Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:315

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
18/03080
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1081, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:3522, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Zaakschade; abstracte schadeberekening; art. 6:97 BW. Vraag welk tarief netbeheerder bij leidingschade in rekening mag brengen voor storingsherstel. Abstraheren van meerkosten herstel in eigen beheer ook indien storingsherstel praktisch of wettelijk alleen in eigen beheer mogelijk is? Gaswet en Elektriciteitswet 1998. Motivering; ontbreken objectieve aanknopingspunten voor hoogte tarieven? Prorogatie, art. 329 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/576
RvdW 2020/292
RAV 2020/32
JA 2020/63 met annotatie van Hebly, M.R.
NJ 2020/247 met annotatie van S.D. Lindenbergh
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 18/03080

Datum 21 februari 2020

ARREST

In de zaak van

LIANDER N.V.,
gevestigd te Arnhem,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: Liander,

advocaten: H.J.W. Alt en F.I.S.A.L. van Velsen,

tegen

AON MEEÙS ASSURANTIËN B.V.,
gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

hierna: Meeùs,

advocaten: B.T.M. van der Wiel en L.V. van Gardingen.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de arresten in de zaak 200.205.619 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 januari 2018 en 17 april 2018 (bij prorogatie).

Liander heeft tegen het arrest van het hof van 17 april 2018 beroep in cassatie ingesteld. Meeùs heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De advocaat van Liander heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

Het gaat in deze zaak om de vraag op welke wijze in geval van aansprakelijkheid voor kabelschade de vergoeding moet worden vastgesteld voor storingsherstel door de netbeheerder. Partijen hebben deze vraag door prorogatie rechtstreeks aan het hof voorgelegd.

2.2

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Liander is netbeheerder in de zin van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998 en als zodanig economisch eigenaar van de door haar beheerde netten.

(ii) Bij grondwerkzaamheden brengen derden, veelal aannemers, veelvuldig schades aan de netten toe.

(iii) Liander verricht na een schade het storingsherstel van de netten met eigen personeel. Overige herstelwerkzaamheden – waaronder graafwerk – worden in de meeste gevallen verricht met behulp van derden.

(iv) Meeùs is verzekeringstussenpersoon. Zij wikkelt namens de via haar verzekerde aannemers leidingschades af met Liander.

2.3

Tussen Liander en Meeùs is een geschil ontstaan over de tarieven die Liander hanteert bij het afwikkelen van leidingschades. Zij zijn in het kader van mediation overeengekomen om bij prorogatie (art. 329 Rv) aan het hof de vraag voor te leggen naar een objectieve maatstaf die bij de afhandeling van schades kan worden gehanteerd.

2.4.1

Liander heeft in deze procedure in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat de uurtarieven die zij bij leidingschades hanteert voor de werkzaamheden van het eigen personeel, voldoen aan de daarvoor geldende rechtsmaatstaven, indien deze tarieven niet wezenlijk afwijken van die, welke bij het herstel van leidingschades door een representatieve groep van Nederlandse beheerders van gas- en elektriciteitsnetten aan de aansprakelijken in rekening worden gebracht voor de werkzaamheden van het eigen personeel.

2.4.2

Meeùs heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren: primair dat de tarieven die Liander voor werkzaamheden van haar eigen personeel hanteert, slechts voldoen aan de rechtsmaatstaven die daarvoor gelden, indien deze tarieven niet hoger zijn dan het gemiddelde tarief dat een representatieve groep Nederlandse aannemingsbedrijven in soortgelijke gevallen in rekening brengt, en subsidiair dat op Liander de verplichting rust – kort samengevat – om inzicht te geven in de opbouw van haar tarieven.

2.5

Het hof heeft de vordering van Liander afgewezen. Daaraan heeft het – samengevat, en voor zover in cassatie van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

In gevallen van zaaksbeschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering van die zaak. Deze waardevermindering zal in het algemeen gelijk zijn aan de naar objectieve maatstaven berekende kosten die met het herstel zijn gemoeid. De aard van zodanige schade rechtvaardigt dat de rechter bij het begroten daarvan in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen. (rov. 4.1)

Partijen zijn het erover eens dat dit uitgangspunt van abstracte schadeberekening betekent dat de (zaaks)schade moet worden gesteld op het bedrag dat een ‘bekwaam reparateur’ in rekening zou hebben gebracht of op het bedrag van de kosten die normaal aan de reparatie besteed zouden zijn. (rov. 4.2)

