Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:39

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2020
Datum publicatie
14-01-2020
Zaaknummer
18/05113
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1164
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:11242
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Medeplegen van witwassen van geldbedrag, art. 420bis.1.b Sr. 1. Bewijsklacht pleegperiode. 2. Bewijsklacht omzetten van geldbedrag. 3. Kwalificatie van verwerven en voorhanden hebben van geldbedrag als witwassen.

Ad 1. HR: Op gronden vermeld in CAG faalt klacht. CAG: Veronderstelling dat bewezenverklaring, inhoudende dat verdachte in bepaalde periode feit heeft gepleegd, meebrengt dat verdachte gedurende gehele periode hem verweten handelingen heeft verricht, is onjuist. Vereist is dat uit b.m. kan worden afgeleid dat verdachte in bewezenverklaarde pleegperiode daarin genoemde handelingen heeft verricht en niet dat verdachte zich gedurende gehele periode schuldig heeft gemaakt aan tlgd. feit. Uitspraak voldoet aan dit vereiste.

Ad 2. HR: Op gronden vermeld in CAG slaagt klacht. CAG: Hof heeft overwogen dat verdachte en zijn medeverdachten geldbedrag hebben verworven door medeplegen van woninginbraak, terwijl verdachte dat geldbedrag samen met anderen daadwerkelijk voorhanden heeft gehad en heeft verdeeld. Over omzetten van geldbedrag overweegt Hof niets. Uit ’s Hofs vaststellingen volgt niet dat sprake is geweest van handelingen waardoor verdachte en zijn medeverdachten ander voorwerp hebben verkregen dan hetgeen oorspronkelijk uit misdrijf is verkregen. Het enkele verdelen van geldbedrag tussen medeverdachten is daartoe ontoereikend. Dit hoeft echter op zichzelf niet tot cassatie te leiden, omdat t.l.v. verdachte tevens is bewezenverklaard dat hij geldbedrag tezamen en in vereniging met ander of anderen “heeft verworven en voorhanden heeft gehad”.

Ad 3. HR: Klacht slaagt op gronden vermeld in CAG. CAG: Uit ‘s Hofs motivering van oordeel dat sprake is van witwassen kan niet worden afgeleid dat verdachte samen met zijn medeverdachten geldbedrag niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad maar dat gedragingen ook gericht zijn geweest op daadwerkelijk verbergen of verhullen van criminele herkomst van voorwerp. Ook ’s Hofs overweging dat door verdeling van geldbedrag herkomst van geldbedrag daadwerkelijk is verhuld, is niet z.m. begrijpelijk. Geldbedrag met daarbij behorende coupures bevond zich immers na verdeling nog in zijn geheel onder verdachte en zijn medeverdachten. In zoverre is verhullende werking nog minder sterk dan in geval geldbedrag op bankrekening wordt gestort, waardoor coupures aan het oog worden onttrokken. HR doet zaak om doelmatigheidsredenen zelf af door verdachte t.z.v. bewezenverklaard feit te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daardoor worden aard en ernst van al wat voor het overige t.l.v. verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging van bestreden uitspraak t.z.v. strafoplegging achterwege kan blijven.

Samenhang met 18/05141 P, 18/05183 en 19/00365.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0014
RvdW 2020/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05113 J

Datum 14 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 november 2018, nummer 21/000844-14, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 21 ten laste gelegde en de strafoplegging en tot zodanige beslissing op de voet van art. 440 Sv als de Hoge Raad passend oordeelt.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring en de kwalificatie van het onder 21 tenlastegelegde feit.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 21 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013 te Culemborg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet terwijl hij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf”.

2.2.2

Het Hof heeft dit feit gekwalificeerd als medeplegen van witwassen.

2.3

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring, voor zover die inhoudt dat de verdachte het feit heeft begaan “in de periode van 25 december 2012 tot en met 28 mei 2013” en dat de verdachte een geldbedrag “heeft omgezet”, ontoereikend is gemotiveerd. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6-8 faalt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaarde pleegperiode, maar slaagt deze klacht voor zover het gaat om de bewezenverklaring van “heeft omgezet”. Dit hoeft echter op zichzelf niet tot cassatie te leiden, omdat ten laste van de verdachte tevens is bewezenverklaard dat hij het geldbedrag tezamen en in vereniging met een ander of anderen “heeft verworven en voorhanden heeft gehad”.

2.4

Het middel klaagt voorts over de kwalificatie door het Hof van het bewezenverklaarde (tezamen en in vereniging met een ander of anderen) verwerven en voorhanden hebben van een geldbedrag als witwassen. Deze klacht slaagt op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 en 10-13.

2.5

De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de zaak zelf afdoen door de verdachte ter zake van het onder 21 bewezenverklaarde feit te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daardoor worden de aard en de ernst van al wat voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat‑Generaal onder 1 - niet aangetast, zodat vernietiging van de bestreden uitspraak ter zake van de strafoplegging achterwege kan blijven.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de strafbaarheid van het onder 21 bewezenverklaarde;

- ontslaat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde onder 21 van alle rechtsvervolging;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 januari 2020.