Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:323

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
18/01641
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10, leden 1, 2 en 7, Wet BPM (tekst 2013); art. 8, lid 4, letter a, Uitv.reg. BPM; art. 110 VWEU; afschrijving; in de handel algemeen toegepaste koerslijst; catalogusprijs en inkoopwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/404
Viditax (FutD), 21-02-2020
FutD 2020-0522
NTFR 2020/531 met annotatie van mr. J. Rolleman
V-N 2020/11.14 met annotatie van Redactie
NLF 2020/0566 met annotatie van Heleen Elbert
BNB 2020/62 met annotatie van B.A. van Brummelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/01641

Datum 21 februari 2020

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 maart 2018, nr. 15/01046, tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 14/8571) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

Belanghebbende heeft in 2013 een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto (hierna: de auto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. Het betreft een Skoda, type Octavia Combi 2.0 TDi, uitvoering RS (hierna: de uitvoering RS). De auto is op 19 maart 2010 voor het eerst toegelaten op de weg.

2.2

Ter zake van deze registratie heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Omdat het om een gebruikte personenauto gaat, heeft hij de verschuldigde bpm berekend met inachtneming van een vermindering als bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2013; hierna: de Wet).
Die vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende bepaald met gebruikmaking van de koerslijst XRAY B.V. (hierna: de koerslijst XRAY). Dat is een in de handel algemeen toegepaste koerslijst als bedoeld in artikel 8, lid 4, letter a, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Uitvoeringsregeling). De uitvoering RS was ten tijde van het doen van de aangifte niet in de koerslijst XRAY vermeld. Wel was in die koerslijst van hetzelfde merk en type auto de uitvoering Elegance vermeld (hierna: de uitvoering Elegance). Belanghebbende heeft de handelsinkoopwaarde van de auto gesteld op de in de koerslijst XRAY vermelde handelsinkoopwaarde van de uitvoering Elegance.

2.3

De uitvoering RS was ten tijde van de aangifte wel vermeld in de koerslijsten AutotelexPro en Eurotaxglass’s. De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden gesteld op de uit die koerslijsten blijkende handelsinkoopwaarde van de uitvoering RS. Toepassing van de handelsinkoopwaarde van de uitvoering RS zoals vermeld in de koerslijst AutolexPro of Eurotaxglass’s leidt tot een lagere afschrijving van de auto dan de afschrijving die voortvloeit uit toepassing van de wettelijke afschrijvingstabel bedoeld in artikel 8, lid 5, van de Uitvoeringsregeling. Daarom heeft de Inspecteur de vermindering van de verschuldigde bpm berekend met inachtneming van het afschrijvingspercentage volgens die tabel. Omdat het aldus berekende bedrag aan verschuldigde bpm hoger is dan het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan bpm, heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.4

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het recht van de Unie meebrengt dat de inkoopwaarde van de auto mag worden bepaald op de hiervoor in 2.2 omschreven wijze. Het Hof heeft dat betoog verworpen.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.1

Middel VII richt zich tegen de verwerping door het Hof van het hiervoor in 2.4 bedoelde betoog van belanghebbende. Dit betoog komt erop neer dat artikel 110, eerste alinea, VWEU meebrengt dat belanghebbende de handelsinkoopwaarde van de uitvoering Elegance mag hanteren omdat hij ervoor heeft gekozen de koerslijst XRAY te gebruiken en deze koerslijst geen vermelding bevat van de uitvoering RS. Volgens dit betoog doet het dan niet meer ertoe dat de uitvoering RS wél voorkomt in een andere in de handel algemeen toegepaste koerslijst.

3.1.2

Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd.1 Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.2 Het discriminatieverbod brengt mee dat die reële waardedaling of die werkelijke waarde zo goed mogelijk moet worden benaderd. Artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet, waarin is bepaald dat voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde bpm wordt berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving), moet met inachtneming hiervan worden uitgelegd en toegepast.

3.1.3

De uit het discriminatieverbod voortvloeiende eis om de reële waardedaling of de werkelijke waarde van een motorvoertuig zo goed mogelijk te benaderen, brengt mee dat de belastingplichtige die - overeenkomstig de in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling geboden mogelijkheden - ervoor kiest de afschrijving van het te registreren motorvoertuig te berekenen aan de hand van een door hem gekozen, in de handel algemeen toegepaste koerslijst, binnen die koerslijst de handelsinkoopwaarde moet nemen van het motorvoertuig waarvan de eigenschappen en de kenmerken (zoals merk en model, type aandrijving, uitrusting, leeftijd en kilometrage, en de staat van onderhoud) het dichtst aanleunen bij die van het uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuig waarvan de afschrijving moet worden bepaald.3

3.1.4

De door de belastingplichtige gemaakte keuze voor een bepaalde in de handel algemeen toegepaste koerslijst, laat echter - anders dan middel VII betoogt - onverlet dat de inspecteur mag stellen en zo nodig aannemelijk maken dat in de door de belanghebbende gekozen koerslijst, dan wel in een andere in de handel algemeen toegepaste koerslijst een motorvoertuig voorkomt waarvan de eigenschappen en de kenmerken dichter aanleunen bij die van het te registreren motorvoertuig. Uit hetgeen in 3.1.2 is overwogen, volgt dat artikel 110 VWEU niet eraan in de weg staat dat de in de aangifte opgegeven afschrijving van het te registreren motorvoertuig wordt gecorrigeerd wanneer de reële waardedaling of de werkelijke waarde ervan beter wordt benaderd met behulp van de handelsinkoopwaarde van een ander motorvoertuig, te weten van een motorvoertuig dat wat betreft eigenschappen en kenmerken dichter aanleunt bij het te registreren motorvoertuig dan het motorvoertuig waarvan de belastingplichtige de handelsinkoopwaarde bij de aangifte heeft gebruikt. Ook artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling verzet zich niet ertegen dat de inspecteur op die grond de vermindering aan bpm aanpast.

3.1.5

Uit hetgeen hiervoor in 3.1.2 tot en met 3.1.4 is overwogen, volgt dat middel VII faalt.

3.2

Middel III richt zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat zich voor de bepaling van de redelijke termijn van berechting in hoger beroep een verknochtheid van zaken voordoet als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Het middel slaagt in zoverre op grond van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623 (hierna: het arrest van 19 april 2019).

3.3.1

Het Hof heeft verworpen het betoog dat belanghebbende een vergoeding van rente toekomt over het bedrag aan griffierecht dat de Inspecteur aan belanghebbende dient te vergoeden. Hiertegen richten zich middel IV en ten dele middel V.

3.3.2

In het door het Hof verworpen betoog van belanghebbende ligt besloten een verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan (zie rechtsoverweging 2.4.2 van het arrest van 19 april 2019). Middel IV en middel V slagen in zoverre.

3.4

De overige klachten van de middelen kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.5

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 en 3.3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet worden verhoogd tot € 1.000. Tevens dient de beslissing van het Hof te worden aangevuld in de hiervoor in 3.3.2 bedoelde zin.

4 Proceskosten

De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade,

- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep vast op € 1.000,

- beslist dat, indien het bedrag van de door de Hoge Raad aanvullend vastgestelde immateriële schade van € 500 niet tijdig wordt vergoed, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop dit arrest is uitgesproken,

- beslist dat, indien het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan,

- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 253 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2020.

1 Vgl. HvJ 7 april 2011, Ioan Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punten 39 en 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

2 Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.

3 Vgl. HvJ 19 december 2013, X, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.