Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:389

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
20/00470
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:160
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Mogelijkheid van instellen h.b. in geval rechter tul van voorwaardelijke straf beveelt n.a.v. niet-naleving van algemene voorwaarde, art. 14c.1 Sr. Heeft invoering Wet USB (op 1-1-2020) tot gevolg dat voorheen geldend stelsel van rechtsmiddelen is gewijzigd? O.g.v. tot 1-1-2020 geldende wettelijke regeling voorzag wet i.g.v. niet-naleving van algemene voorwaarde in gevoegde behandeling van vordering tul en (nieuwe) strafzaak (vgl. ECLI:NL:HR:2006:AX1665). In dit stelsel van accessoire behandeling is na invoering van Wet USB geen verandering gekomen, gelet op art. 6:6:1.2 Sv en omstandigheid dat art. 361a Sv inhoudelijk ongewijzigd is gebleven. Voorts stond geen rechtsmiddel open tegen (niet in strafzaak gegeven) beslissing op vordering tul wegens niet-naleving van uitsluitend aan voorwaardelijke veroordeling verbonden bijzondere voorwaarde (vgl. ECLI:NL:HR:1995:ZD0261). Uit regeling van art. 14j.1 (oud) Sr vloeide voort dat i.g.v. niet-naleving van aan voorwaardelijke veroordeling verbonden algemene voorwaarde (vanwege begaan van nieuw strafbaar feit op grond waarvan vervolging plaatsvond) wel rechtsmiddel open stond. Het ging hierbij om mogelijkheid om ex art. 404 Sv h.b. in te stellen tegen vonnis waarbij verdachte is veroordeeld voor nieuw strafbaar feit en waarvan beslissing op vordering tul deel uitmaakt (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4387). O.g.v. art. 407 Sv geldt dat door instellen van h.b. tegen vonnis m.b.t. nieuw strafbaar feit tevens aan oordeel van rechter in h.b. is onderworpen de o.g.v. art. 361a Sv bij die uitspraak gegeven beslissing op vordering tul wegens niet-naleving van algemene voorwaarde. Art. 407 Sv laat geen partieel h.b. toe tegen o.g.v. art. 361a Sv gegeven rechterlijke beslissing op vordering tul wegens niet-naleving van algemene voorwaarde, terwijl art. 407 Sv evenmin toestaat dat h.b. zodanig wordt beperkt dat het beslissing in vonnis op vordering tul buiten beroep laat (vgl. ECLI:NL:HR:1994:ZC9760, ECLI:NL:HR:2005:AT2748 en ECLI:NL:HR:2003:AF1185). Wat betreft beslissing tot tul van eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie wegens niet-naleving van algemene voorwaarde, is met Wet USB (i.h.b. art. 6:6:7 Sv en 6:6:22.2 1 Sv) geen wijziging gebracht in wettelijke bepalingen die van belang zijn voor (omvang van) h.b., i.h.b. art. 361a, 404 en 407 Sv. Hieruit volgt dat beslissing op vordering tul van voorwaardelijk opgelegde sanctie wegens niet-naleving van daarbij gestelde algemene voorwaarde niet onder regeling van art. 6:6:7 Sv valt. Art. 361a, 404 en 407 Sv laten immers geen andere uitleg toe dan dat indien verdachte (binnen grenzen van art. 404 Sv) h.b. instelt tegen vonnis, dat h.b. zich tevens uitstrekt tot beslissing op vordering tul van voorwaardelijk opgelegde sanctie wegens niet-naleving van daarbij gestelde algemene voorwaarde. Afwijzing door Rb van vordering tul van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf berust op opvatting dat (eventueel) tegen vonnis van Rb in te stellen h.b. zich niet uitstrekt tot beslissing op die vordering. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is die opvatting onjuist. Volgt vernietiging in belang van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/701
JIN 2020/48 met annotatie van Oort, C. van
RvdW 2020/380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/00470 CW

Datum 6 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2020, nrs. 05/881189-18 en 05/720301-15 (tul), in de zaak van

[de veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de veroordeelde.

1. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van achttien maanden. Tevens heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van zes maanden afgewezen.

2. Het cassatieberoep

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.

3. Waar het in deze zaak om gaat

Deze zaak gaat over de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel in het geval dat een rechter de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf heeft bevolen naar aanleiding van het niet naleven van de zogenoemde algemene voorwaarde. Meer in het bijzonder gaat het erom of de invoering van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82), die op 1 januari 2020 gedeeltelijk in werking is getreden, tot gevolg heeft dat het voorheen geldende stelsel van rechtsmiddelen is gewijzigd. Deze wet wordt hierna verkort aangeduid als “Wet USB”.

Aan een voorwaardelijke veroordeling tot een gevangenisstraf, een taakstraf of een geldboete is steeds, op grond van artikel 14c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), de algemene voorwaarde verbonden dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast kunnen aan de veroordeling ook één of meerdere bijzondere voorwaarden worden verbonden. Indien de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft door het begaan van een nieuw strafbaar feit, kan de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf worden gevorderd. Deze vordering wordt behandeld in de strafzaak waarin deze persoon – de tot de voorwaardelijke straf veroordeelde en tevens de verdachte ter zake van het nieuwe feit – terechtstaat voor het nieuwe strafbare feit. Indien hij wordt veroordeeld wegens dat nieuwe strafbare feit, beslist de rechter in de strafzaak over de vordering tot tenuitvoerlegging.

Op grond van de tot 1 januari 2020 geldende wettelijke regeling gold – kort gezegd – dat, wanneer de verdachte hoger beroep instelde tegen het vonnis waarbij hij werd veroordeeld wegens het nieuwe strafbare feit, dat hoger beroep ook de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging omvat. In de rechtspraktijk is vrijwel direct na inwerkingtreding van de Wet USB de vraag gerezen of hierin verandering is gekomen als gevolg van die wet. In de vordering van de advocaat-generaal is onder 9-17 een overzicht opgenomen van de uitspraken die door verschillende rechters daarover zijn gedaan.

4. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen met betrekking tot de beslissing tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf:

“De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd, terwijl hij nog niet zo lang in de proeftijd liep in de zaak met parketnummer 05/720301-15 en dat het om soortgelijke strafbare feiten gaat, namelijk het dealen in drugs.

De rechtbank overweegt ambtshalve het navolgende.

Op 1 januari 2020 is in werking getreden de Wet USB (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Staatsblad 2017, 82). Met de invoering van die wet staat tegen een TUL-beslissing algemene voorwaarden geen hoger beroep meer open (art. 6:6:7 in combinatie 6:6:22 Sv).

Dit betekent dat de beslissing van de rechter in eerste aanleg tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens overtreding van (doorgaans) de algemene voorwaarde, te weten het plegen van een nieuw strafbaar feit tijdens de proeftijd, meteen onherroepelijk en executeerbaar is, ook in het geval hoger beroep wordt ingesteld tegen de veroordeling voor dat nieuwe strafbare feit. De TUL-beslissing algemene voorwaarde wordt derhalve na de beslissing door de rechtbank losgekoppeld van de uiteindelijke beoordeling van die nieuwe strafzaak, terwijl die nieuwe strafzaak de grondslag vormt voor een dergelijke TUL-vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is gezien de wetgevingsgeschiedenis onvoldoende duidelijk dat hiermee de situatie is onderkend en bedoeld te ondervangen dat in hoger beroep vrijspraak volgt. In dat geval doet zich de situatie voor dat niet bewezenverklaard wordt dat verdachte een (nieuw) strafbaar feit heeft gepleegd, terwijl dan inmiddels de eerdere – en van het rechterlijk oordeel in die

nieuwe strafzaak afhankelijke – beslissing tot tenuitvoerlegging wegens het plegen van dat nieuwe strafbare feit onherroepelijk en executeerbaar is.

