Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
18/04488
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1194, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2018:2624, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Procesrecht. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Uitleg verzekerde hoedanigheden en verband met overgang naar 'claims made'-stelsel. Niet behandelde essentiële stelling. Schriftelijke dekkingstoezegging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/648
RvdW 2020/330
RAV 2020/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/04488

Datum 28 februari 2020

ARREST

In de zaak van

1. HUVASS BEHEER B.V.,
gevestigd te Sint Odiliënberg,

2. [eiseres 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

hierna afzonderlijk Huvass en [eiseres 2] en gezamenlijk: Huvass c.s.,

advocaten: B.T.M. van der Wiel en D.A. van der Kooij,

tegen

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND B.V., tevens handelende onder de naam BAVAM,
gevestigd te Rijswijk,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Bavam,

advocaat: J.W.H. van Wijk.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. de vonnissen in de zaak 438017/HA ZA 09-2959 van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009 en 12 oktober 2011;

  2. de arresten in de zaak 200.098.951/01 van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2014, 8 september 2015, 10 oktober 2017 en 24 juli 2018.

Huvass c.s. hebben tegen de arresten van het hof van 8 april 2014, 10 oktober 2017 en 24 juli 2018 beroep in cassatie ingesteld.

Bavam heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor Bavam toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van Huvass c.s. hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bavam is een beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar.

(ii) Met ingang van 28 mei 1997 heeft Bavam een polis voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgegeven aan de vennootschap onder [de vof] (hierna: de vof). Op deze polis zijn de algemene voorwaarden voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor Assurantietussenpersonen en Makelaars in onroerende goederen (model 1992) (hierna: de algemene voorwaarden 1992) van toepassing.

(iii) [eiseres 2] is de enige rechtsopvolger van de vof.

(iv) De algemene voorwaarden 1992 luiden, voor zover van belang, als volgt:

“Op deze polis is verzekerd:

1 de Beroepsaansprakelijkheid van Verzekerde als Assurantietussenpersoon

Uitgesloten van de verzekering is:

- bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening

- het optreden als gevolmachtigde van een verzekeringsmaatschappij

- bemiddeling bij herverzekering

- bemiddeling buiten Nederland

tenzij in de bijzondere voorwaarden anders bepaald is.

Artikel 2 Verzekerden

Verzekerden zijn:

a. De verzekeringnemer in diens verzekerde hoedanigheid;

b. De directeuren, vennoten, maten en ondergeschikten van de verzekeringnemer, alsmede hun familieleden en huisgenoten, voor zover zij optreden voor de verzekeringnemer in diens verzekerde hoedanigheid.

(…)

Bijzondere voorwaarden voor de Beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Assurantietussenpersonen

001 Financiering/Hypotheken

Op deze polis is meeverzekerd de aansprakelijkheid van verzekerde voortvloeiend uit de bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening.

129 Bancaire diensten

Aangetekend, dat deze verzekering eveneens van kracht is indien verzekerde optreedt als agent van een bankinstelling.

(...).

Geen dekking bestaat voor aansprakelijkheid als gevolg van gegeven garanties over

valutakoers ontwikkelingen dan wel koersontwikkelingen en/of rentabiliteit van

aandelen, obligaties en andere vormen van beleggingen.”

(v) In 1997 en 1998 hebben [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 4 + 5]) door tussenkomst van de vof een zogeheten ‘Vliegwielkapitaalovereenkomst’ met Aegon gesloten. De overeenkomst betrof het voor een periode van vijf jaar in lease nemen van een aantal aandelen voor een aankoopbedrag van in totaal fl. 27.789,60.

(vi) In 1998 hebben [betrokkene 4 + 5], via de vof, een lijfrenteverzekering gesloten met Aegon. Blijkens de polis werd voor 50% belegd in aandelen Fortis Obam en voor 50% in aandelen Aegon Index Plus Fonds.

(vii) [betrokkene 4 + 5] zijn, met tussenkomst van de vof, op 14 september 1998 een hypothecaire geldlening aangegaan met Royal Residentie Hypotheken B.V. (hierna: Royal). Na aflossing van de al bestaande hypotheek is het resterende geleende bedrag tezamen met een ander bedrag in een nieuw geopend beleggingsdepot bij Royal gestort.

