Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:2043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
19/02586
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:852
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging doodslag tegen A (art. 287 Sr) en medeplegen poging zware mishandeling tegen B (art. 302.1 Sr) door hen met helm te slaan en tegen hoofd te schoppen, nadat verdachte is gestoken door persoon uit groepje waartoe A en B behoorden en medeverdachte door A met baksteen in zijn hand is achtervolgd. Noodweer. Zijn gedragingen van verdachte aanvallend van aard? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456, inhoudende dat beroep op noodweer niet kan worden aanvaard indien gedraging als aanvallend moet worden gezien. Hof heeft vastgesteld dat medeverdachte is weggerend en daarbij werd achtervolgd door A, die baksteen of daarop lijkend voorwerp in zijn hand had, en dat verdachte op zijn beurt gericht en met grote snelheid achter A is aangerend, waarna verdachte direct grof geweld tegen A heeft uitgeoefend. Naar ‘s hofs oordeel waren deze gedragingen van verdachte aanvallend van aard. Hof heeft verder vastgesteld dat verdachte vervolgens geweld heeft uitgeoefend tegen B. Ook dat handelen van verdachte heeft hof als aanvallend van aard aangemerkt. Hof heeft aan verwerping van beroep op noodweer in de kern ten grondslag gelegd dat gedragingen van verdachte aanvallend karakter hadden. Daarmee heeft hof kennelijk toepassing willen geven aan hiervoor weergegeven uitzondering dat bij aanvallende gedragingen die zijn gericht op confrontatie of deelneming aan gevecht, beroep op noodweer niet kan worden aanvaard. ‘s Hofs oordeel dat door verdachte tegen A en B gebruikt geweld in die zin aanvallend van aard was, is niet z.m. begrijpelijk. Hof heeft immers ook vastgesteld dat verdachte, voordat hij achter A is aangerend, zelf is gestoken door persoon uit groepje waartoe A en B behoorden, dat op moment dat verdachte achter A is aangerend sprake was van aanval door A op medeverdachte en dat daarna B op verdachte en medeverdachte af is komen rennen. Hof heeft ook geen nauwkeurige feitelijke vaststellingen gedaan over tijdsverloop tussen deze incidenten noch over moment waarop en context waarin verdachte bewezenverklaarde gedragingen tegen A en B heeft verricht. Verwerping van beroep op noodweer is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0417
RvdW 2021/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02586

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2019, nummer 23-003451-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Kuipers, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte aanvallend van aard waren en dat daarom het beroep van de verdachte op noodweer moet worden verworpen.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 1 en onder 3 bewezenverklaard dat:

“1. hij op 24 juni 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet met zijn mededader voornoemde [benadeelde] meermalen tegen het hoofd heeft gestompt, ten gevolge waarvan voornoemde [benadeelde] ten val is gekomen en toen voornoemde [benadeelde] op de grond lag voornoemde [benadeelde] meermalen met een helm tegen het lichaam heeft geslagen en tegen het hoofd heeft geschopt en getrapt;

3. hij op 24 juni 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met zijn mededader voornoemde [slachtoffer] met een helm tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en meermalen tegen het hoofd heeft geschopt.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“Ten aanzien van feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair

1. Een proces-verbaal van bevindingen (camerabeelden), met fotobijlage, met nummer PL 1300- 2016136328-24 van 26 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 21 tot en met 50].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Kleding verdachte [betrokkene 1] (verdachte NN2)

Onder de verdachte [betrokkene 1] werd het volgende in beslag genomen:

- helm met zwarte zijkanten, twee witte strepen en een oranje middenbaan.

In de fouillering van de verdachte [betrokkene 1] werden de volgende kledingstukken aangetroffen en gefotografeerd:

- zwarte jas van het merk North Face

- zwart T-shirt

- zwarte gympen met aftekeningen

- zwart schoudertasje van het merk Prada.

Tijdens het verdachtenverhoor werd waargenomen, dat de verdachte [betrokkene 1] gekleed was in een donkerblauw poloshirt met twee witte streepjes op de kraag en mouwen en een spijkerbroek met gaten.