Volgens Liander gaat het bij de gevorderde verklaring voor recht niet om gewone herstelwerkzaamheden, zoals graafwerk, die ook door derden/aannemers kunnen worden verricht. Het gaat om het storingsherstel dat Liander op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet slechts in eigen beheer kan verrichten. Daarom dient volgens Liander voor het bedrag dat de 'bekwaam reparateur' in rekening zou brengen, wat betreft dit storingsherstel gekeken te worden naar hetgeen een 'representatieve groep Nederlandse beheerders van gas-en elektriciteitsnetten' bij het herstel van leidingschades voor werkzaamheden van het eigen personeel in rekening pleegt te brengen. Het hof volgt Liander niet in dit standpunt. (rov. 4.2-4.3)

Bij toepassing van abstracte schadeberekening zal zoveel mogelijk geabstraheerd moeten worden van de omstandigheid dat de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet meebrengen dat werkzaamheden die zien op zuiver storingsherstel verricht moeten worden in de beperkte en zeer sterk gereguleerde markt van beheerders van elektriciteits- en gasnetten in Nederland. Met dit uitgangspunt is niet goed verenigbaar om rekening te houden met de omstandigheid dat Liander (en de andere netbeheerders) bij uitsluiting in eigen beheer storingen detecteren en herstellen, waarbij zij geen rekening houden met de objectief te berekenen kosten die gemiddeld op de vrije markt met dergelijke herstelreparaties gemoeid zijn. Een dergelijke vrije markt ontbreekt evenwel en ook overigens zijn onvoldoende objectieve aanknopingspunten aangereikt om de door Liander aangereikte maatstaf zonder meer als juist te aanvaarden. Voor een abstracte schadebegroting zouden niet zonder meer de tarieven die de netbeheerders zelf hanteren als uitgangspunt moeten dienen, maar zou veeleer gezocht moeten worden naar een benadering van wat commerciële bedrijven voor dergelijke werkzaamheden in rekening zouden brengen indien wel sprake zou zijn van een (min of meer) vrije markt. De (gemiddelde) loonkosten van de storingsmonteurs van de netbeheerders en de overige met storingsherstel voor de netbeheerders gemoeide kosten, afgezet tegen de (gemiddelde) loonkosten van (min of meer) vergelijkbare monteurs en tegen de kosten van de uitvoering van (min of meer) vergelijkbare werkzaamheden van andere commerciële bedrijven in combinatie met de tarieven die deze andere commerciële bedrijven voor dergelijke werkzaamheden plegen te hanteren, kunnen daarvoor mogelijk als voldoende objectieve uitgangspunten dienen. Gelet op de wijze waarop de vordering is geformuleerd, ligt dat evenwel verder niet ter beoordeling aan het hof voor. (rov. 4.4)

Aan de reconventionele vordering van Meeùs is het hof voorbijgegaan op de grond dat niet ondubbelzinnig is gebleken dat de tussen partijen in het kader van de mediation gemaakte afspraken voorzien in een reconventionele vordering. (rov. 4.6)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

Inleiding

3.1.1

Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid, kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd.1

3.1.2

Ingevolge art. 6:97 BW dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In gevallen van zaaksbeschadiging is uitgangspunt dat de eigenaar van de beschadigde zaak door die beschadiging een nadeel in zijn vermogen lijdt dat gelijk is aan de waardevermindering die de zaak heeft ondergaan. Volgens vaste rechtspraak zal het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten die met het herstel zijn gemoeid. De aard van zodanige schade rechtvaardigt dat de rechter bij het begroten daarvan in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen.2

Het geschil in deze zaak

3.2.1

Partijen zijn het erover eens dat het in deze zaak bij de hiervoor bedoelde abstracte berekening van de zaakschade erop aankomt welk bedrag een ‘bekwaam reparateur’ in rekening zou hebben gebracht. Zij verschillen echter van mening over het tarief dat daarbij moet worden toegepast voor een deel van de werkzaamheden, te weten het storingsherstel.

3.2.2

Liander verdedigt dat moet worden uitgegaan van de tarieven die leidingbeheerders gebruikelijk bij schadeherstel voor het werk van hun personeel in rekening brengen. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat het bij storingsherstel gaat om werkzaamheden waarbij de netbeheerder vanwege de aard daarvan is aangewezen op eigen medewerkers. Voor de periode tot 1 januari 2019 heeft zij bovendien aangevoerd dat de netbeheerder op grond van de destijds geldende regelgeving het storingsherstel slechts in eigen beheer, met eigen medewerkers, mocht verrichten.

