Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:215

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
18/01592
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1330
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van handelen in strijd met art. 27.1 WWM door het dragen van balletjespistolen. Klacht dat hof balletjespistolen heeft aangemerkt als voorwerpen die zijn bestemd om mee te dreigen a.b.i. art. 2.1 categorie IV sub 7 WWM, terwijl het hof heeft vrijgesproken van het voorhanden hebben van op vuurwapens gelijkende voorwerpen ex art. 2.1 categorie I sub 7 WWM. Verhouding tussen beide wapencategorie├źn. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/01592

Datum 11 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 28 maart 2018, nummer 22/000423-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.L. Baar, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020.