

De vrouw heeft tenslotte betoogd dat het merendeel van de met de verbouwingen gemoeide kosten is voldaan uit de (hypothecaire) leningen. Het hof zal dit betoog hierna bij de kosten van de verbouwingen bespreken.”

2.3.2

Vervolgens heeft het hof, teneinde het bedrag te kunnen vaststellen dat de man uit hoofde van verrekening toekomt, vijf tijdstippen onderscheiden, te weten: (i) de huwelijkssluiting (13 oktober 1990), (ii) de eerste verbouwing (1992/1993), (iii) de tweede verbouwing (1997), (iv) de derde verbouwing (2002/2003), en (v) de peildatum (31 december 2009). (rov. 4.12)

Naar het oordeel van het hof dient een berekening te worden gemaakt om vast te stellen welk bedrag uit overgespaard inkomen is geïnvesteerd in de onroerende zaak in elk van de tijdvakken die zijn gelegen tussen de huwelijkssluiting en de peildatum. De geïnvesteerde bedragen moeten vervolgens worden gerelateerd aan de waarde van de onroerende zaak in het relevante tijdvak. Aan de man komt uiteindelijk de helft toe van de waarde van de investering uit overgespaard inkomen op de peildatum. (rov. 4.13)

2.3.3

Met betrekking tot het stamrecht van de man heeft het hof in zijn tussenbeschikking van 8 november 2016 als volgt overwogen:

“4.21. (…) De man is van mening dat zijn stamrecht niet voor verrekening in aanmerking komt. Daartoe voert hij primair aan dat de ontslagvergoeding is verknocht en niet in de gemeenschap valt. Subsidiair kan de ontbindingsvergoeding niet als overgespaard inkomen worden aangemerkt. De man verwijst daartoe naar de stamrechtovereenkomst. Door de constructie van het onderbrengen van de ontbindingsvergoeding in de B.V. dient niet de ontbindingsvergoeding, maar de toekomstige (periodieke) uitkering als inkomen te worden aangemerkt. Het onderbrengen van de ontbindingsvergoeding in de B.V. kan op één lijn worden gesteld met het betalen van pensioenpremie door de werkgever. In artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat het netto inkomen voor verrekening in aanmerking komt. Er is dan ook pas sprake van verrekenbaar (netto) inkomen zodra het stamrecht tot uitkering komt. Daarvan is nog geen sprake.

(…)

4.22.

Met betrekking tot het stamrecht van de man stelt de vrouw dat dit wel in de verrekening dient te worden betrokken. (…)

4.23.

Met uitzondering van de inboedel zijn partijen niet in enige gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Het primaire standpunt van de man met betrekking tot zijn stamrecht kan daarom niet slagen. Het hof stelt vast dat de man tot de peildatum geen periodieke uitkering uit de B.V. heeft ontvangen. Gelet op artikel 11 juncto 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden is het stamrecht derhalve niet aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt. Het hof volgt het standpunt van de man dat eerst sprake kan zijn van verrekenbaar inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden nadat het stamrecht tot uitkering is gekomen.”

2.3.4

Nadat een door het hof benoemde deskundige zijn rapport had uitgebracht, heeft het hof in zijn eindbeschikking, voor zover in cassatie van belang, de eindbeschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en het per saldo door de vrouw aan de man uit hoofde van verrekening te betalen bedrag bepaald op € 82.512,-- (in hoofdsom).

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

Klacht I van het middel keert zich met een reeks klachten tegen de door het hof in zijn tussenbeschikking vooropgestelde uitgangspunten en de door het hof in die tussenbeschikking gevolgde wijze van berekening van het bedrag dat de man uit hoofde van verrekening toekomt, een en ander zoals hiervoor in 2.3.1-2.3.2 weergegeven. De klachten voeren onder meer aan dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan door de Hoge Raad ontwikkelde regels voor de vaststelling van de omvang van de vermogensvermeerdering die is ontstaan door belegging van overgespaard inkomen, dan wel die regels onjuist heeft toegepast. Meer in het bijzonder komen de klachten op tegen de beslissing van het hof om de periode gelegen tussen de huwelijkssluiting en de peildatum te onderscheiden in diverse tijdvakken en om voor elk tijdvak de waarde van de investering uit overgespaard inkomen vast te stellen.