Eenvoudig gezegd: de betrokkene moet straf ondergaan (de eerdere voorwaardelijke veroordeling) om een reden (plegen nieuw strafbaar feit) die later geen stand blijkt te houden (alsnog vrijspraak). Dit komt er op neer dat die verdachte de eerdere voorwaardelijke straf dan dus heeft of zal ondergaan, niet omdat hij voor een nieuw strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld, maar alleen omdat hij verdachte is geweest in een nieuwe strafzaak.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever zich hierover heeft uitgelaten.

De rechtsvraag die hier aan de orde is, raakt aan fundamentele principes, zoals voortvloeiend uit de onschuldpresumptie en zoals neergelegd in (thans) artikel 6:1:16 Sv (557 Sv oud). Weliswaar voorziet de wet in een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt dat een rechterlijke uitspraak pas ten uitvoer wordt gelegd als deze onherroepelijk is, maar deze gevallen zijn daarbij met waarborgen omringd (bijv. art. 6:6:6 Sv). Daarvan is bij artikel 6:6:7 Sv geen sprake. Bij (gedeeltelijke) vrijspraak in hoger beroep kan de in die strafzaak wegens overtreding van de algemene voorwaarde in eerste aanleg gelaste tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf desondanks worden voortgezet met een beroep op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Niet goed denkbaar is, dat deze onbillijke

uitkomst is beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gevolg van het bepaalde in art. 6:6:7 Sv in strijd met artikelen 5 en 6 EVRM (het recht op vrijheid en het recht op een eerlijk proces).

Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging van de eerdere voorwaardelijke veroordeling wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit dient te worden afgewezen, ook al acht de rechtbank de feiten in deze zaak bewezen. Dat de verdachte de feiten deels heeft bekend, maakt dit naar het oordeel van rechtbank niet anders. Ook in dat geval is immers niet uitgesloten dat de rechter in hoger beroep tot een gedeeltelijke vrijspraak en een beperktere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg, terwijl de wetsgeschiedenis niet duidelijk maakt of de wetgever ook in dat geval de ruimte van de appelrechter om de nieuwe strafzaak en de vordering tenuitvoerlegging wegens overtreding van de algemene voorwaarde in samenhang te bezien, heeft willen beperken.”

5. Juridisch kader

Juridisch kader voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet USB

5.1

De volgende wettelijke bepalingen met betrekking tot (de tenuitvoerlegging van) de voorwaardelijk opgelegde straf, zoals deze luidden daags voor de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet USB, zijn van belang.

- Artikel 14a Sr:

“1. In geval van veroordeling tot gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, tot taakstraf of tot geldboete, kan de rechter bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd.

2. Ingeval van veroordeling tot gevangenisstraf van meer dan twee jaren en ten hoogste vier jaren kan de rechter bepalen dat een gedeelte van de straf, tot ten hoogste twee jaren, niet zal worden tenuitvoergelegd.

3. De rechter kan voorts bepalen dat opgelegde bijkomende straffen geheel of gedeeltelijk niet zullen worden tenuitvoergelegd.”

- Artikel 14c lid 1 en 2 Sr:

“1. Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen: (...).”

- Artikel 14g lid 1 en 3 Sr:

“1. Indien enige gestelde voorwaarde niet wordt nageleefd kan de rechter, na ontvangst van een vordering van het openbaar ministerie en onverminderd het bepaalde in artikel 14f,

1°. gelasten dat de niet ten uitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd;

2°. al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden gelasten dat een gedeelte van de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

3. Tot behandeling van de vordering is bevoegd de rechter die de straf heeft opgelegd. Indien de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit, begaan voor het einde van de proeftijd, is tot behandeling van de vordering bevoegd:

a. de rechtbank, indien deze bevoegd is tot kennisneming in eerste aanleg van het feit,

b. de kantonrechter, indien deze bevoegd is tot kennisneming van dat feit en van feiten, terzake waarvan de veroordeling, waarop de vordering betrekking heeft, is uitgesproken.

