Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:232

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
17/02107
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omvang terugwijzingsopdracht na cassatie. Omvat door HR uitgesproken vernietiging en terugwijzing t.z.v. de strafoplegging tevens de beslissing van het hof tot strafbepaling ex art. 423.4 Sv? I.c. heeft de Rb. verdachte veroordeeld voor 5 feiten, maar is het h.b. beperkt tot de feiten 1 en 2. Het hof heeft voor feiten 1 en 2 veroordeeld en voor de feiten 3, 4 en 5 een straf bepaald ex art. 423.4 Sv. De HR heeft dit arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen t.z.v. het onder 1 tlgd en de strafoplegging. Het hof heeft na terugwijzing verdachte voor feit 1 veroordeeld, voor de feiten 1 en 2 een straf opgelegd en geconstateerd dat de vóór cassatie bepaalde straf voor feiten 3, 4 en 5 in stand is gebleven. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:1430 m.b.t. omvang van vernietiging wat betreft de strafoplegging. Van strafoplegging in deze zin is geen sprake indien de rechter in h.b. op grond van art. 423.4 Sv de sanctie heeft bepaald m.b.t. de door de rechter in e.a. bewezenverklaarde feiten ter zake waarvan de veroordeling al onherroepelijk is geworden. (Vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA5734.) Met een dergelijke beslissing legt het hof immers niet zelf een sanctie op die het passend en geboden acht t.z.v. de feiten die niet aan zijn oordeel onderworpen zijn, maar bepaalt het slechts welk gedeelte van de sanctie(s) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd t.z.v. de feiten die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. (Vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK3202.) In een vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ zijn dan ook niet begrepen beslissingen a.b.i. art. 423.4 Sv. Indien de HR een bestreden uitspraak ‘wat betreft de strafoplegging’ vernietigt, blijft de beslissing in die uitspraak m.b.t. het bepalen van de straf dus in stand. Dat is anders indien de bestreden uitspraak van het hof algeheel wordt vernietigd. In dat geval omvat de vernietiging van die uitspraak ook de in art. 423.4 Sv bedoelde beslissing. Het voorgaande laat overigens de mogelijkheid onverlet dat in cassatie wordt geklaagd over de wijze waarop de rechter in h.b. ex art. 423.4 Sv de sanctie heeft bepaald en dat, indien die klacht slaagt, de HR het arrest van het hof in zoverre partieel vernietigt. Het oordeel van het hof dat i.c. de strafbepaling voor de feiten 3, 4 en 5 na terugwijzing niet meer aan de orde was, is dus juist. Volgt verwerping. Mede n.a.v. vragen die daaromtrent in de rechtspraktijk zijn gerezen, overweegt de HR nog wat vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ betekent voor beslissingen omtrent een vordering b.p. en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. CAG: anders t.a.v. vraag of terugwijzing wat betreft de strafoplegging de strafbepaling mede omvat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/504
RvdW 2020/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 17/02107

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 april 2017, nummer 22/004215-16, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

hierna: de verdachte.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1

Het middel klaagt dat het Hof, na terugwijzing door de Hoge Raad, niet overeenkomstig art. 423, vierde lid, Sv de straf heeft bepaald voor de feiten 3, 4 en 5.

2.2

Het procesverloop is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt.

(i) De Rechtbank heeft bij vonnis van 2 augustus 2013 de verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde misdrijven veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de Rechtbank ten aanzien van feit 2 de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

(ii) Nadat de verdachte tegen dat vonnis onbeperkt hoger beroep heeft ingesteld, is het hoger beroep bij akte ingetrokken ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5.

(iii) Het Hof heeft bij arrest van 19 november 2014 het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd. Het Hof heeft de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het Hof ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het Hof heeft ten slotte de straf voor de door de Rechtbank bewezen verklaarde feiten 3, 4 en 5 bepaald op een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest.