(viii) Ook hebben [betrokkene 4 + 5], met tussenkomst van de vof, op 1 oktober 1998 bij Royal een hypotheekverzekering afgesloten en een Royal Future Pensioenverzekering. De maandelijkse rentelasten voor de hypothecaire geldlening alsmede de periodieke premies voor de hypotheekverzekering en de pensioenverzekering zouden uit het depot worden betaald. Het volledige in het depot gestorte bedrag is belegd in beleggingsfondsen.

(ix) In 1998 heeft de vof [betrokkene 4 + 5] verder nog geadviseerd naar aanleiding van het vrijkomen van vermogen door de verkoop van hun agrarische onderneming.

(x) Huvass is opgericht op 26 maart 1999. Bij notariële akte van 26 maart 1999 [(productie 12 bij conclusie van antwoord)] zijn de activa van de vof ingebracht in Huvass onder de verplichting voor Huvass alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen. In de akte is verder onder meer opgenomen dat de onderneming wordt geacht vanaf 1 januari 1998 voor rekening en risico van Huvass te zijn gedreven.

(xi) In een brief van de vof aan Bavam van 19 juni 2000 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Graag ontvingen wij een bevestiging van het gegeven dat u er van op de hoogte bent dat ons kantoor, in verband met de bemiddeling in effectenproducten, staat ingeschreven bij de

S.T.E.”

(xii) Huvass verricht vanaf 1 januari 2006 geen assurantieactiviteiten meer. In haar plaats worden assurantieactiviteiten verricht door [de vof] B.V., van wie de naam in de loop van 2006 is gewijzigd in [eiseres 2].

(xiii) Met ingang van 1 januari 2007 heeft Bavam een nieuwe polis voor de verzekeringsovereenkomst afgegeven. In de polis is [eiseres 2] als de verzekerde vermeld. Uit het polisblad volgt dat vanaf 1 januari 2007 de voorwaarden CM-2006 op de verzekering van toepassing zijn.

(xiv) Met ingang van 1 januari 2007 is op de verzekering clausule “163 BAVAM-overgangsregeling naar CM” van toepassing. Deze clausule luidt:

“In verband met wijzigingen van condities naar Claims-Made basis geldt dat de dekking voor (beweerde) fouten gemaakt voor de datum van wijziging beheerst wordt door de voorwaarden en bedragen zoals die van kracht waren ten tijde van de (beweerde) fout.”

(xv) In die polis, gedateerd 24 juli 2007, staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op deze polis is verzekerd:

(...)

Clientenremisier en bemiddelaar Sparen en Betalen (voorwaarden CM-2006: rubriek I en IV).”

In de Polisvoorwaarden Model CM-2006 staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Art. 25.2 Cliëntenremisier

Indien dit uit een aantekening op het polisblad blijkt is tevens gedekt de aansprakelijkheid in de hoedanigheid van cliëntenremisier.

Wanneer in het geval van een aanspraak blijkt dat verzekerde zijn bevoegdheid als cliëntenremisier heeft overschreden bestaat er geen dekking.”

(xvi) Bij dagvaarding van 9 oktober 2007 hebben [betrokkene 4 + 5] in een bij de rechtbank Roermond aanhangig gemaakte procedure gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Huvass toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [betrokkene 4 + 5] en/of dat Huvass onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, dat Huvass wordt veroordeeld tot vergoeding van hun schade, op te maken bij staat, en dat Huvass wordt veroordeeld in de proceskosten. [betrokkene 4 + 5] stellen in die procedure dat Huvass de rechtsopvolgster is van de vof en uit hoofde daarvan aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan als gevolg van de in 1997 en 1998 gegeven adviezen (zie hiervoor onder (v) - (ix)).

(xvii) Bij brief van 27 juni 2007 is Bavam van de aansprakelijkstelling van [betrokkene 4 + 5] in kennis gesteld, waarbij aanspraak is gemaakt op dekking onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Bavam heeft dekking afgewezen.

2.2

Huvass c.s. vorderen in dit geding, voor zover in cassatie van belang, veroordeling van Bavam tot het voldoen van al hetgeen waartoe Huvass c.s. in de hiervoor in 2.1 onder (xvii) genoemde procedure worden veroordeeld en van de kosten die Huvass c.s. maken in het kader van het verweer tegen de vorderingen van [betrokkene 4 + 5].