De vordering wordt in dat geval ingediend door het openbaar ministerie belast met de vervolging van het feit en kan slechts bij gelegenheid van een veroordeling terzake worden toegewezen. Strekt de vordering tot de tenuitvoerlegging van gevangenisstraf van meer dan een jaar, dan wordt zij niet door een enkelvoudige kamer van de rechtbank behandeld.”

- Artikel 14h lid 1 en 2 Sr:

“1. In de gevallen in de artikelen 14f en 14g bedoeld brengt het openbaar ministerie de zaak aan door de indiening van een met redenen omklede vordering. (...)

2. (...) In het geval, bedoeld in artikel 14g, derde lid, tweede volzin, geschiedt de behandeling van de vordering gelijktijdig met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd. (...)”

- Artikel 14j lid 1 Sr:

“Rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen van het openbaar ministerie of verzoeken van de veroordeelde zijn met redenen omkleed en worden in het openbaar uitgesproken. Zij zijn, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken terzake van andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel onderworpen.”

- Artikel 361a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):

“Heeft de officier van justitie tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht opgelegde straf of een vordering als bedoeld in artikel 15i, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, dan beraadslaagt de rechtbank mede over haar bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van de rechtbank om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt uitgesproken, ook de beslissing van de rechtbank over de vordering in.”

- Artikel 404 Sv:

“1. Tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.

2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.

3. In afwijking van het tweede lid staat voor de verdachte hoger beroep open tegen een bij verstek gewezen vonnis als bedoeld in het tweede lid, onder a en b, indien de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. De vorige zin is niet van toepassing in geval de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 588a.

4. Tegen de in het tweede lid, onder a en b, bedoelde vonnissen waartegen geen hoger beroep openstaat, staat evenmin beroep in cassatie open, tenzij zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.

5. Zijn in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan de verdachte alleen hoger beroep instellen van die gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.”

- Artikel 407 Sv:

“1. Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.

2. Zijn echter in eersten aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan het hooger beroep tot het vonnis voor zoover dit eene of meer der gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”

5.2

Bij Wet van 26 november 1986, houdende herziening van de regeling betreffende de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling (Stb. 1986, 593) is de regeling van de voorwaardelijke veroordeling – behoudens enkele wijzigingen die in deze zaak niet van belang zijn – komen te luiden zoals onder 5.1 is weergegeven. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt onder meer het volgende in:

“8. Een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de bestaande regeling van de voorwaardelijke veroordeling vormt het voorstel, gedaan in grote lijnen in navolging van de Commissie-Van Andel, om in geval van schending van de algemene voorwaarde de rechter bij wie de berechting van een nieuw strafbaar feit aanhangig wordt gemaakt de bevoegdheid toe te kennen bij de uitspraak over dit feit tevens de tenuitvoerlegging te gelasten van een door hem of een andere rechter voorwaardelijk opgelegde straf of een gedeelte daarvan. Een dergelijke gang van zaken kan aanmerkelijk bijdragen tot een rationalisering van het straftoemetingsproces. (...) Het kan ook voorkomen dat de aanvankelijke voorwaardelijke veroordeling is opgelegd in hoger beroep door een gerechtshof. Dan zal, volgens de voorgestelde regeling, bij beslissing van de rechtbank voor welke het nieuwe feit in eerste aanleg wordt vervolgd de tenuitvoerlegging van het door het hof voorwaardelijk opgelegde gedeelte kunnen worden gelast. Wij achten dat niet bezwaarlijk, omdat volgens de voorgestelde regeling de beslissing tot tenuitvoerlegging in zo'n geval deel van de uitspraak van de rechtbank over het nieuwe strafbare feit dient te zijn, welke uitspraak in haar geheel (artikel 407 Sv.) weer voor hoger beroep vatbaar is. (...)

