Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:407

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
19/02019
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:552
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1032
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1074
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 10 Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in 's-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst (Zetelovereenkomst), artikel 45 VWEU, duurzaam verblijf status in Nederland, ECLI:NL:HR:2011:BR0387, ECLI:EU:C:2002:432, ECLI:EU:C:1989:130, ECLI:EU:C:2006:106, ECLI:EU:C:1996:251 en ECLI:EU:C:1979:31.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-03-2020
FutD 2020-0761 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2020/827 met annotatie van Drs. B.J. Kiekebeld
NLF 2020/0713 met annotatie van Sonja Dusarduijn
BNB 2020/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/02019

Datum 13 maart 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 maart 2019, nr. BK-18/00690, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/4751) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 8 oktober 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:1032, met gemeenschappelijke bijlage ECLI:NL:PHR:2019:1074).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft van 1 oktober 1993 tot en met 31 augustus 1997 in het Verenigd Koninkrijk gewoond en gewerkt. Sinds 1 september 1997 is belanghebbende werkzaam bij de vestiging van het Europees Octrooi Bureau in Rijswijk (hierna: het EOB). Belanghebbende is ongeveer twee weken vóór 1 september 1997 naar Nederland gekomen en woont sindsdien in Nederland. Belanghebbende had op het moment van indiensttreding bij het EOB de Nederlandse nationaliteit. Vanaf 2002 heeft belanghebbende de Ierse nationaliteit. Als gevolg van het aannemen van de Ierse nationaliteit heeft belanghebbende zijn Nederlanderschap verloren. Sinds 2010 heeft belanghebbende tevens weer de Nederlandse nationaliteit. Belanghebbende was in 2009 in het bezit van een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken verstrekt identiteitsbewijs geprivilegieerden met daarop onder meer vermeld de code DV, hetgeen staat voor duurzaam verblijf houdend.

2.2

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd en daarbij belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.

2.3.1

Voor het Hof was in geschil of bij belanghebbende het inkomen uit sparen en beleggen in de heffing van inkomstenbelasting mag worden betrokken.

2.3.2

Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 10, lid 6, van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Europese Octrooiorganisatie betreffende het onderdeel van het Europees Octrooibureau in ‘s-Gravenhage, inclusief Afzonderlijke overeenkomst1 (hierna: de Zetelovereenkomst) een ongerechtvaardigde beperking vormt van artikel 45 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Het inkomen uit sparen en beleggen van belanghebbende mag volgens het Hof niet in de heffing van inkomstenbelasting voor 2009 worden betrokken.

2.4.1

Het middel betoogt onder meer dat het in artikel 10 van de Zetelovereenkomst gemaakte onderscheid tussen personeelsleden van de EOB die de Nederlandse nationaliteit hebben en andere personeelsleden geen door artikel 45 WVEU verboden beperking is. Indien wel sprake is van een beperking, is deze gerechtvaardigd, aldus het middel.

2.4.2

De Zetelovereenkomst bepaalt in artikel 10, lid 1, kort gezegd, dat bepaalde personeelsleden van het EOB dezelfde voorrechten en immuniteiten genieten als die welke door Nederland worden verleend aan diplomatieke ambtenaren van de diplomatieke vertegenwoordigingen die in Nederland zijn gevestigd overeenkomstig het Verdrag van Wenen inzake Diplomatiek Verkeer van 18 april 19612 (hierna: Verdrag van Wenen). Ingevolge artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst zijn personen die de Nederlandse nationaliteit bezitten of duurzaam verblijf houden in Nederland, van deze voorrechten en immuniteiten uitgesloten. Artikel 34 van het Verdrag van Wenen bepaalt dat een diplomatieke ambtenaar, uitzonderingen daargelaten, is vrijgesteld van alle belastingen.