2.3

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat Huvass niet als gerechtigde onder de verzekering is aan te merken.

2.4.1

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en Bavam veroordeeld tot betaling van € 25.000,-- aan kosten die Huvass c.s. hebben gemaakt om zich te verweren tegen de vorderingen van [betrokkene 4 + 5] voor zover dat verweer betrekking had op het sluiten van de lijfrenteverzekering, bedoeld hiervoor in 2.1 onder (vi). Het heeft geoordeeld dat de aanspraken betreffende de vorderingen van [betrokkene 4 + 5] die zijn ingesteld in verband met de overige werkzaamheden van de vof, niet zijn verzekerd onder de in het geding zijnde polis. In cassatie speelt nog slechts de dekkingskwestie. Het hof heeft daarover, kort gezegd, het volgende overwogen.

2.4.2

Eerste tussenarrest 1

De dienstverlening aan [betrokkene 4 + 5] vond plaats in de periode dat het assurantiebedrijf werd uitgeoefend door de vof. [betrokkene 4 + 5] zijn in de loop van 2007 tot aansprakelijkstelling overgegaan. De aanspraak heeft primair betrekking op gestelde fouten van de vof. (rov. 3.21-22)

Bavam heeft een polisblad afgegeven gedateerd 2 maart 2007 met ingangsdatum 1 januari 2007. Uit dit polisblad volgt dat vanaf 1 januari 2007 de voorwaarden CM-2006 op de verzekering van toepassing zijn. Blijkens artikel 2.1 daarvan wordt uitgegaan van een claims made-dekkingssysteem. De aanspraak van [betrokkene 4 + 5] is dus in beginsel verzekerd onder deze verzekering. (rov. 3.23-3.24)

Met ingang van 1 januari 2007 is op de verzekering clausule “163 BAVAM-overgangsregeling naar CM” van toepassing. Deze clausule luidt:

“In verband met wijzigingen van condities naar Claims-Made basis geldt dat de dekking voor (beweerde) fouten gemaakt voor de datum van wijziging beheerst wordt door de voorwaarden en bedragen zoals die van kracht waren ten tijde van de (beweerde) fout.”

Bavam stelt op grond van deze clausule dat de dekking van de aanspraak van [betrokkene 4 + 5] beoordeeld moet worden aan de hand van de verzekering die van kracht was ten tijde van de beweerde fouten in 1997 en 1998 en dat dus de algemene voorwaarden model 1992 van toepassing zijn. Deze voorwaarden zijn bij de polisbladen van 23 juni 1994 en 4 juni 1997 van toepassing verklaard. (rov. 3.25-3.26)

Vast staat dat op de verzekering vanaf 1 januari 2007 de hiervoor genoemde clausule 163 van toepassing is. Eveneens staat vast dat die clausule meebrengt dat de omvang van de dekking moet worden beoordeeld aan de hand van de verzekering die van kracht was ten tijde van de beweerde fouten in 1997 en 1998 en dat daarvoor bepalend is de polis waarop de voorwaarden van het overgelegde model 1992 van toepassing zijn verklaard. (rov. 3.27)

Er bestaat in beginsel dekking onder de verzekering volgens de voorwaarden en bedragen die van kracht waren ten tijde van de beweerde fout. (rov. 3.28)

Bavam stelt dat de vof als financieel adviseur is opgetreden en dat daarom de aanspraak niet is gedekt onder de verzekering. Alleen de beroepsaansprakelijkheid van de verzekerde als assurantietussenpersoon, als bemiddelaar bij financiering en hypotheken en in verband met het verlenen van bancaire diensten is verzekerd. (rov. 3.37)

Derde tussenarrest 2

Huvass c.s. hebben betoogd dat de onder clausule 129 genoemde verzekerde hoedanigheid van ‘agent van een bankinstelling’ alleen woordelijk verschilt van het begrip ‘cliëntenremisier’, maar dat inhoudelijk op dezelfde werkzaamheden wordt gedoeld. Bavam zou bovendien hebben bevestigd dat de werkzaamheden onder clausule 129 zouden vallen. Dit standpunt van Huvass c.s. kan niet als juist worden aanvaard. Ook in 1997 was het begrip ‘cliëntenremisier’ een gangbare naam voor remisiers die gebruikmaakten van de vrijstellingsregeling van art. 12 Vrijstellingsregeling Wet toezicht effectenverkeer 1995 (oud). Zonder nadere motivering kan dan ook niet worden aangenomen dat slechts verschillende namen worden gebruikt voor dezelfde hoedanigheid. Bavam heeft onvoldoende weersproken betoogd dat het bankagentschap van de vof, blijkens de handelsregisterhistorie, betrekking heeft gehad op geheel andere activiteiten dan die van een cliëntenremisier die bedrijfs- of beroepsmatig cliënten bij een effecteninstelling aanbrengt met het oog op de totstandkoming van transacties in effecten. (rov. 3.6)