Kleding verdachte [verdachte] (verdachte NNI)

Onder de verdachte [verdachte] werden onder andere de volgende goederen in beslag genomen (zie fotobijlage):

- zwarte helm

- zwarte shirt met lange mouwen met daarop witte accenten, onder andere de tekst “coach 5” op de achterzijde en de letter “W” op de voorzijde

- zwart shirt met lange mouwen.

In de fouillering van de verdachte [verdachte] werden de volgende kledingstukken aangetroffen en gefotografeerd:

-zwart petje met bloemen op klep en witte tekst “Paris” boven de klep en witte tekst “straight outta” op achterzijde

- witte/lichtgrijze sportschoenen met luchtkussen in de zool

- zwart schoudertasje van het merk Guess.

Camerabeelden

Naar aanleiding van de poging doodslag / zware mishandeling / openlijke geweldpleging die op vrijdag 24 juni 2016 omstreeks 03.55 uur plaats vond aan de achterzijde van het Centraal Station, de Ruijterkade te Amsterdam, heb ik, verbalisant, de camerabeelden bekeken die door de aldaar aanwezige gemeentecamera’s zijn opgenomen.

Camera 126 staat gericht op taxistandplaats aan de achterzijde van het Centraal Station, in de richting van het station. Camera 128 staat vanaf dezelfde taxistandplaats gericht in de richting van de pont/het water aan de achterzijde van het Centraal Station.

Voor de leesbaarheid in dit proces-verbaal wordt de verdachte [verdachte] “NN1” genoemd (in het proces-verbaal van aangifte van de aangever [benadeelde] komt het signalement van NN1 grotendeels overeen met dat van de verdachte [verdachte] ) en wordt de verdachte [betrokkene 1] “NN2” genoemd (in het proces-verbaal van aangifte van de aangever [benadeelde] komt het signalement van NN2 grotendeels overeen met dat van de verdachte [betrokkene 1] ).

Door de politieambtenaar die de verdachten [betrokkene 1] en [verdachte] heeft aangehouden, zijn de verdachten [betrokkene 1] en [verdachte] vanaf de camerabeelden herkend als respectievelijk NN2 en NN1. Een proces-verhaal van herkenning zal later worden opgemaakt en worden nagezonden.

Signalementen

[benadeelde] (gele pijl)

Op de camerabeelden heb ik, verbalisant, de aangever [benadeelde] herkend als de persoon die gekleed is in een wit hemd, een korte blauwe spijkerbroek en lichtkleurige sportschoenen. Op de fotobijlage wordt [benadeelde] aangeduid met een gele pijl.

[benadeelde] verklaarde tijdens de aangifte dat er tijdens het incident twee Colombiaanse jongens bij hem waren. Op de camerabeelden is te zien dat dit kennelijk twee blanke jongens betreffen die allebei gekleed zijn in een blauwe (lange) spijkerbroek.

Vriend 1 (blauwe pijl)

Voor de leesbaarheid wordt in dit proces-verbaal de jongen met het volgende signalement “vriend 1” genoemd:

- blanke man

- wit T-shirt

- lange blauwe spijkerbroek

- zwart-witte sportschoenen

- zwart schoudertasje

- fiets aan de hand

Vriend 2 (oranje pijl)

De jongen met het volgende signalement wordt “vriend 2” genoemd:

- blanke man

- lange blauwe spijkerbroek

- zwart T-shirt

- donkere sportschoenen

NN1 (groene pijl)

De verdachte NN1 ( [verdachte] ) heeft op de camerabeelden het volgende signalement:

- licht getinte man

- zwart shirt met lage mouwen en witte accenten waaronder de letter “W” op de voorzijde en de tekst “coach 5” op de achterzijde

- zwarte pet met een wit accent op de voorkant boven de klep

- lichtkleurige sportschoenen

- zwart schoudertasje

NN2 (rode pijl)

De verdachte NN2 ( [betrokkene 1] ) heeft op de camerabeelden het volgende signalement:

- negroïde man

- zwart T-shirt

- spijkerbroek met gaten

- zwarte gympen

- zwart schoudertasje

* Camera 126, 03.57.37 uur:

NN2 komt met een zwarte helm in zijn rechterhand het beeld inrennen in de richting van het Centraal Station met de aangever [benadeelde] achter hem aangerend (foto 4). NN2 draait zich om half buiten het bereik van de camera 126 wordt er kennelijk geweld tegen aangever [benadeelde] gebruikt waardoor zijn hoofd naar achter beweegt en hij stopt met rennen. NN2 maakt vervolgens een slaande/duwende beweging met zijn linkerhand in de richting van het hoofd van [benadeelde] waardoor hij meerdere versnelde passen naar achter maakt (foto 5, 6 en 7). Tegelijkertijd valt de helm met witte strepen die NN2 vast houdt op de grond. [benadeelde] valt vervolgens achterover op de motorkap van een aldaar geparkeerd voertuig (foto 8). NN1 komt ondertussen aanrennen in de richting van NN2 en aangever [benadeelde] en heeft daarbij de zwarte helm in zijn rechterhand vast (foto 7 en 8). NN1 slaat vervolgens met deze helm 3 keer bovenhands op de achterzijde van het bovenlijf van [benadeelde] die op dat moment vanaf de motorkap van de auto valt (foto 9 en 10).

NN2 schopt met zijn rechterbeen en met veel kracht meerdere keren tegen het hoofd van [benadeelde] . NN2 schopt vijf keer achter elkaar tegen het hoofd van [benadeelde] , waarna NN2 twee keer met kracht op de rechter zijkant van het hoofd van [benadeelde] stampt en vervolgens nog twee keer met kracht tegen het hoofd schopt. Na de eerste drie schoppen ligt [benadeelde] al kennelijk roerloos, half op zijn buik, op de grond voor de auto (foto 17).

NN2 loopt vervolgens weg van [benadeelde] en pakt de zwarte helm van de grond op met zijn linkerhand (foto 18).

* Camera 126,03.58.02 uur:

NN2 kijkt vervolgens naar NN1 die weer het beeld in komt rennen. NN1 rent naar aangever [benadeelde] die nog steeds roerloos op de grond voor de auto ligt.

NN2 schopt [benadeelde] wederom met zijn rechterbeen en met kracht tegen zijn hoofd (foto 19).

* Camera 126 en 128, 03.58.12 uur:

Vriend 2 (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer] ) komt met ontbloot bovenlijf op NN1 en NN2 afrennen. NN2 slaat met zijn rechterhand met daarin de zwarte helm in de richting van het hoofd van deze vriend 2 (foto 20 t/m 22). Vriend 2 ontwijkt deze slaande beweging met de helm en maakt vervolgens een slaande beweging richting het hoofd van NN2, terwijl ondertussen de helm met de witte strepen op de grond valt. NN2 maakt dan een slaande beweging met zijn rechterarm in de richting van het hoofd van vriend 2 waarna er een worsteling ontstaat tussen NN2 en vriend 2 waar NN1 zich ook in mengt (foto 22). NN2 en vriend 2 komen los van elkaar en vriend 2 neemt een gevechtshouding aan tegenover NN2.

NN2 maakt dan een beweging naar zijn eigen hoofd, gelijkend op een gebaar wat geïnterpreteerd zou kunnen worden als “kom maar op”. [benadeelde] ligt dan nog steeds roerloos op de grond voor de auto.

Vriend 2 slaat vervolgens richting het hoofd van NN2 (foto 23). NN2 probeert deze slag te ontwijken door zijn hoofd naar achter te brengen waarna hij vriend 2 uit het beeld van camera 126 trekt. NN2 en vriend 2 worden op camera 128 gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door een pilaar, maar te zien is dat vriend 2 zijn evenwicht verliest en dat NN2 met zijn rechterbeen met kracht in de richting van het hoofd van vriend 2 schopt die half voorover gebogen staat. NN2 slaat meteen met zijn rechterhand in de richting van het hoofd van vriend 2 en schopt vriend 2 vervolgens wederom twee keer tegen het hoofd. Aan de beweging van het hoofd van vriend 2 is te zien dat deze schoppen met zeer veel kracht worden uitgeoefend. NN1 slaat ondertussen met de zwarte helm in zijn rechterhand één keer op het hoofd van vriend 2 die op de grond ligt (foto 24).