(iv) De verdachte heeft tegen dit arrest van het Hof onbeperkt beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 september 2016 het arrest van het Hof van 19 november 2014 vernietigd “maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging”, en de zaak teruggewezen naar het Hof “opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan”.

(v) Het Hof heeft, na terugwijzing door de Hoge Raad, bij het thans bestreden arrest van 7 april 2017 het vonnis van de Rechtbank, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en feit 1 bewezenverklaard. Het dictum van het arrest van het Hof houdt verder in:

“ten aanzien van feit 1 en 2:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ingevolge het arrest van dit hof van 19 november 2014:

stelt vast dat de verdachte ter zake van de feiten 3 primair, 4 en 5 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt vast dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) ter zake van materiële schade is toegewezen (...);

stelt vast dat aan de verdachte de verplichting is opgelegd om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 15.155,53 (vijftienduizend honderdvijfenvijftig euro en drieënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade (...);

stelt vast dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering.”

2.3

De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift ‘Strafmotivering’ onder meer het volgende in:

“De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat, gelet op de terugwijzing door de Hoge Raad voor zowel feit 1 als de straftoemeting, voor wat betreft de strafmaat de volledige straf (het hof begrijpt: ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5) bij de strafbepaling thans weer aan de orde is.

Het hof overweegt hierover als volgt.

De verdediging heeft destijds bij akte van 8 juli 2014 het hoger beroep voor wat betreft de feiten 3, 4 en 5 ingetrokken. Ter zake van deze feiten heeft het hof in het arrest van 19 november 2014 een straf bepaald. Van dit arrest is onbeperkt cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft dit arrest vernietigd maar uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de term "strafoplegging" niet ziet op de straf die het hof bij arrest van 19 november 2014 reeds heeft bepaald ter zake van de feiten 3, 4 en 5. De straf voor deze feiten (een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest) is bepaald en is na verwijzing niet meer aan de orde. Wel zal het hof een (nieuwe) straf dienen op te leggen voor de feiten 1 en 2.”

2.4

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

- Art. 407 Sv:

“1. Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.

2. Zijn echter in eersten aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, dan kan het hooger beroep tot het vonnis voor zoover dit eene of meer der gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”

- Art. 423, vierde lid, Sv:

“Indien bij samenloop van meerdere feiten ééne hoofdstraf is uitgesproken en het hooger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer dier feiten, wordt, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.”

- Art. 429 Sv:

“Het beroep in cassatie kan ook tegen een gedeelte van het vonnis of arrest worden ingesteld.”

- Art. 440, eerste lid, Sv:

“De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet ontvankelijk, verwerpt het beroep of vernietigt het vonnis of arrest geheel of gedeeltelijk, hetzij op de aangevoerde, hetzij op andere gronden.”

2.5.1

Indien door de Hoge Raad een bestreden uitspraak ‘wat betreft de strafoplegging’ wordt vernietigd, geldt in beginsel en tenzij in het desbetreffende arrest anders is vermeld dat in deze vernietiging zijn begrepen alle in de bestreden uitspraak genomen beslissingen als bedoeld in art. 351 Sv met betrekking tot de oplegging van een straf en/of maatregel. In zo’n vernietiging zijn ook begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 353-354 Sv omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen en de beslissingen als bedoeld in art. 361a Sv omtrent een vordering inzake de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf en een vordering inzake de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling. (Vgl. HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1430.)

2.5.2

Van ‘strafoplegging’ in de hiervoor bedoelde zin is geen sprake indien de rechter in hoger beroep op grond van art. 423, vierde lid, Sv de sanctie heeft bepaald met betrekking tot de door de rechter in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten ter zake waarvan de veroordeling al onherroepelijk is geworden. (Vgl. ook met betrekking tot art. 359, vijfde en zesde lid, Sv HR 9 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5734.) Met een dergelijke beslissing legt het Hof immers niet zelf een sanctie op die het passend en geboden acht ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan zijn oordeel onderworpen is/zijn, maar bepaalt het slechts welk gedeelte van de hoofdstraf en/of bijkomende straf(fen) en/of maatregel(en) geacht moet(en) worden door de eerste rechter te zijn opgelegd ter zake van het feit dat of de feiten die niet aan het oordeel van het Hof is/zijn onderworpen. (Vgl. HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3202.) In een vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ zijn dan ook niet begrepen beslissingen als bedoeld in art. 423, vierde lid, Sv.