De stelling van Huvass c.s. dat uit de brief van 19 juni 2000 volgt dat Bavam op de hoogte was dat de vof al eerder – in 1997 en 1998 – als cliëntenremisier werkzaam is geweest, kan niet worden gevolgd. Dat geldt evenzeer voor de stelling dat door Bavam zou zijn bevestigd dat de werkzaamheden van de vof als cliëntenremisier zouden vallen onder clausule 129. (rov. 3.7)

De werkzaamheden van de vof in 1997 en 1998 vielen dus niet onder de verzekerde hoedanigheid als ‘agent van een bankinstelling’, als opgenomen in de polis van 1997. Voor het antwoord op de vraag of de werkzaamheden van de vof vielen onder de verzekerde hoedanigheid van de polis, moet concreet worden beoordeeld of deze waren aan te merken als bemiddeling bij het sluiten van een verzekering of als bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening. (rov. 3.8)

Inzake het sluiten van de Vliegwielkapitaalovereenkomst dienen de door de vof destijds uitgevoerde werkzaamheden aangemerkt te worden als werkzaamheden bij de totstandkoming van effectentransacties (vgl. art. 1 onder b.1° (oud) Wet toezicht effectenverkeer 1995). Huvass c.s. hebben zich nog beroepen op de brief van Bavam van 13 juli 2007, op grond waarvan zij stellen dat voor het sluiten van de Vliegwielkapitaalovereenkomst door Bavam in beginsel dekking is toegezegd, aan welke toezegging Bavam is gebonden. Het hof volgt hen daarin niet. Bavam heeft erkend dat zij met deze brief verwarring bij Huvass heeft geschapen. Zij heeft toegelicht dat deze brief in 2007 is geschreven toen de werkzaamheden in de hoedanigheid van cliëntenremisier inmiddels al wel (namelijk sinds 2000) door Bavam waren meeverzekerd. Het hof begrijpt dat Bavam hiermee bedoelt aan te voeren dat de ‘toezegging’ op een vergissing berustte. In het licht daarvan, mede in aanmerking genomen dat de bewoordingen “in beginsel” zijn gebruikt en Bavam aanvullende vragen heeft gesteld en dat zij in een later stadium haar dekkingsstandpunt nader heeft toegelicht, kan uit deze enkele brief geen zonder voorbehoud gegeven dekkingstoezegging worden afgeleid waarop Huvass c.s. mochten afgaan of gerechtvaardigd mochten vertrouwen. (rov. 3.9-3.10)

Inzake het sluiten van de lijfrenteverzekering heeft de vof in de kern alleen bemiddeld bij het sluiten van een verzekering. De werkzaamheden van de vof vallen in zoverre dan ook onder de dekking van de polis. (rov. 3.11-3.12)

Inzake het sluiten van de beleggingshypotheek wordt overwogen dat de vof [betrokkene 4 + 5] heeft geadviseerd over een beleggingshypotheek en dat door tussenkomst van de vof onder meer een hypotheekverzekering en een pensioenverzekering bij Royal zijn gesloten. Inzake deze verzekeringen is de vof als assurantietussenpersoon opgetreden als bedoeld in art. 1 onder b Wet assurantiebemiddelingsbedrijf (oud). Vast staat verder dat de vof beleggingsadvies heeft verstrekt aan [betrokkene 4 + 5] De vof heeft immers specifieke financiële instrumenten aan [betrokkene 4 + 5] aanbevolen, welke aanbevelingen zijn gepresenteerd als geschikt voor [betrokkene 4 + 5] als potentiële beleggers. (rov. 3.13-3.14)