* Camera 126 en 128, 03.58.40 uur:

NN1 en NN2 pakken diverse spullen op van de grond (foto 25) en lopen in de richting van het Centraal Station (foto 26 en 27).

* Camera 126 en 128, 03.58.52 uur

NN1 draait zich op en loopt dan weer enigszins terug in de richting van [benadeelde] . Op dat moment komt vriend 2 enigszins overeind en dan rent NNI in de richting van vriend 2. NNI slaat met de zwarte helm in zijn rechterhand tegen het hoofd van vriend 2 die hierdoor weer achterover op de grond valt (foto 28). NNI en NN2 lopen dan in de richting van het Centraal Station en verdwijnen uit beeld (foto 29). NNI heeft de zwarte helm vast in zijn rechterhand en NN2 heeft de helm met witte strepen in zijn rechterhand vast.

- fotobijlage camerabeelden

2. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2016136328-6 van 24 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 9].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten of één van hen:

Op vrijdag 24 juni 2016, omstreeks 03:55 uur, bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] , ons in uniform gekleed en met assistentiedienst belast voor het Centraal Station het Stationsplein te Amsterdam.

Aldaar hoorden wij portofonisch de melding dat er een vechtpartij bij de . taxistandplaats zou zijn aan de achterzijde van het Centraal station, de Ruyterkade te Amsterdam.

Onmiddellijk begaven wij ons naar de taxistandplaats. Ter plaatse zagen wij een manspersoon. Deze manspersoon bleek later het slachtoffer te zijn genaamd:

*** [benadeelde] (man), geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] in Dominicaanse Republiek ***

Wij zagen dat [benadeelde] zijn gezicht onder het bloed zat. Ook zijn handen en T-shirt zaten onder het bloed. Wij zagen dat de ogen en mond van [benadeelde] opgezwollen waren kennelijk was dit door kracht gebeurd.

Afwachtend op komst van de ambulance sprak ik, verbalisant [verbalisant 2] , met de getuige die later bleek te zijn genaamd:

*** [getuige] (vrouw), geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] in Suriname ***

Ik hoorde [getuige] mij het volgende verklaren: “Ik zat in mijn auto bij de taxistandplaats toen ik hoorde dat wat jongens ruzie hadden. Ik keek uit mijn raam en zag bij de ingang van het station vijf (5) jongens met elkaar beetje ruzie maken.

De groep ging eigenlijk uit elkaar en ik zag dat ze weer bij elkaar waren bij de fietsenstalling. Opeens zag ik ze vechten. Ik zag dat die jongen die nu in de ambulance ligt (het hof begrijpt:) wegrende richting mijn auto. Toen hij vlak bij mijn auto was zag ik twee Jongens hem met geweld naar de grond brachten.

Ik zag dat zij met hun helm meerdere malen op hem insloegen ook toen hij op de grond lag bleven zij slaan en schoppen. Ik hoorde hem in het Surinaams tegen zijn vriend zeggen dat die jongen die zij zo hebben geslagen toch al dood zou zijn.

3. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2016136328-22 van 25 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 19 tot en met 20].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op zaterdag 25 juni 2016 omstreeks 15.30 uur hoorde ik, verbalisant, telefonisch de navolgende persoon:

Getuige : [getuige] (vrouw), geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] in Suriname.

V: Staat voor vraag/opmerking verbalisant A: Staat voor antwoord/opmerking getuige

V : Kunt u mij vertellen over de vechtpartij waar u getuige van bent geweest?

A: Dat kan ik. Ik reed samen met mijn vriendin in de auto. Wij zijn wij bij het Centraal Station gestopt. Toen mijn vriendin ongeveer 5 minuten weg was hoorde ik een hoop kabaal en geschreeuw. Ik zag dat er op ongeveer 10 meter van mijn voertuig een groepje van vier tot vijf jongens stond. Door het kabaal wat de jongens maakten werd mijn aandacht uiteraard getrokken. Ik zag dat het groepje zich meer in de richting van mijn voertuig verplaatste. Ik hoorde dat een grote donkere jongen tegen een kleinere getinte jongen zei: “Ik wil je niet slaan, je bent geen partij voor mij”. De grotere donkere jongen had een vriend bij zich die iets lichter getint was dan hij. De licht getinte vriend zei in het Surinaams tegen de grote donkere jongen: “Pas op, hij heeft een mes bij zich. Vervolgens ging het hele groepje de hoek om waardoor ik ze niet meer kon zien.

