Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:278

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/01464
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:964
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:11472, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging (art. 266.1 Sr) en ander door bedreiging met smaadschrift dwingen iets te doen (art. 284.1.2 Sr) door tijdens les hoorbaar voor leerlingen aan strafrechtelijk verleden onderwijsassistent te refereren en telefonisch te dreigen media erbij te halen, waarna school arbeidsrelatie met onderwijsassistent beëindigt. 1. Stelling dat bewezenverklaring berust op verklaring van 1 getuige. 2. Opzet op in het openbaar beledigen. 3. Beroep op bijzondere rechtvaardigingsgrond van art. 266.2 Sr. Uitleg begrip “behartiging van openbare belangen”. 4. Bewijs dat verdachte directie van school door bedreiging met smaadschrift heeft gedwongen iets te doen. Kan sprake zijn van “een ander door bedreiging met smaadschrift dwingen iets te doen” a.b.i. art. 284.1.2 Sr wanneer smaad(schrift) niet tegen die ander maar tegen één of meer derden is gericht? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01464

Datum 18 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 20 december 2017, nummer 21/006725-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V. Wolting, advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 500, - en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker,en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2020.