3.2

De wettelijke regeling inzake verrekenbedingen van afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 BW (art. 1:132-143 BW) bevat geen voorschriften die bepalen op welke wijze moet worden vastgesteld in hoeverre sprake is van vermogensvermeerdering door belegging en herbelegging van overgespaard inkomen. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, zijn daarvoor in de rechtspraak van de Hoge Raad evenmin vaste regels ontwikkeld. Volgens die rechtspraak dient de rechter het te verrekenen bedrag te ‘begroten’.1 Dat brengt mee dat het de rechter vrij staat een methode te hanteren die past bij de omstandigheden van het aan hem voorgelegde geval. In cassatie kan worden onderzocht of de keuze voor en de toepassing van een bepaalde methode in het licht van de omstandigheden van het geval begrijpelijk is. Ook kan in cassatie worden onderzocht of bij de toepassing van een bepaalde methode alle beleggingen en herbeleggingen zijn verdisconteerd die volgens de rechtspraak van de Hoge Raad bij de toepassing van art. 1:141 BW en art. 1:136 BW in aanmerking moeten worden genomen.2

3.3

De beslissing van het hof om de periode gelegen tussen de huwelijkssluiting en de peildatum te onderscheiden in diverse tijdvakken en om voor elk tijdvak de waarde van de investering uit overgespaard inkomen vast te stellen, is niet onbegrijpelijk in het licht van de feitelijke ontwikkelingen die zich tijdens het huwelijk hebben voorgedaan, te weten de aflossingen op leningen, de nieuwe hypothecaire leningen en de drie verbouwingen van de onroerende zaak (zie hiervoor in 2.1.1 onder (iv)-(vi)). Die beslissing geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarop stuiten de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten af.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

De onderdelen 1 en 4 van het middel zijn voorgesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep doel treft. Uit hetgeen hiervoor in 3.3-3.4 is overwogen, volgt dat deze voorwaarde niet is vervuld, zodat deze onderdelen geen behandeling behoeven.

4.2.1

Onderdeel 3, dat onvoorwaardelijk is voorgesteld, keert zich tegen het (hiervoor in 2.3.3 weergegeven) oordeel van het hof dat gelet op art. 11 in verbinding met art. 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden het (hiervoor in 2.1.1 onder (vii) genoemde) stamrecht niet valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt. Volgens het hof kan eerst sprake zijn van verrekenbaar inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden nadat het stamrecht tot uitkering is gekomen, en staat vast dat de man tot de peildatum geen periodieke uitkering uit de B.V. heeft ontvangen. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte beslissend geacht in hoeverre het stamrecht tijdens het huwelijk is uitgekeerd en aldus miskend dat beslissend is of de aanspraak uit het stamrecht is gevormd uit verrekenbaar inkomen dan wel uit privé-middelen.

4.2.2

De uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.3 Dit betekent dat het antwoord op de vraag of een stamrecht valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt, afhangt van de uitleg die in het concrete geval moet worden gegeven aan het in het desbetreffende verrekenbeding opgenomen inkomensbegrip. Daarbij is – anders dan het onderdeel betoogt – niet uitgesloten dat het inkomensbegrip in een concreet geval zo moet worden uitgelegd dat een stamrecht daar niet onder valt, ongeacht hoe het stamrecht is gevormd.

4.2.3

Het oordeel van het hof dat het stamrecht in het onderhavige geval niet valt aan te merken als overgespaard inkomen in de zin van art. 11 in verbinding met art. 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden zolang het stamrecht nog niet tot uitkering is gekomen, moet kennelijk aldus worden verstaan dat niet van belang is dat het stamrecht is gevormd door een ontslagvergoeding, omdat deze vergoeding in de omstandigheden van dit geval niet als te verrekenen netto-inkomen in de zin van art. 11 in verbinding met art. 8 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden moet worden beschouwd. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.2 is overwogen, geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk in het licht van de stellingen die de vrouw in dit verband heeft ingenomen. De hiervoor in 4.2.1 weergegeven klacht faalt.

4.3

De overige onvoorwaardelijk voorgestelde klachten van het middel kunnen evenmin tot vernietiging van de bestreden uitspraken leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

- verwerpt het beroep;

- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren, M.V. Polak, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident E.J. Numann op 13 maart 2020.

1 Vgl. HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0378, rov. 4.1.2.

2 Zie voor deze rechtspraak de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2-2.4.

3 HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8847, rov. 3.4.