Kort hierna kwam de jongen die later zwaar toegetakeld zou worden de hoek om rennen. Ik zag dat hij een steen in zijn hand had. Welke hand dit was kan ik me niet meer met zekerheid herinneren. Ik zag dat de grote donkere jongen (het hof begrijpt: de verdachte) achter hem aan rende en dat hij een helm vast had. De grote donkere jongen sloeg vervolgens op het slachtoffer in. Hierna vond er een vechtpartij direct voor mijn voertuig plaats. De grote donkere jongen en zijn vriend (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) sloegen en trapten op het slachtoffer in. Hierbij werd ook de helm gebruikt om mee te slaan. Tijdens dit gevecht hoorde ik de jongens niets zeggen of schreeuwen. Ik heb diverse dingen naar de jongens geschreeuwd, in een poging ze te doen stoppen. Ik riep dingen als: “He! Wat is dit”. Ze reageerden helemaal nergens op, alsof er niets anders meer bestond dan het schoppen en slaan van de jongen.

Nadat de jongens gestopt waren met het schoppen en slaan hoorde ik dat de grote donkere jongen tegen het slachtoffer zei: het is je eigen schuld! Vervolgens zag ik dat zijn vriend op het slachtoffer spuwde.

Hierna gingen de donkere grote jongen en zijn vriend vechten met de vriend van het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer] ). Ook hij werd geschopt en geslagen. Hij kreeg eigenlijk hetzelfde voor zijn kiezen als het eerste slachtoffer. Ook bij hem gebruikten de jongens de helm om mee te slaan.

Na deze vechtpartijen ben ik uitgestapt en zag ik het eerste slachtoffer vrijwel onder de auto liggen. Hij lag roerloos op de grond en maakte geen geluid. Ik was ervan overtuigd dat hij dood was en durfde niet dichter bij hem in de buurt te komen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer PL1300-2016136328-28 van 26 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] [doorgenummerde pagina 87].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Ik, verbalisant heb de camerabeelden van deze openlijke geweldpleging c.q. poging doodslag bekeken op de toezichtcamera’s in het politiebureau Burgwallen te Amsterdam.

Aldaar zag ik dat de beide verdachten die deze feiten gepleegd hadden op vrijdag 24 juni 2016 omstreeks 03.45 uur dezelfde verdachten zijn die ik op vrijdag 24 juni 2016 te 04.02 uur en 04.03 uur heb aangehouden op de [b-straat] te Amsterdam.

Ik herkende de man die met de helm op het slachtoffer sloeg als de bijrijder van de motorscooter met het kenteken [kenteken] .

Dit was inderdaad verdachte die genaamd is:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] .

Vervolgens zag ik dat de nadere verdachte op het slachtoffer bleef intrappen. Deze verdachte had dezelfde kleding aan als de bestuurder van de motorscooter van het moment van aanhouding op de [b-straat] te Amsterdam.

Het was ook de verdachte die genaamd is:

[betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] .

5. Een proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, met nummer PL1300-2016136328-39 van 26 juli 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 120 tot en met 128].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Identiteit “vriend 1” en “vriend 2”

Gedurende het lopende Onderzoek heb ik, verbalisant, middels tussenkomst van de aangever [benadeelde] telefonisch contact gehad met “vriend 1” en “vriend 2”. [benadeelde] zou alleen via Facebook (telefonisch) in contact kunnen komen met “vriend 1” en “vriend 2”. Beiden zijn niet verschenen op een afspraak die met hen werd gemaakt op zaterdag 25 juni 2016. Middels tussenkomst van [benadeelde] is er nogmaals getracht om met “vriend 1” en “vriend 2” in contact te komen, wat niet is

gelukt.