Indien de Hoge Raad een bestreden uitspraak ‘wat betreft de strafoplegging’ vernietigt, blijft de beslissing in die uitspraak met betrekking tot het bepalen van de straf dus in stand. Dat is anders indien de bestreden uitspraak van het Hof algeheel wordt vernietigd. In dat geval omvat de vernietiging van die uitspraak ook de in art. 423, vierde lid, Sv bedoelde beslissing.

2.5.3

Het voorgaande laat overigens de mogelijkheid onverlet dat in cassatie wordt geklaagd over de wijze waarop de rechter in hoger beroep op de voet van art. 423, vierde lid, Sv de sanctie heeft bepaald en dat, indien die klacht slaagt, de Hoge Raad het arrest van het Hof partieel vernietigt met betrekking tot de beslissing over het bepalen van de sanctie.

2.5.4

Het oordeel van het Hof dat het in zijn arrest van 7 april 2017 niet meer had te oordelen over de sanctieoplegging voor de feiten 3, 4 en 5, omdat bij arrest van het Hof van 19 november 2014 de straf voor die feiten al was bepaald en die strafbepaling na terugwijzing door de Hoge Raad niet meer aan de orde was, is - gelet op wat hiervoor is overwogen - juist.

2.5.5

Het middel faalt.

2.6.1

Over de in 2.5.1 weergegeven rechtspraak over de betekenis van de vernietiging in cassatie ‘wat betreft de strafoplegging’ overweegt de Hoge Raad, mede naar aanleiding van vragen die daaromtrent in de rechtspraktijk zijn gerezen, nog het volgende.

2.6.2

In de vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’ zijn in beginsel niet begrepen de beslissingen als bedoeld in art. 361 Sv omtrent een vordering van de benadeelde partij, nu die beslissingen worden bepaald door de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij.

2.6.3

Van de beslissing omtrent een vordering van de benadeelde partij moet worden onderscheiden de beslissing ter zake van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is wel begrepen in de vernietiging ‘wat betreft de strafoplegging’, tenzij anders wordt vermeld in de uitspraak van de Hoge Raad.

Aanleiding voor zo’n andersluidende beslissing van de Hoge Raad kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat in de bestreden uitspraak meerdere feiten zijn bewezenverklaard en ten aanzien van verschillende van die feiten een vordering van een benadeelde partij is toegewezen, terwijl de vernietiging door de Hoge Raad wordt beperkt tot één van die feiten. De vernietiging van de beslissingen met betrekking tot dat feit omvat dan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij die betrekking heeft op dat feit, maar niet de toewijzing van de vordering(en) met betrekking tot de overige bewezenverklaarde feiten. Dat kan aanleiding vormen om de schadevergoedingsmaatregel(en) die is (of zijn) opgelegd met betrekking tot de schade die is veroorzaakt door de feiten waarvan de bewezenverklaring in stand blijft, buiten de vernietiging van de strafoplegging te houden. Een voorbeeld daarvan betreft HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:132.

2.6.4

Voorts kan worden gewezen op het geval waarin de grond voor cassatie uitsluitend is gelegen in de (gehele of gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, terwijl in verband met die toewijzing tevens een schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag is opgelegd. In dat geval wordt in beginsel de bestreden uitspraak uitsluitend vernietigd met betrekking tot de beslissing op die vordering en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel - en niet met betrekking tot de strafoplegging als geheel.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 216 uren, subsidiair 108 dagen hechtenis, belopen;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.