Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:358

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
17/02047
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:191
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Caribische zaak. Medeplegen van het uitvoeren en aanwezig hebben van cocaïne en deelname aan een criminele organisatie te Bonaire en Curaçao (art. 3.1 Opiumwet 1960 BES en art. 3.1.A Opiumwet 1960 BES). Ontvankelijkheid cassatieberoep. O.g.v. art. 10.2 Rijkswet cassatierechtspraak staat voor verdachte, die in h.b. bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Deze beperking van het recht op toegang tot de cassatierechter is - ook gelet op het procesverloop in deze zaak - niet in strijd met art. 6 EVRM (vgl. EHRM 16 januari 2002, nr. 38055/97, Eliazer/Nederland). Dat de raadsvrouw van de ttz. in h.b. niet verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2267). Verdachte in cassatieberoep n-o.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0067
RvdW 2020/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/02047

Datum 3 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 6 april 2017, nummer H 41/2016, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en I.N. Weski, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1

Het hof heeft - met vernietiging van een vonnis van het gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 25 maart 2015 - de verdachte ter zake van verscheidene opiumwetdelicten en het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Het vonnis van het hof is bij verstek gewezen.

2.2

Artikel 10 lid 2 Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: de Rijkswet cassatierechtspraak) luidt:

“De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen.”

2.3

Op grond van artikel 10 lid 2 van de Rijkswet cassatierechtspraak staat voor de verdachte, die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, geen beroep in cassatie open. Deze beperking van het recht op toegang tot de cassatierechter is - ook gelet op het procesverloop in deze zaak - niet in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (vgl. EHRM 16 januari 2002, nr. 38055/97 (Eliazer/Nederland)). De omstandigheid dat de raadsvrouw van de ter terechtzitting in hoger beroep niet-verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel (vgl. HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2267).

2.4

Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdachte niet kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020.