9. Voorgesteld wordt dat ingeval vervolging ter zake van een nieuw feit plaatsvindt en voor de ter zake van dat feit bevoegde rechter een vordering tot tenuitvoerlegging wordt ingesteld, de behandeling van die vordering gelijktijdig met de behandeling van het vervolgde feit geschiedt en dat die vordering slechts bij gelegenheid van een veroordeling voor dat feit kan worden toegewezen. (...)

De rechter dient wel in één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen omtrent het ten laste gelegde nieuwe feit en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging. Met het oog daarop wordt de invoeging van een nieuw artikel 361a in het Wetboek van Strafvordering voorzien, dat voorschrijft, dat het vonnis van de rechtbank in dergelijke gevallen tevens de beslissing omtrent die vordering bevat.

(...)

De ratio om een gezamenlijke behandeling mogelijk te maken van de vordering tot tenuitvoerlegging en de vervolging van een nieuw feit en daarover in één vonnis uitspraak te verkrijgen, noopt er tevens toe hoger beroep slechts tegen dat vonnis in zijn geheel toe te laten. Artikel 407, eerste lid, Sv. is derhalve op een dergelijk vonnis onverkort toepasselijk.”

(Kamerstukken II 1984/85, 18764, nr. 3, p. 16-17)

Juridisch kader na inwerkingtreding van de Wet USB

5.3

Bij de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet USB zijn de hiervoor onder 5.1 weergegeven artikelen 14a en 14c Sr en artikelen 361a, 404 en 407 Sv – behoudens hier niet relevante aanpassingen van wetsverwijzingen in de artikelen 361a en 404 Sv – ongewijzigd gebleven. De artikelen 14g, 14h en 14j Sr zijn komen te vervallen. Verder is aan het Wetboek van Strafvordering een zesde boek toegevoegd met het opschrift “Tenuitvoerlegging”. Uit dat Boek 6 zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

Hoofdstuk 6. Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging

Eerste titel. Algemeen

- Artikel 6:6:1 lid 1 en 2 Sv:

“1. Indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoerlegging, is – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.

2. In de gevallen waarin de veroordeelde wordt vervolgd wegens een strafbaar feit en de behandeling van een beslissing als bedoeld in het eerste lid op vordering van het openbaar ministerie gelijktijdig geschiedt met de behandeling van het feit waarvoor de veroordeelde wordt vervolgd, is het gerecht bevoegd dat kennis neemt van dat feit.”

- Artikel 6:6:7 Sv:

“Een rechterlijke beslissing als bedoeld in deze titel is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald.”

Derde titel. Vrijheidsbeperkende straffen, maatregelen en voorwaarden

- Artikel 6:6:20 lid 1 Sv:

“1. De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot:

a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel;

b. schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling;

c. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd iedere keer dat de veroordeelde zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel;

d. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende jeugddetentie of hechtenis voor het geval dat de veroordeelde zich niet houdt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.”

- Artikel 6:6:21 lid 1 en 3 Sv:

“1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van:

a. de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden;

b. het alsnog geheel of gedeeltelijk moeten ondergaan van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd.

3. Een vordering als bedoeld in het eerste lid, kan worden ingediend indien het openbaar ministerie oordeelt dat de veroordeelde een gestelde voorwaarde of opgelegde maatregel niet naleeft of niet heeft nageleefd, en er niet met een waarschuwing kan worden volstaan.”

- Artikel 6:6:22 lid 1 Sv:

“1. Het openbaar ministerie en de veroordeelde kunnen binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d, en in artikel 6:6:21, eerste lid, onder b, tegen die beslissingen beroep instellen.”

