Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:382

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
19/01323
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1149, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Herverkaveling; Wet inrichting Landelijk gebied (Wilg). Beroep tegen besluit tot vaststelling van Lijst der Geldelijke Regelingen (LGR). Belang van indeling in bodemgeschiktheidsklassen voor vaststelling ruilplan (fase 1) en voor vaststelling LGR (fase 2). Verwijzing naar HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1020. Invloed van ontsluitingssituatie van een perceel op verandering van waarde als gevolg van de ruilverkaveling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/697
RvdW 2020/329
TvAR 2020/8021, UDH:TvAR/16112 met annotatie van J.W.A. Rheinfeld
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/01323

Datum 6 maart 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

1. [verzoeker 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. ERVEN [erflater] ,

VERZOEKERS tot cassatie,

hierna samen in enkelvoud: [de Eigenaar] ,

advocaat: J.A.M.A. Sluysmans,

tegen

UITVOERINGSCOMMISSIE ENSCHEDE-ZUID,
zetelende te Zwolle,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: de Uitvoeringscommissie,

advocaat: M.W. Scheltema.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/08/212629/HA RK 18-10 van de rechtbank Overijssel 12 december 2018.

[de Eigenaar] heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De Uitvoeringscommissie heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [de Eigenaar] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Deze zaak gaat over de Lijst der Geldelijke Regelingen (hierna: LGR) bij herverkaveling. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Percelen van [de Eigenaar] zijn betrokken in [het blok] (hierna: het blok).

(ii) Aan [de Eigenaar] zijn bij het ruilplan verschillende percelen toegedeeld die niet door hem zijn ingebracht.

(iii) Ten behoeve van de toegedeelde percelen met kavelnummers [001] , [002] , [003] , [004] en [005] is [de Eigenaar] een recht van erfdienstbaarheid toegekend om te komen en te gaan naar de openbare weg (de [a-straat] ). De erfdienstbaarheid loopt over het perceel [006] (na ruilverkaveling: perceel [plaats 1] , sectie […] ). Deze ontsluiting wordt hierna de noordelijke ontsluiting genoemd.

(iv) Ten behoeve van het toegedeelde perceel met het kavelnummer [005] is [de Eigenaar] een recht van erfdienstbaarheid toegekend om te komen en te gaan naar de openbare weg (de [b-straat] ). Deze erfdienstbaarheid loopt via het perceel [007] (na ruilverkaveling: perceel [plaats 1] , sectie […] ) en via het perceel [008] (na ruilverkaveling: perceel [plaats 1] , sectie […] ). Via deze twee percelen kan [de Eigenaar] komen op het aan hem toegedeelde perceel [009] en via dat perceel naar de [b-straat] . Deze ontsluiting wordt hierna de zuidelijke ontsluiting genoemd.

(v) Tussen [de Eigenaar] en de Uitvoeringscommissie bestaat sinds 2011 discussie over de twee ontsluitingen. Volgens [de Eigenaar] was de zuidelijke ontsluiting te smal voor landbouwverkeer. De Uitvoeringscommissie heeft [de Eigenaar] uiteindelijk een overeenkomst voorgelegd die uitgaat van de toekenning van een afkoopbedrag, zonder akkoord. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft de Uitvoeringscommissie een bedrag van € 36.851,22 overgemaakt aan [de Eigenaar] .

(vi) [de Eigenaar] heeft in 2013 het aan de zuidelijke ontsluiting grenzende bosperceel aangekocht. Omdat hij voor de zuidelijke ontsluiting een strook van dit bosperceel kan gebruiken, kan hij die ontsluiting toch benutten. Tussen [de Eigenaar] en de Uitvoeringscommissie is gesproken over compensatie voor deze aankoop. Met de hiervoor onder (v) vermelde afkoop door de Uitvoeringscommissie was compensatie van de baan.

