Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:360

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
18/04924
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1087
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:2331
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van Opiumwet-delicten (art. 2.A, 2.B en 2.C Opiumwet) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Heeft hof ten onrechte vordering tul toegewezen nu deze vordering in h.b. niet “ter beoordeling voorlag” omdat deze in e.a. te laat is betekend? In e.a. is de vordering ttz. behandeld in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman, waarna de Rb in haar vonnis de tul heeft gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf. I.c. betreft een vordering tul van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit a.b.i. art. 14c.1 Sr.

Zo’n vordering dient te worden ingediend door het OM dat met de vervolging van dat feit is belast, terwijl bij veroordeling t.z.v. dat feit de beslissing op de vordering deel uitmaakt van het vonnis. Het tegen dat vonnis ingestelde beroep brengt mee dat het onderzoek van de appelrechter zich mede tot die vordering dient uit te strekken. Ook in h.b. maakt de beslissing op de vordering deel uit van de in de strafzaak te geven uitspraak (vgl. ECLI:NL:HR:2011:BP4387).

Middel berust op opvatting dat de enkele omstandigheid dat in e.a. sprake is geweest van een te late (betekening van de) oproeping voor de behandeling van de vordering tot gevolg heeft dat deze vordering in h.b. niet ter beoordeling voorligt. Deze opvatting is onjuist (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2357). Volgt verwerping. Samenhang met 18/04726 en 18/05053.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0065
NJB 2020/702
RvdW 2020/346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04924

Datum 3 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 november 2018, nummer 23/001791-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben A.B.E. van Kan en A. Cinar, beiden advocaat te Heerlen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf heeft toegewezen. Het voert daartoe aan dat deze vordering in hoger beroep niet “ter beoordeling voorlag”, omdat in eerste aanleg sprake was van een te late betekening van die vordering.

2.2

De uitspraak van het hof en de procesgang zijn, voor zover hier van belang, weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1, 3.2 en 3.16. In het bijzonder is daarbij van belang dat in eerste aanleg de vordering ter terechtzitting is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman, waarna de rechtbank in haar vonnis de tenuitvoerlegging heeft gelast van de voorwaardelijk opgelegde straf.

2.3

Het betreft hier een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de in artikel 14c lid 1 van het Wetboek van Strafrecht genoemde algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Een dergelijke vordering dient te worden ingediend door het openbaar ministerie dat met de vervolging van dat feit is belast, terwijl bij veroordeling ter zake van dat feit de beslissing op de vordering deel uitmaakt van het vonnis. Het tegen dat vonnis ingestelde beroep brengt mee dat het onderzoek van de appelrechter zich mede tot die vordering dient uit te strekken. Ook in hoger beroep maakt de beslissing op de vordering deel uit van de in de strafzaak te geven uitspraak. (Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4387.)

2.4

Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat in eerste aanleg sprake is geweest van een te late (betekening van de) oproeping voor de behandeling van de vordering tot gevolg heeft dat deze vordering in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt. Deze opvatting is, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onjuist (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2357 ten aanzien van een geval waarin in eerste aanleg de rechtbank niet aan een inhoudelijke behandeling van de vordering was toegekomen vanwege de nietigverklaring van de (betekening van de) oproeping). Het cassatiemiddel kan reeds op deze grond niet tot cassatie leiden.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020.