5.4

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB, houdt onder meer het volgende in:

“Artikel 6:6:1 (nieuw; 14g, derde lid, 14h, tweede lid, 15d, vierde lid, 15i, vierde, vijfde lid, Sr, 509j, 509p, 509z, tweede, derde lid, 580 Sv) – bevoegde rechter

(...)

Ter bevordering van de proceseconomie is in het tweede lid opgenomen dat indien de veroordeelde wordt vervolgd voor een ander strafbaar feit en de vordering in het kader van de tenuitvoerlegging gelijktijdig wordt behandeld, de rechter bevoegd is die kennisneemt van het nieuwe strafbare feit. Dit is overgenomen uit de huidige artikelen 14h, tweede lid, en 15i, vijfde lid, Sr.

(...)

Artikel 6:6:7 (nieuw; 14j Sr, 509n, tweede lid, 509ee, 583 Sv) – geen rechtsmiddel

Uitgangspunt is dat tegen een rechterlijke beslissing die in het kader van de tenuitvoerlegging wordt genomen géén rechtsmiddel openstaat. Op deze hoofdregel worden in de overige titels van het zesde hoofdstuk van Boek 6 bepaalde uitzonderingen gemaakt. Mede naar aanleiding van het advies van de 3RO noemen wij gevallen waarin wel beroep kan worden gesteld. Dit betreft bepaalde beslissingen in het kader van de ter beschikking stelling (artikel 6:6:15 Sv) en in het kader van de rechterlijke reactie op het niet-naleven van een (in bijzondere voorwaarden) opgelegde vrijheidsbeperking (artikel 6:6:22 Sv). De hoofdregel van dit artikel geldt wel weer voor deze beslissingen in beroep, hiertegen staat geen rechtsmiddel (cassatie) open.

Het uitgangspunt dat er geen rechtsmiddel kan worden ingesteld bij beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke beslissing is niet anders als de beslissing deel uitmaakt van een uitspraak ter zake van een ander strafbaar feit. Een eventueel ingesteld beroep tegen die uitspraak kan dus alleen zien op de beslissing over het (nieuwe) strafbare feit waarvoor iemand is vervolgd. Hiermee wordt voorkomen dat in gevallen waarin de rechter zich niet alleen uitspreekt over een nieuw feit maar tevens over de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde sanctie, (standaard) hoger beroep wordt ingesteld in de hoop dat de tenuitvoerlegging van de eerste sanctie wordt verrekend in de beroepsbeslissing over het nieuwe strafbare feit. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat uit één uitspraak twee data van onherroepelijkheid kunnen komen te staan. De tenuitvoerleggingsbeslissing is direct onherroepelijk, terwijl voor de beslissing over het nieuwe strafbare feit veelal schorsende werking geldt bij het instellen van een rechtsmiddel (artikel 6:1:16 Sv). Praktisch kan dit vorm krijgen door aan de afzonderlijke beslissingen een eigen parketnummer toe te kennen.

(...)

Artikel 6:6:22 (14g, derde en vijfde lid, 14h, 15h, 15i, derde, vierde, vijfde, zesde lid, 38x, 77wf, derde lid, 77cca, achtste lid, Sr) – instellen beroep