(vii) [de Eigenaar] heeft overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.4 Awb tegen het ontwerp van de LGR zienswijzen ingediend. In die zienswijzen heeft [de Eigenaar] onder meer aangevoerd dat de percelen niet of niet voldoende zijn ontsloten.

(viii) De Uitvoeringscommissie heeft bij besluit van 15 november 2017 de LGR voor het blok vastgesteld. De Uitvoeringscommissie heeft de zienswijze van [de Eigenaar] deels niet-ontvankelijk, deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De LGR voor [de Eigenaar] is bij het besluit gewijzigd.

(ix) De zienswijze ten aanzien van de door [de Eigenaar] gestelde afwezige of ontoereikende ontsluiting van de percelen heeft de Uitvoeringscommissie ongegrond verklaard. Volgens de Uitvoeringscommissie is uit veldinventarisatie gebleken dat de breedte van de rijroute van de zuidelijke ontsluiting voldoende is. Wel was de Uitvoeringscommissie bereid voor een eventueel benodigde strook bos langs het huidige pad een vergoeding te betalen, buiten de lijst om, ter grootte van bosgrondwaarde. Wat betreft de noordelijke ontsluiting was de Uitvoeringscommissie van mening dat deze vergelijkbaar is met de inbreng.

2.2

In deze procedure heeft [de Eigenaar] op grond van art. 69 Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg) beroep ingesteld tegen de vaststelling van de LGR. De rechtbank heeft het beroep gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Wat betreft het gegrond verklaarde gedeelte heeft de rechtbank bepaald dat de Uitvoeringscommissie een nieuw besluit dient te nemen, en heeft de rechtbank een termijn bepaald waarbinnen [de Eigenaar] op dat nieuwe besluit zal kunnen reageren. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

( a) De zuidelijke ontsluiting voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen. (rov. 4.12.7)

( b) De toegekende afkoopsom is gebaseerd op onjuiste gegevens en het toegekende bedrag is daarom te laag. Dat bedrag moet worden verhoogd met onder meer de kosten voor aankoop van de naastgelegen grond die nodig is om te kunnen voldoen aan de gestelde normen. Voldoende is dat de Uitvoeringscommissie de kosten voor de benodigde vierkante meters grond voldoet. Dat [de Eigenaar] het gehele naastgelegen perceel heeft moeten aankopen, kan niet voor rekening van de Uitvoeringscommissie worden gebracht. (rov. 4.12.10)

( c) Het is terecht dat de Uitvoeringscommissie heeft getoetst aan de vraag of de toedeling van de noordelijke ontsluiting vergelijkbaar is met de inbrengsituatie. Noch door de Uitvoeringscommissie, noch door [de Eigenaar] is uitgelegd of inzichtelijk gemaakt dat de noordelijke ontsluiting wel of niet vergelijkbaar is met de inbrengsituatie. Het was aan [de Eigenaar] om te onderbouwen waarom de toedeling niet vergelijkbaar is met de inbreng. Dit onderdeel van het verzoekschrift is daarom ongegrond. (rov. 4.13.3)

( d) Ten aanzien van de ruilwaarde van de percelen ten behoeve waarvan een erfdienstbaarheid is gevestigd, heeft [de Eigenaar] gesteld dat die te hoog is vastgesteld, nu die percelen niet goed zijn ontsloten. Uit art. 52 Wilg, art. 19 Besluit inrichting landelijk gebied (hierna: Bilg)1 en art. 18 Regeling inrichting landelijk gebied (hierna: Rilg)2 volgt echter dat de hoedanigheid en gebruiksbestemming van de toegedeelde gronden bepalend zijn voor de ruilwaarde en dat, als inbreng en toedeling niet gelijk zijn, dit moet worden gecompenseerd. De ontsluitingssituatie speelt daarbij geen rol. (rov. 4.14 en 4.15)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

3.2.1

Art. 47 Wilg onderscheidt in het herverkavelingsproces twee fasen: (1) de vaststelling van het ruilplan, bevattende een lijst van rechthebbenden en een plan van toedeling (art. 48 Wilg), en (2) de vaststelling van een LGR. De onderhavige procedure betreft alleen het besluit tot vaststelling van de LGR.

