Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:279

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/04329
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:40
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2018:3011, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van cocaïne. Methode van extrapolatie. Hof heeft verzuimd in strafzaak verbeurdverklaard geldbedrag van € 1.855 in mindering te brengen op opgelegde betalingsverplichting, art. 33a.1.a Sr. HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Uit in h.b. in zoverre bevestigd vonnis van Rb in hoofdzaak volgt dat verbeurdverklaring van geldbedrag van € 1.855 is gestoeld op art. 33a.1.a Sr. Dat betekent dat Hof onder betrokkene in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaard geldbedrag in mindering had moeten brengen op aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting. HR doet zaak zelf af door vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met verbeurdverklaard geldbedrag van € 1.855. Uitgaande van door Hof vastgestelde betalingsverplichting van € 349.000 zal worden bepaald dat aan betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan Staat bedrag van € 347.145 bedraagt. Vervolg op 18/00419 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0053
RvdW 2020/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/04329 P

Datum 18 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 28 september 2018, nummer 22/001620-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft K.R. Verkaart, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van de betalingsverplichting tot € 347.145,00 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste tot en met vierde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het in de hoofdzaak in beslag genomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.855 niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 30 tot en met 32.

2.3

De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen door de door het hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 1.855. Uitgaande van de door het hof vastgestelde betalingsverplichting van € 349.000 zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 347.145 bedraagt.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 347.145 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2020.