Tegen de rechterlijke beslissingen bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, onder c en d, en in artikel 6:6:21, eerste lid, onder b, Sv staat de mogelijkheid van beroep open (eerste lid). Dit betreft de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr), de tenuitvoerlegging van vervangende jeugddetentie of hechtenis in het kader van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd. In de consultatieversie van het wetsvoorstel was in dit eerste lid een uitbreiding van de rechtsbescherming voorgesteld door – anders dan in de huidige regeling (artikel 14j, eerste lid, Sr) – beroep open te stellen tegen beslissingen die worden genomen na geconstateerde niet-naleving van een bij een voorwaardelijke veroordeling gestelde bijzondere voorwaarde. Het openbaar ministerie heeft in zijn advies met kracht van argumenten betoogd dat deze beroepsmogelijkheid onnodig en onwenselijk is. De door het openbaar ministerie aangedragen argumenten overtuigen. Het gaat om relatief eenvoudige beslissingen van de rechter tot het vaststellen of de voorwaarden al dan niet zijn overtreden en of onder de gegeven omstandigheden gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging is gerechtvaardigd. De gevolgen van niet-naleving van de voorwaarden zijn door de rechter, die het veroordelend vonnis heeft uitgesproken, bij de straftoemeting meegewogen, terwijl de gevolgen voor de veroordeelde duidelijk zijn. Tegen de beslissing waarin een deel van de straf voorwaardelijk is opgelegd, is hoger beroep mogelijk. Daarmee zijn de belangen van de veroordeelde met voldoende waarborgen omkleed. Een mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd gedeelte van de straf leidt tot ongewenste verlenging van de procedure en tot uitstel van tenuitvoerlegging, waar juist een snelle justitiële reactie op zijn plaats is.

(...)

Onderdeel F

Op grond van dit onderdeel vervallen de artikelen 14f tot en met 16, 19 en 22a Sr. Hieronder wordt per cluster van samenhangende bepalingen een toelichting gegeven.

(...)

Artikelen 14fa tot en met 14l Sr

De reactie die volgt op de constatering dat de veroordeelde een bijzondere voorwaarde niet naleeft, wordt geregeld in het nieuwe Boek 6 over de tenuitvoerlegging. De aanhouding (huidig artikel 14fa, eerste en tweede lid, Sr) wordt geregeld in artikel 6:3:15 Sv. De rechterlijke reactie op niet-naleving (huidige artikelen 14g tot en met 14l Sr) wordt geregeld in hoofdstuk 6 van het nieuwe Boek 6.”

(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3 p. 96-97, 101, 107 en 113)

6. Beoordeling van het cassatiemiddel

6.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf berust op een onjuiste uitleg van de wet, onder meer de artikelen 361a, 407, 6:6:1, 6:6:7 en 6:6:22 Sv.

Algemene overwegingen

6.2.1

In het geval dat de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet is nageleefd, was op grond van – het thans vervallen – artikel 14g lid 3 (oud) Sr de rechter bij wie de zaak met betrekking tot het nieuwe strafbare feit aanhangig werd gemaakt, bevoegd om de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging te behandelen. Toewijzing van die vordering was slechts mogelijk bij gelegenheid van een veroordeling ter zake van dat nieuwe strafbare feit. Deze beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging maakte op grond van artikel 361a Sv deel uit van de in de strafzaak gegeven uitspraak. In geval van niet-naleving van de algemene voorwaarde voorzag de wet dus in een gevoegde behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging en de (nieuwe) strafzaak. (Vgl. HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX1665.) In dit stelsel van accessoire behandeling is na de invoering van de Wet USB op 1 januari 2020 geen verandering gekomen, gelet op artikel 6:6:1 lid 2 Sv en de omstandigheid dat artikel 361a Sv inhoudelijk ongewijzigd is gebleven. In geval van het niet naleven van de algemene voorwaarde voorziet de wet ook nu in een gevoegde behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging en de (nieuwe) strafzaak.

6.2.2

Het inmiddels vervallen artikel 14j lid 1 Sr bepaalde dat rechterlijke beslissingen omtrent vorderingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf (of een deel daarvan) niet aan enig rechtsmiddel zijn onderworpen, voor zover zij geen deel uitmaken van uitspraken ter zake van andere strafbare feiten. Zo stond geen rechtsmiddel open tegen de – niet in de strafzaak gegeven – beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van uitsluitend een aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden bijzondere voorwaarde (vgl. HR 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0261). Uit de regeling van artikel 14j lid 1 (oud) Sr vloeide voort dat in geval van niet-naleving van de aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden algemene voorwaarde – vanwege het begaan van een nieuw strafbaar feit op grond waarvan vervolging plaatsvond – wel een rechtsmiddel open stond. Het ging hierbij echter niet om een afzonderlijk rechtsmiddel tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, maar – zoals ook tot uitdrukking komt in de onder 5.2 weergegeven wetsgeschiedenis – om de mogelijkheid om op de voet van artikel 404 Sv hoger beroep in te stellen tegen het vonnis waarbij de verdachte is veroordeeld voor het nieuwe strafbare feit en waarvan de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging deel uitmaakt (vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4387).