[benadeelde] heeft verklaarde dat hij diverse malen heeft geprobeerd om “vriend 1” en “vriend 2” contact met mij, verbalisant, te laten leggen. Op mijn verzoek heeft [benadeelde] de (Facebook) namen van “vriend 1” en “vriend 2” genoemd, namelijk “ [betrokkene 2] ” en “ [slachtoffer] ”. [benadeelde] had enige terughoudendheid hierbij omdat hij verklaarde niet nog meer problemen te willen krijgen.

“Vriend 1” zou zijn genaamd [betrokkene 2] en de Facebook naam van “vriend 2” zou zijn [slachtoffer] .

Hierop heb ik, verbalisant, een administratief onderzoek ingesteld in de zoek-applicatie “zoeken in formulieren”. Bij de zoekslag “ [naam] ” + “ [naam] ” kwam er als eerste “hit” de volgende persoon naar voren: [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .

Bij de zoekslag “Diogenes” + “ [slachtoffer] ” kwam er als eerste “hit” de volgende persoon naar voren: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]

GBA /opvragen foto’s [betrokkene 2] en [slachtoffer] .

Naar aanleiding van het bovenstaande heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). De volledige gegevens van [betrokkene 2] en [slachtoffer] zijn:

[betrokkene 2] geboren [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (Colombia) en

[slachtoffer] geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) wonende [a-straat 1] , [plaats]

[betrokkene 2] heeft volgens de gegevens van de GBA enkel de Colombiaanse nationaliteit en staat vermeld in het Registratie Niet Ingezetenen (RNI). Bij de GBA is er GEEN woonadres bekend van [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft enkel de Colombiaanse nationaliteit, derhalve was het niet mogelijk een paspoortfoto van [betrokkene 2] op te vragen.

[slachtoffer] heeft volgens de gegevens van de GBA de Nederlandse nationaliteit.

De achternaam van de moeder van [slachtoffer] is volgens de gegevens [naam]. In de Facebook-naam van [slachtoffer] staat eveneens de naam [naam] genoemd.

Van [slachtoffer] heb ik, verbalisant, een paspoortfoto opgevraagd welk bij dit proces-verbaal is gevoegd.

Foto [betrokkene 2]

Aangezien er geen paspoortfoto bij de gemeente beschikbaar was heb ik, verbalisant, het politiedossier met BVH nummer [0001] uit de administratie laten liggen. In dat dossier zat een ID-staat en kopie van het legitimatiebewijs van [betrokkene 2] .

Een kopie van die ID-staat is bij dit proces-verbaal gevoegd.

Bijlagen

- paspoortfoto’s [slachtoffer]

- ID-staat [betrokkene 2]

Ten aanzien van feit 1 primair:

6. Een proces-verbaal aangifte met nummer PL 1300-2016136328-1 van 24 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 1] [doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 4],

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 24 juni 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [benadeelde] :

Achternaam: [benadeelde]

Voornamen: [naam]

Geboren: [geboortedatum] 1986

Geslacht: man

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over de openlijke geweldpleging tegen personen te Amsterdam, op vrijdag 24 juni 2016 te 03.55 uur:

Toen we bij het Centraal Station waren stond ik bij de pont te wachten. [betrokkene 2] stond bij mij in de buurt en die andere Colombiaan stond bij de deur van het Centraal Station. Die andere Colombiaan stond met één van de mannen te praten die mij mishandeld hebben. Ik weet niet waarom die Colombiaan stond te praten met die man.

Ik zal de man die mij als eerste geslagen heeft omschrijven:

NN1:

- licht getinte huidskleur

- zwart, kort haar in zijn nek

- ongeveer 30 jaar oud

- ongeveer 1.70 meter lang, hij was iets kleiner dan ik en ik ben ongeveer 1.80 meter lang

- normaal/ dun postuur

- tatoeage in nek, volgens mij links in een langwerpige vorm

- kleding weet ik niet meer, volgens mij droeg hij iets van een Adidas-pak als bovenkleding, wel lange mouwen

De andere man die mij geslagen heeft kan ik als volgt omschrijven:

NN2:

- negroïde man, donkere huidskleur

- kort geschoren zwart haar

- ongeveer 30 jaar oud

- ongeveer mijn lengte, dus ongeveer 1.80 meter lang

- heel breed postuur, heel gespierd, echt bodyguard figuur

- bovenkleding met opgerolde mouwen

- droeg iets in zijn hand, een tas ofzo

- Nederlands sprekend.

