Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:371

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
19/01431
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1460
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94(a) Sv op bitcoins en andere cryptocurrency. Art. 552a Sv. Geeft oordeel Rb. dat niet-beslagen slachtoffers van een beleggingscarrousel geen belanghebbenden a.b.i. art. 552a Sv zijn, blijk van een onjuiste uitleg van het begrip ‘belanghebbende’ ex art. 552a Sv? HR: art. 81.1 RO. Samenhang tussen 19/01426, 19/01431, 19/01432 en 19/01435.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01431 B

Datum 10 maart 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2019, nummer RK 18/6551, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klager],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

hierna: de klager.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2020.