2.4.3

Bij de beoordeling van het middel is van belang dat belanghebbende voorafgaand aan zijn tewerkstelling bij het EOB in Nederland in een andere lidstaat heeft gewoond en gewerkt als werknemer. In dit opzicht is sprake van een andere situatie dan die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2011.3 Belanghebbende bevindt zich, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, ten opzichte van de staat van herkomst (Nederland) in een vergelijkbare positie als alle andere personen die de door het VWEU gewaarborgde rechten en vrijheden genieten.4 Ook een ambtenaar van een internationale organisatie kan de hoedanigheid van migrerend werknemer bezitten.5 Het is eveneens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het recht op vrij verkeer van werknemers niet aldus kan worden uitgelegd dat de eigen onderdanen van een bepaalde lidstaat van de toepassing van het gemeenschapsrecht worden uitgesloten, wanneer zij zich, door hun handelwijze, ten opzichte van hun staat van herkomst in een vergelijkbare positie bevinden als alle andere personen die de door het Verdrag gewaarborgde rechten en vrijheden genieten.6

2.4.4

De bepaling dat werknemers van het EOB met een Nederlandse nationaliteit die zijn aangeworven vanuit een andere EU-lidstaat, niet zijn vrijgesteld van belasting op hun inkomen uit sparen en beleggen maar werknemers met een andere nationaliteit in overigens dezelfde omstandigheden wel, heeft tot gevolg dat het voor werknemers met een Nederlandse nationaliteit die in een andere lidstaat dan Nederland werken en wonen, minder aantrekkelijk is om een dienstbetrekking aan te gaan met het EOB in Nederland dan voor werknemers met een andere nationaliteit. Artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst beperkt dus het in artikel 45 VWEU gewaarborgde recht op vrij verkeer van werknemers. Anders dan het middel voorstaat is dit niet anders in een geval als het onderhavige waarin het betreft een werknemer die bij aanwerving de Nederlandse nationaliteit had en nadien die nationaliteit heeft verloren en vervolgens duurzaam verblijf houdt in Nederland als bedoeld in artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst.

2.4.5

Onderzocht moet worden of deze beperking, gelet op de bepalingen van het VWEU, gerechtvaardigd is. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan een maatregel waarbij door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden worden beperkt, slechts gerechtvaardigd zijn indien hij een met het VWEU verenigbaar legitiem doel nastreeft en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt. Daartoe moet een dergelijke maatregel geschikt zijn om het ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en mag hij niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.7

2.4.6

Het middel betoogt dat de beperking in de eerste plaats wordt gerechtvaardigd doordat het onderscheid van artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst aansluit bij de internationaal aanvaarde praktijk. In de tweede plaats wordt deze beperking gerechtvaardigd door de doelstelling van die bepaling om het EOB in volledige onafhankelijkheid te laten functioneren, aldus het middel. Tot slot betoogt het middel dat de beperking wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de heffingsbevoegdheden evenwichtig te verdelen tussen de lidstaten.

2.4.7

De beperking van het recht op vrij verkeer van werknemers in de zin van artikel 45 VWEU door artikel 10, lid 6, Zetelovereenkomst kan niet door de in het middel aangevoerde gronden worden gerechtvaardigd. De internationaal aanvaarde praktijk noch de doelstelling het EOB in volledige onafhankelijkheid te laten functioneren vormt een dwingende reden van algemeen belang om Nederlandse onderdanen en personen die duurzaam verblijf houden in Nederland van de voorrechten en immuniteiten uit te sluiten. Achtergrond van de internationale praktijk is het oogmerk internationale organisaties onafhankelijk te laten functioneren. Deze doelstelling wordt niet aangetast als ook belanghebbende de voorrechten en immuniteiten geniet. De beperking kan voorts niet worden gerechtvaardigd door de noodzaak van een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen lidstaten omdat de Zetelovereenkomst niet de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen twee lidstaten betreft, maar de verdeling daarvan tussen Nederland en het EOB.

2.4.8

Het middel faalt. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van dit middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.

1 Trb. 2006, 155.

2 Trb. 1962, 159.

3 HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0387.

4 HvJ 11 juli 2002, Marie Nathalie D’Hoop, C-224/98, ECLI:EU:C:2002:432, punt 30.

5 Vgl. HvJ 15 maart 1989, Echternach, 389/87 en 390/87, ECLI:EU:C:1989:130, punt 11 en HvJ 16 februari 2006, Rockler, C-137/04, ECLI:EU:C:2006:106, punt 15.

6 HvJ 27 juni 1996, Asscher, C-107/94, ECLI:EU:C:1996:251 en HvJ 7 februari 1979, Knoors, 115/78, ECLI:EU:C:1979:31.

7 HvJ 16 februari 2006, Rockler, C-137/04, ECLI:EU:C:2006:106, punt 22.