Ik heb NN1 en NN2 nog nooit eerder gezien.

Die Colombiaan stond te praten met NN1. Ik heb een aantal woorden kunnen verstaan.

Wat ik hoorde is dat NN1 tegen de Colombiaan zei dat het een “klein meisje” is. Het was een belediging. NN1 deed opgefokt tegen de Colombiaan.

Ze hadden woorden. Ik kan mij niet veel meer herinneren wat er is gezegd.

Ik ben er nog tussen gekomen en heb tegen NN1 gezegd dat ze het probleem moesten laten.

NN2 Stond toen vlak bij ons en toen ik mij naar NN2 omdraaide werd ik door NN1 in mijn rug aangevallen. Het voelde alsof NN1 mij in mijn onderrug trapte.

Hij trapte mij echt heel hard, waardoor ik een paar stappen naar voren moest doen om mijn evenwicht te houden. Het leek alsof ik een schoen tegen mijn onderrug voelde. Meteen daarna sloeg NN2 mij meerdere keren met zijn vuisten op mijn hoofd. NN1 en NN2 waren agressief. Ik weet nog dat ik na die klappen op mijn hoofd op de grond lag en dat ik probeerde mijn hoofd te beschermen. Op de grond heb ik nog een klap gekregen en vanaf daar weet ik het niet meer.

Ik hoorde pas later van de Colombianen dat NN1 en NN2 mij helemaal kapot geschopt hebben. Ook hebben zij mij verteld dat ik met een helm ben geslagen.

Ik wil zeker aangifte doen tegen NN1 en NN2. Ik heb niks tegen hen gedaan.

Op dit moment ben ik heel moe en heb ik veel pijn in mijn onderrug. Mijn oren zijn gezwollen en staan enorm naar voren. Ik heb overal zwellingen op mijn hoofd en mijn lippen zijn stuk aan de binnenkant.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 3 primair:

1. De verklaring van de verdachte, af gelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2019.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik blijf daar rechts staan, omdat die meneer daar toen stond. Hij sprak mij ineens aan en hij zei ‘kijk uit, een van de jongens heeft een mes’. Ik ben met ze meegegaan.”

2.2.3

Het hof heeft in het verkort arrest het beroep op noodweer als volgt samengevat en verworpen:

“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte wegens een hem toekomend beroep op noodweer dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor het onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tegen zijn lijf, dan wel het lijf van de medeverdachte, waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. De reactie van de verdachte was, gegeven de omstandigheden, proportioneel en kan ook de eis van subsidiariteit doorstaan.

(...)

Het oordeel van het hof

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals die uit de bewijsmiddelen blijken.

De verdachte is achter twee vrienden van [benadeelde] aan meegelopen naar de fietsenstalling (achter het Centraal Station), terwijl hij wist dat één van hen mogelijk een mes bij zich droeg. Kort daarna is de verdachte met een mes in zijn arm gestoken. Er was op dat moment dus weliswaar sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding maar die werd niet geïnitieerd door [benadeelde] . Gesteld dat hij zich van die steek al bewust was, had de verdachte zich bovendien aan die situatie kunnen onttrekken.

De medeverdachte is op een gegeven moment weggerend (terug in de richting van het Centraal Station) en werd daarbij achtervolgd door [benadeelde] , die tijdens de achtervolging een (op een) baksteen (gelijkend voorwerp) in zijn hand had en deze onderhands vasthield. De verdachte rende op zijn beurt achter [benadeelde] aan. Vanaf dat moment was er een nieuwe situatie ontstaan, waarin de verdachte de aanval heeft gezocht en die even later is ontaard in de gewelddadige bejegening van [benadeelde] .

