Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:2082

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
17/01725 bis
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 9, lid 2, letter a, Wet OB; post a.1, van Tabel I behorende bij de Wet OB; punt 1 van Bijlage III van BTW-richtlijn 2006; uitleg van “levensmiddelen voor menselijke consumptie” en “producten die gewoonlijk zijn bestemd ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen”; eindarrest na HvJ 1 oktober 2020, X, C-331/19.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-12-2020
V-N Vandaag 2020/3154
FutD 2020-3766 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/65.18 met annotatie van Redactie
NTFR 2021/229 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
BNB 2021/28 met annotatie van D.B. Bijl
NLF 2021/0008 met annotatie van Toon Vroon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 17/01725bis

Datum 18 december 2020

ARREST

in de zaak van

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

tegen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 24 februari 2017, nrs. BK-16/00451 tot en met BK-16/00453, na beantwoording van de door de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:643, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 1 oktober 2020, X, C-331/19, ECLI:EU:C:2020:786, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“De begrippen „levensmiddelen voor menselijke consumptie” en „producten die gewoonlijk bestemd zijn ter aanvulling of vervanging van levensmiddelen” in punt 1 van bijlage III bij richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op alle producten met voedingsstoffen die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme, die worden geconsumeerd om die stoffen toe te dienen.”

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd.

2 Nadere beoordeling van het middel

2.1

Het Hof heeft geoordeeld dat op de in geding zijnde producten in de vorm van capsules, druppels, poeders en sprays (hierna tezamen: de producten) het verlaagde tarief van artikel 9, lid 2, aanhef en letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) van toepassing is omdat zij voedingsmiddelen zijn in de zin van post a.1, aanhef en letter a, van de bij de Wet behorende Tabel I (hierna: Tabel I). Redengevend voor dat oordeel acht het Hof dat de producten oraal moeten worden ingenomen en dat zij bestanddelen bevatten die eigen zijn aan voor menselijk gebruik bestemde voedingsmiddelen. Dat de producten worden aangeprezen en gebruikt als sekslustopwekkende middelen staat volgens het Hof niet aan de toepassing van het verlaagde tarief in de weg.

2.2

De door het Hof van Justitie gegeven antwoorden brengen mee dat het bij “eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie” in de zin van post a.1, letter a, van Tabel I gaat om producten die worden geconsumeerd vanwege hun voedingsstoffen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme. Die voedingsstoffen moeten bovendien noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme. Hetzelfde geldt voor producten die zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling of ter vervanging van bedoelde eet- en drinkwaren in de zin van post a.1, letter c, van Tabel I.
Dit betekent dat voor toepassing van post a.1, letter a, van Tabel I niet voldoende is dat een product is bestemd om oraal te worden ingenomen en bestanddelen bevat die eigen zijn aan voor menselijk gebruik bestemde voedingsmiddelen. Het product moet niet alleen als zodanig geschikt zijn om te worden geconsumeerd, het moet voedingsstoffen bevatten die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme, en worden geconsumeerd vanwege die stoffen. De hiervoor in 2.1 weergegeven oordelen van het Hof geven daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.3

De producten worden op de verpakkingen ervan aangeprezen als sekslustopwekkende middelen, en worden ook als zodanig gebruikt. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat zij zijn samengesteld en verkocht voor andere effecten dan die welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van het menselijk organisme. Omdat de producten niet met het oog op die al dan niet welbepaalde voedingsfunctie zijn samengesteld en worden verkocht, kunnen zij niet worden gerangschikt onder post a.1, letter a of letter c, van Tabel I. Het is niet van belang of zij bestanddelen bevatten die op zichzelf beschouwd bevorderlijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van het menselijk organisme. Het middel slaagt daarom.

2.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een beoordeling van de door het Hof onbehandeld gelaten stellingen van belanghebbende.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen over de naheffingsaanslagen, en

- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, de vice-president M.E. van Hilten, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.