Uit clausule 001 van de polis volgt dat is meeverzekerd de aansprakelijkheid van de verzekerde voortvloeiend uit de bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening. Genoemde beleggingsadvieswerkzaamheden vielen niet onder de verzekerde hoedanigheid, nu niet kan worden gezegd dat enkel is bemiddeld bij de hypotheekverlening. De vof heeft immers ook geadviseerd over een combinatie van financiële producten, waarvan een deel van die producten een beleggingskarakter had. De slotsom is dat Bavam krachtens de polis aan Huvass gedeeltelijke dekking dient te verlenen. (rov. 3.15-3.16)

Het hof heeft in het eindarrest3 de kosten van verweer tegen de vorderingen van [betrokkene 4 + 5], voor zover die vorderingen betrekking hebben op het sluiten van de lijfrenteverzekering, tot een bedrag van € 25.000,-- toegewezen. (rov. 2.8-2.9 en onder 3)

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof in het eerste tussenarrest omtrent de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden.

Onderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3.27, waarin het hof op grond van clausule 163 heeft geoordeeld dat de omvang van de dekking moet worden beoordeeld aan de hand van de verzekering die van kracht was ten tijde van de beweerde fouten in 1997 en 1998. Het onderdeel voert aan dat Huvass c.s. hebben betoogd dat clausule 163 bepaalt dat de aanspraak wordt beheerst door de “voorwaarden en bedragen” uit de algemene voorwaarden 1992, en dat dit onverlet laat de aanspraak op dekking voor de verzekerde ‘hoedanigheden’ zoals die zijn opgenomen in de vanaf 1 januari 2007 van kracht zijnde polis. Het hof heeft dit betoog van Huvass c.s. miskend en daarmee een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de gedingstukken, dan wel de devolutieve werking van het hoger beroep miskend, aldus het onderdeel.

3.1.2

Deze klacht slaagt. Huvass c.s. hebben het bedoelde betoog al in de inleidende dagvaarding gevoerd ter onderbouwing van hun stelling dat de verzekering dekking biedt voor werkzaamheden als ‘cliëntenremisier’ – welke hoedanigheid onder de polis van 2007 gedekt was, maar niet werd genoemd in de algemene voorwaarden 1992 – terwijl Huvass c.s. geen blijk ervan hebben gegeven deze stelling, waaraan de rechtbank niet is toegekomen, in het door hen ingestelde hoger beroep te hebben prijsgegeven. Uit het enkele feit dat Huvass c.s. in hoger beroep de stelling hebben betrokken dat het begrip ‘cliëntenremisier’ niet inhoudelijk verschilt van het begrip ‘agent van een bankinstelling’ – dat in de algemene voorwaarden 1992 wel werd genoemd – volgt niet dat de eerdere stelling is prijsgegeven en door de latere was vervangen. Het hof had deze essentiële stelling van Huvass c.s. in zijn beoordeling moeten betrekken, aangezien zij lag binnen het door de gegrond bevonden grieven 1 en 2 ontsloten gebied, welke grieven betrekking hadden op de vraag of Huvass c.s. gerechtigd waren onder de polis. Het hof heeft dat niet kenbaar gedaan.

De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

3.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de dekking van de aansprakelijkheid van de vof voor werkzaamheden in haar hoedanigheid van ‘agent van een bankinstelling’ (in rov. 3.7-3.10 van het derde tussenarrest). Het onderdeel wijst ter inleiding op een viertal door Huvass c.s. in feitelijke instanties aangevoerde stellingen, waaronder een beroep op twee haar door Bavam gezonden brieven, van 13 juli 2007 (vermeld in rov. 3.10 van het derde tussenarrest) en 22 oktober 2007. Onderdeel 2.4 klaagt over de wijze waarop het hof dat beroep heeft verworpen. Het klaagt dat het hof met betrekking tot de brief van 13 juli 2007, die het hof als berustend op een vergissing heeft aangemerkt, de regel van art. 3:35 BW heeft miskend (onderdeel 2.4.1) en niets heeft overwogen omtrent de brief van 22 oktober 2007 (onderdeel 2.4.2) en dat beroep op niet toereikend gemotiveerde wijze heeft verworpen (onderdeel 2.4.3).

3.2.2

De (bij akte na het tweede tussenarrest in hoger beroep overgelegde) brieven houden het volgende in.