6.3.1

Het cassatiemiddel stelt de vraag aan de orde of door de inwerkingtreding van de onder 5.3 weergegeven wettelijke bepalingen verandering is gekomen in de mogelijkheid van hoger beroep tegen het vonnis waarvan deel uitmaakt de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in geval van niet-naleving van de aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden algemene voorwaarde.

6.3.2

Voor de beantwoording van deze vraag is allereerst de regeling van artikel 407 Sv van belang. Op grond van deze wettelijke bepaling geldt dat door het instellen van hoger beroep tegen het vonnis met betrekking tot het nieuwe strafbare feit tevens aan het oordeel van de rechter in hoger beroep is onderworpen de op grond van artikel 361a Sv bij die uitspraak gegeven beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van de algemene voorwaarde. Artikel 407 Sv laat geen partieel hoger beroep toe tegen een op grond van artikel 361a Sv gegeven rechterlijke beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging wegens niet-naleving van de algemene voorwaarde, terwijl artikel 407 Sv evenmin toestaat dat het hoger beroep zodanig wordt beperkt dat het de beslissing in het vonnis op de vordering tot tenuitvoerlegging buiten het beroep laat (vgl. HR 14 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9760 en HR 17 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2748; zie nader over het geval dat het vonnis betrekking heeft op meerdere strafbare feiten HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1185).

6.3.3

Uit de hiervoor onder 5.4 weergegeven toelichting op de Wet USB en de in de vordering van de advocaat-generaal onder 33-40 en 53-54 nader besproken totstandkomingsgeschiedenis van die wet blijkt dat aanvankelijk specifiek werd beoogd, in afwijking van het inmiddels vervallen artikel 14j lid 1 Sr, te voorzien in een rechtsmiddel tegen de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie wegens niet-naleving van een gestelde bijzondere voorwaarde. Naar aanleiding van de consultatie met betrekking tot het conceptwetsvoorstel is besloten een dergelijk nieuw rechtsmiddel niet in de wet op te nemen. Wat betreft de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke sanctie wegens niet-naleving van de algemene voorwaarde, is met de Wet USB – in het bijzonder artikel 6:6:7 Sv en artikel 6:6:22 lid 1 Sv – geen wijziging gebracht in de wettelijke bepalingen die van belang zijn voor (de omvang van) het hoger beroep, in het bijzonder de hiervoor besproken artikelen 361a, 404 en 407 Sv.

6.4

Uit het vorenstaande volgt dat een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde sanctie wegens niet-naleving van de daarbij gestelde algemene voorwaarde niet onder de regeling van artikel 6:6:7 Sv valt. De artikelen 361a, 404 en 407 Sv laten immers geen andere uitleg toe dan dat indien de verdachte – binnen de grenzen van artikel 404 Sv – hoger beroep instelt tegen het vonnis, dat hoger beroep zich tevens uitstrekt tot de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde sanctie wegens niet-naleving van de daarbij gestelde algemene voorwaarde.

Beoordeling van de bestreden uitspraak

6.5

De afwijzing door de rechtbank van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf berust op de opvatting dat – kort gezegd – het (eventueel) tegen het vonnis van de rechtbank in te stellen hoger beroep zich niet uitstrekt tot de beslissing op die vordering. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is die opvatting onjuist. Het cassatiemiddel slaagt daarom.

7. Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de uitspraak van de rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M.J. Borgers, J.C.A.M. Claassens en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2020.