3.2.2

De toedeling in het ruilplan (fase 1) geschiedt op de grondslag van oppervlakte: iedere eigenaar heeft in beginsel aanspraak op een oppervlakte in kavels die gelijk is aan de oppervlakte van de door hem ingebrachte kavels (art. 56 lid 2 Wilg). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien toepassing daarvan de totstandkoming van een behoorlijke herverkaveling in de weg zou staan (art. 56 lid 4 Wilg).

3.2.3

Art. 52 lid 3 Wilg bepaalt dat, voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet, aan iedere eigenaar een recht wordt toegedeeld van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als door hem is ingebracht.

3.2.4

Het begrip ‘gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming’ is op grond van art. 52 lid 4 Wilg nader uitgewerkt in de art. 15-20 Rilg. Uit art. 17 lid 1 Rilg volgt dat voor de gelijke hoedanigheid van gronden onder meer de opbouw, samenstelling en fysische eigenschappen van de bodem van belang zijn. De ontsluitingssituatie blijft volgens art. 18, aanhef en onder c, Rilg bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid van gronden buiten beschouwing. Art. 20 Rilg schrijft voor dat de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming wordt ingedeeld in ten minste drie klassen, welke indeling op een kaart wordt vermeld. Uit de toelichting op de Rilg volgt dat de indeling in bodemgeschiktheidsklassen als bedoeld in art. 20 lid 1 Rilg ten dienste staat van het bepalen van de uitruilbaarheid van gronden, en daarmee van de vaststelling van het hiervoor in 3.2.1 bedoelde ruilplan.3

3.2.5

Via de LGR (fase 2) dienen alle voor- en nadelen als gevolg van de ruiling te worden verrekend. Volgens het stelsel van de Wilg wordt daarmee voorzien in een algehele financiële afwikkeling van de herverkaveling. Het gaat daarbij niet alleen om verschillen in oppervlakte, maar ook om eventuele verschillen in gebruikswaarde of kwaliteit.4Uit art. 62 Wilg volgt wat de LGR dient in te houden. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de uitkomst van de in art. 68 Wilg bedoelde schattingen. Art. 62 lid 1, aanhef en onder c, Wilg bepaalt voorts dat de LGR een opgave van de diverse geldelijke verrekeningen inhoudt. Art. 62 lid 1, onder c, Wilg bevat echter geen limitatieve opsomming van verrekenposten, aangezien volgens art. 62 lid 1, aanhef en onder c, onder 4, Wilg in de LGR ook opgave kan worden gedaan van verrekening van ‘de overige zaken’. Op grond van art. 63 lid 2 Wilg zijn in het Bilg nadere regels gegeven omtrent de onderscheiden onderdelen van art. 62 lid 1 Wilg, alsmede de uitgangspunten ten aanzien van de bepaling van de agrarische verkeerswaarde, bedoeld in art. 62 lid 2 Wilg.

3.2.6

De omstandigheid dat de indeling in bodemgeschiktheidsklassen als bedoeld in art. 20 lid 1 Rilg ten dienste staat van het bepalen van de uitruilbaarheid van gronden en daarmee van de vaststelling van het ruilplan (fase 1), sluit niet uit dat bij de vaststelling van de LGR (fase 2) die indeling in bodemgeschiktheidsklassen tot vertrekpunt voor de bepaling van de gebruikswaarde wordt genomen en dat vervolgens andere omstandigheden in de berekening worden betrokken. Ook het uitgangspunt dat alle voor- en nadelen als gevolg van ruiling via de LGR dienen te worden verrekend, staat er niet aan in de weg dat de indeling in bodemgeschiktheidsklassen daarbij als vertrekpunt dient.