3.2.3

Meeùs stelt dat in het kader van abstracte schadeberekening moet worden aangesloten bij het gemiddelde bedrag dat een representatieve groep aannemersbedrijven in soortgelijke gevallen in rekening brengt.

Abstraheren van herstel in eigen beheer?

3.3.1

Het hof heeft het standpunt van Liander verworpen. Het heeft overwogen dat bij de abstracte schadeberekening geen rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat Liander en de andere netbeheerders bij uitsluiting in eigen beheer storingen detecteren en herstellen.

3.3.2

Het middel klaagt onder meer dat het hof met dit oordeel heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Bij de beoordeling van deze klacht moet bij wege van veronderstelling ervan worden uitgegaan dat Liander gelijk heeft met haar, door Meeús betwiste, standpunten dat storingsherstel wegens de aard van deze werkzaamheden alleen door eigen medewerkers van de netbeheerder kan worden uitgevoerd, en tot 1 januari 2019 ook alleen door eigen medewerkers mocht worden uitgevoerd. Het hof heeft deze standpunten van Liander niet verworpen en heeft deze tot uitgangspunt genomen.

De klacht is terecht voorgesteld. Als de aard van de werkzaamheden die voor Liander als netbeheerder met storingsherstel zijn gemoeid, meebrengt dat deze werkzaamheden feitelijk alleen door medewerkers van Liander kunnen worden uitgevoerd, of, tot 1 januari 2019, dat deze werkzaamheden wettelijk alleen door eigen medewerkers van Liander mochten worden uitgevoerd, dient niet van deze omstandigheden te worden geabstraheerd. Die abstractie zou te zeer in strijd komen met het hiervoor in 3.1.1 weergegeven uitgangspunt dat de werkelijke schade van de benadeelde moet worden vergoed. De door een storing veroorzaakte schade dient in zo’n geval te worden begroot op de naar objectieve maatstaven vast te stellen kosten die een netbeheerder maakt om een dergelijke storing met inzet van eigen medewerkers te verhelpen.

3.3.3

Het middel bestrijdt voorts het oordeel van het hof in rov. 4.4 dat een vrije markt ontbreekt en dat ook overigens onvoldoende objectieve aanknopingspunten zijn aangereikt om de door Liander gehanteerde tarieven zonder meer als juist te aanvaarden.

Deze klacht faalt. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de tarieven die Liander voor storingsherstel hanteert, niet in een vrije markt tot stand komen omdat een dergelijke markt ontbreekt. In dit oordeel ligt besloten dat de vergelijking met tarieven die andere netbeheerders voor storingsherstel hanteren een onvoldoende objectief aanknopingspunt is, omdat onvoldoende duidelijk is waarop deze tarieven berusten. Evenmin is onbegrijpelijk dat het hof van oordeel was dat Liander ook overigens onvoldoende objectieve aanknopingspunten heeft aangereikt om de door haar gehanteerde tarieven zonder meer als juist te aanvaarden. Liander heeft weliswaar factoren genoemd die haar tarief mede bepalen (bijvoorbeeld dat haar monteurs over een ‘eigen’ bestelwagen beschikken, en dat voor een netwerkbedrijf een eigen CAO geldt), maar zij heeft geen inzicht gegeven in de daaraan verbonden kosten of in de opbouw van de door haar of andere netbeheerders gehanteerde tarieven.

Overige klachten en afdoening

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.5

Uit het voorgaande volgt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door tot uitgangspunt te nemen dat moet worden geabstraheerd van de omstandigheid dat storingsherstel door eigen medewerkers van Liander plaatsvindt (zie hiervoor in 3.3.2). Het hof mocht de door Liander gevorderde verklaring voor recht echter weigeren omdat Liander onvoldoende objectieve aanknopingspunten heeft verschaft ter rechtvaardiging van de door haar gehanteerde tarieven (zie hiervoor in 3.3.3). Liander heeft als gevolg hiervan geen belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. De Hoge Raad zal het beroep dan ook bij gebrek aan belang verwerpen.

3.6

Omdat het middel in het principale beroep niet leidt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoeft het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep niet te worden onderzocht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het principale beroep;

- veroordeelt Liander in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Meeùs begroot op € 865,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Liander deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 21 februari 2020.

1 HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208 (Arubaanse taxi), rov. 3.3.3; HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998 (Rijnstate), rov. 3.3 en 3.4.

2 HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357 (Reaal Schadeverzekering/Athlon Car Lease), rov. 3.6.1.