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de ter terechtzitting in hoger beroep (meerdere malen) bekeken camerabeelden, blijkt naar het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn medeverdachte zich aan de aanval van [benadeelde] hadden kunnen onttrekken. Daarnaast overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het handelen zeker van de verdachte jegens [benadeelde] aanvallend van aard was. De verdachte ging namelijk gericht en met grote snelheid achter [benadeelde] aan en oefende direct grof geweld tegen hem uit, zonder dat toen en daar sprake was van een noodweersituatie. Dat geweld was bovendien disproportioneel. Mede als gevolg van de gedragingen van de verdachte lag [benadeelde] al snel in hulpeloze toestand op de grond.

Als [slachtoffer] vervolgens op de verdachte en zijn medeverdachte af komt rennen, kennelijk om hen ervan te weerhouden nog langer door te gaan met hun geweld tegen [benadeelde] die bewegingloos op de grond lag en aldus niet aanvallend maar verdedigend, wordt dat geweld eveneens tegen [slachtoffer] gericht. Ook dan is het handelen van de verdachte aanvallend van aard en is het door hem uitgeoefende geweld daarenboven disproportioneel.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Het hof verwerpt dan ook het verweer.”

2.2.4

De aanvulling op het verkort arrest houdt nog het volgende in:

“Het hof vult het arrest op de volgende manier aan.

Als gevolg van een kennelijke misslag is abusievelijk is onder het kopje “Het oordeel van het hof” na de zin “Gesteld dat hij zich van die steek al bewust was, had de verdachte zich bovendien aan die situatie kunnen onttrekken” de volgende zin niet opgenomen: Niet alleen had de verdachte zich aan die situatie kunnen onttrekken, het had ook van hem gevergd kunnen worden, gezien alle omstandigheden.”

2.3

In het overzichtsarrest inzake noodweer en noodweerexces HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456 is onder meer het volgende overwogen:

“3.1.2 Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. (...)

Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn (...)

3.3

Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

(...) Voorts volgt uit art. 41 Sr dat het beschermde rechtsgoed bij de verdachte zelf of bij een ander kan worden aangerand. Noodweer strekt dus verder dan zelfverdediging.”

2.4.1

Het hof heeft vastgesteld dat de medeverdachte op een gegeven moment is weggerend en daarbij werd achtervolgd door [benadeelde] , die een baksteen of een daarop lijkend voorwerp in zijn hand had, en dat de verdachte op zijn beurt gericht en met grote snelheid achter [benadeelde] is aangerend, waarna de verdachte direct grof geweld tegen [benadeelde] heeft uitgeoefend. Naar het oordeel van het hof waren deze gedragingen van de verdachte aanvallend van aard. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte vervolgens geweld heeft uitgeoefend tegen [slachtoffer] . Ook dat handelen van de verdachte heeft het hof als aanvallend van aard aangemerkt.

2.4.2

Het hof heeft aan de verwerping van het beroep op noodweer in de kern ten grondslag gelegd dat de gedragingen van de verdachte een aanvallend karakter hadden. Daarmee heeft het hof kennelijk toepassing willen geven aan de in rechtsoverweging 3.3 van het hiervoor weergegeven overzichtsarrest bedoelde uitzondering dat bij aanvallende gedragingen die bijvoorbeeld zijn gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht, een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard.

2.4.3

Het oordeel van het hof dat het door de verdachte tegen [benadeelde] en [slachtoffer] gebruikte geweld in die zin aanvallend van aard was, is niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft immers, naast de hiervoor weergegeven vaststellingen, ook vastgesteld dat de verdachte, voordat hij achter [benadeelde] is aangerend, zelf is gestoken door een persoon uit het groepje waartoe [benadeelde] en [slachtoffer] behoorden, dat op het moment dat de verdachte achter [benadeelde] is aangerend sprake was van een aanval door [benadeelde] op de medeverdachte, en dat daarna [slachtoffer] op de verdachte en de medeverdachte af is komen rennen. Het hof heeft ook geen nauwkeurige feitelijke vaststellingen gedaan over bijvoorbeeld het tijdsverloop tussen deze incidenten noch over het moment waarop en de context waarin de verdachte de bewezenverklaarde gedragingen tegen [benadeelde] en [slachtoffer] heeft verricht. De verwerping van het beroep op noodweer is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 en 3 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.