De brief van 13 juli 2007:

“Naast voormeld advies heeft u voor uw cliënten bij Aegon een Vliegwiel Kapitaal- overeenkomst afgesloten. Mr Bos, belangenbehartiger van uw cliënten, stelt in zijn brief d.d. 12 juni 2007 dat u [betrokkene 4 + 5] hieromtrent niet juist zou hebben geïnformeerd. Voor deze kwestie biedt uw beroepsaansprakelijkheidsverzekering in beginsel wel dekking.

Om uw aansprakelijkheid in deze kwestie te kunnen beoordelen, ontvangen wij graag een kopie van uw dossier, waaronder een kopie van het aanvraagformulier, de verkoopinformatie en de verstrekte waardeoverzichten.”

De brief van 22 oktober 2007:

“Op het moment van afsluiten van de Vliegwiel Kapitaalovereenkomst van Aegon, zijnde 1997, was clausule 129 van toepassing op uw polis. Op grond van deze clausule biedt uw polis wel dekking voor de bemiddeling in beleggingsproducten.”

3.2.3

Deze klachten zijn gegrond. Het oordeel van het hof (in rov. 3.10) dat de eerste brief op een vergissing van Bavam berustte, alsmede dat uit de eerste brief niet een zonder voorbehoud gegeven dekkingstoezegging kan worden afgeleid waarop Huvass c.s. mochten afgaan of mochten vertrouwen, is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de – door het hof onvermeld gelaten – tweede brief van ruim drie maanden later. Het hof heeft die tweede brief niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. De door het hof voor zijn laatstgenoemde oordeel gegeven motivering (“in het licht van het feit dat sprake was van een vergissing, mede in aanmerking genomen dat de bewoordingen ‘in beginsel’ zijn gebruikt en Bavam aanvullende vragen heeft gesteld en dat zij in een later stadium haar dekkingsstandpunt nader heeft toegelicht”) is voorts niet toereikend, nu daarbij, zeker tegen de achtergrond van de brief van 22 oktober 2007, ongewis blijft op welke nadere toelichting van het dekkingsstandpunt het hof het oog heeft.

3.2.4

De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling.

3.3.1

Onderdeel 3 richt klachten tegen het oordeel van het hof (in rov. 3.15 van het derde tussenarrest) dat dekking van de aansprakelijkheid voor de werkzaamheden van de vof met betrekking tot de beleggingshypotheek ontbreekt op de grond dat daarbij niet is gehandeld in de verzekerde hoedanigheid van ‘bemiddeling bij financiering en hypotheekverlening’. Onderdeel 3.2 klaagt dat het hof daarbij niet voldoende (begrijpelijk) het betoog van Huvass c.s. heeft verworpen dat inhield, kort gezegd, dat
(i) voor het antwoord op de vraag of in de bedoelde hoedanigheid is gehandeld beslissend, althans relevant is, of een bemiddelaar in hypotheekverlening de betrokken werkzaamheden placht of pleegt te verrichten,

(ii) het geven van financieel advies per definitie onderdeel is van bemiddeling bij het afsluiten van verzekeringen en hypotheekproducten,

(iii) bemiddeld is bij de totstandkoming van een (destijds) doodnormale beleggingshypotheek en

(iv) Bavam, als zij een minder ruime formulering van de verzekerde hoedanigheden had gewild, zij die in de polisvoorwaarden had kunnen geven en dat niet valt in te zien waarom het gezichtspunt geen rol zou spelen dat bij onduidelijkheid de polisvoorwaarden in het nadeel van Bavam als opsteller zijn uit te leggen (uitleg contra proferentem).

3.3.2

Het hof heeft geen blijk ervan gegeven bij zijn uitleg van de betrokken polisvoorwaarde de in het onderdeel bedoelde, als essentieel aan te merken, stellingen in zijn oordeel te hebben betrokken. De klacht slaagt dus.

De overige klachten behoeven geen behandeling.

3.4

Onderdeel 4 mist zelfstandige betekenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2014, 10 oktober 2017 en 24 juli 2018;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

- veroordeelt Bavam in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Huvass c.s. begroot op € 956,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bavam deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de vicepresident W.A.M. van Schendel op 28 februari 2020.

1 Hof Amsterdam 8 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2494.

2 Hof Amsterdam 10 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4156.

3 Hof Amsterdam 24 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2624.