Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:326

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
19/00753
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:187
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (meermalen gepleegd) door notaris die heeft nagelaten om ongebruikelijke transacties te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Heeft hof voldoende gerespondeerd op een verweer m.b.t. de ontvankelijkheid van het OM wegens schending van de beginselen van een goede procesorde resp. ne bis in idem? Is de bewezenverklaarde bekendheid met het ongebruikelijke karakter van de transacties toereikend gemotiveerd? HR: art. 81.1 RO. CAG gaat nader in op de vraag of door de samenloop tussen de strafrechtelijke en tuchtrechtelijke procedure sprake is van ‘hetzelfde feit’ dan wel of deze samenloop schending oplevert van het ‘ne bis in idem’-beginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/00753 E

Datum 3 maart 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 1 februari 2019, nummer 22-004617-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam en R. van der Hoeven, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen‑Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020.