3.2.7

Art. 24 Bilg schrijft onder meer voor dat de LGR alle aan de betrokken eigenaren toe te rekenen kosten en toe te kennen vergoedingen vermeldt. Uit art. 25 lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, Bilg vloeit voort dat de ontsluiting van een perceel een van de objectieve factoren is die in aanmerking worden genomen bij de schatting op grond van art. 68 Wilg van verandering van de waarde van de onroerende zaken als gevolg van de ruilverkaveling. Die schatting wordt op grond van art. 62 lid 1, aanhef en onder a en b, Wilg in de LGR opgenomen. Uit art. 90 lid 3 Wilg volgt tot slot dat de kosten van landinrichting die ten laste van de eigenaren gezamenlijk komen, over de eigenaren worden omgeslagen zoals bepaald in de LGR. De ontsluitingssituatie van een perceel speelt aldus een rol bij het bepalen van verandering van de waarde van de onroerende zaken als gevolg van de ruilverkaveling.

3.3.1

Onderdeel III van het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 onder (d) weergegeven beslissingen van de rechtbank. Het betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij het vaststellen van de LGR rekening moet worden gehouden met de gebrekkige ontsluitingssituatie na de herverkaveling.

Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft in dit verband niet meer overwogen dan dat de hoedanigheid en gebruiksbestemming van de toegedeelde gronden bepalend zijn voor de ruilwaarde en dat daarbij – dus bij de bepaling van de gelijke hoedanigheid van gronden met het oog op de uitruilbaarheid daarvan - de ontsluitingssituatie geen rol speelt. Dat oordeel is juist (zie hiervoor in 3.2.4).

3.3.2

Het onderdeel klaagt subsidiair dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd. Deze klacht faalt.

Uit art. 25 lid 2, aanhef en onder a, Bilg volgt dat de ontsluitingssituatie behoort tot de objectieve factoren aan de hand waarvan de toestand van de grond en de overige onroerende zaken in de schatting als bedoeld in art. 68 Wilg wordt betrokken, welke schatting, zoals hiervoor in 3.2.7 is overwogen, in de LGR dient te worden opgenomen. In de nadere regels voor de LGR [plaats 2] is opgenomen dat de objectieve en subjectieve factoren met behulp van een puntensysteem worden gewaardeerd, zoals mogelijk is op grond van het bepaalde in art. 31 lid 2 Bilg. Een perceel dat niet is ontsloten aan een openbare weg, wordt blijkens par. 3.1 van die regels gewaardeerd met 0 punten per hectare, een perceel dat ontsloten is aan een openbare, niet-verharde weg, wordt gewaardeerd met 10 punten per hectare en een perceel dat ontsloten is aan een openbare, verharde weg, wordt gewaardeerd met 20 punten per hectare. Dat betekent dat de ongunstige ontsluitingssituatie voor [de Eigenaar] een puntentoekenning van 0 punten per hectare oplevert en daarmee relevant is voor zijn bijdrage in de kosten van de landinrichting. Blijkens de stukken van het geding is ook ten aanzien van het toebedeelde perceel [005] (deel uitmakend van […] ) rekening gehouden met de ontsluitingssituatie, door daarvoor 0 punten per hectare toe te kennen. Tegen deze achtergrond is het oordeel van de rechtbank over de betekenis van de ontsluitingssituatie na de herverkaveling bij het vaststellen van de LGR ook zonder nadere motivering voldoende begrijpelijk.

3.3.3

Uit het voorgaande volgt dat onderdeel III niet tot cassatie kan leiden.

3.4.

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt [de Eigenaar] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Uitvoeringscommissie begroot op € 879,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 6 maart 2020.

1 Stb. 2006, 243, laatste wijziging in Stb. 2016, 383.

2 Stcrt. 21 december 2006, nr. 249.

3 HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1020, rov. 3.5.5.

4 HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1020, rov. 3.5.10.