Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:2034

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
19/02757
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1009
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verkrachting van 19-jarige vrouw door 39-jarige verdachte in woning van ander bij wie verdachte en aangeefster verblijven, art. 242 Sr. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangever voldoende steun in overig bewijsmateriaal? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Van schending van art. 342.2 Sv is geen sprake. I.h.b. gelet op verklaring van A dat in huis van B ook verdachte verbleef, dat A van B begreep dat verdachte hem had gevraagd of hij als tegenprestatie voor feit dat hij aangeefster moest wegbrengen, seks met haar kon hebben en dat B verdachte naar aangeefster had gestuurd voor seks met haar, kan immers niet worden gezegd dat voor bewijs gebruikte verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in overig bewijsmateriaal.

Ad 2. Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0415
RvdW 2021/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02757

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2019, nummer 21-005551-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, te weten de aangeefster.

3.2.1

Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij in de periode van 12 mei 2014 tot en met 24 oktober 2014 te Leeuwarden, door geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 1995) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , immers heeft verdachte,

- zijn penis en vingers in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht en

- met zijn tong in haar oksel gelikt

en bestond dat geweld en/of die andere feitelijkheid hierin (onder meer) dat verdachte

- die [benadeelde] heeft vastgepakt en haar kleren heeft uitgetrokken en boven op haar is gaan liggen en

- gebruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie waarin die [benadeelde] zich bevond, doordat ze weggelopen was van huis en zich in een woning bevond bij de medeverdachte waar ze steeds onder invloed was van drugs en

- een agressieve houding aannam tegenover die [benadeelde] (waardoor zij zich niet durfde te verzetten) en

- fysiek overwicht had op die [benadeelde] en overwicht had door het verschil in leeftijd.”

3.2.2

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 september 2016, opgenomen op pagina 799 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 1995):
Ik heb [betrokkene 1] leren kennen via [betrokkene 2] op een feestje. Dat feestje was bij [betrokkene 1] in de woning. Er waren ook drugs op dat feestje. Dat feestje is geëindigd met dat wij met zijn vieren in bed beland zijn. Ik gebruikte op dat moment zelf ook drugs, maar ik gebruikte tot dat moment geen basecoke. Ik heb bij [betrokkene 1] in de woning voor het eerst base-coke gebruikt. Dit geeft een heel lekker gevoel. Aan het einde van het feestje zijn we dus met ons vieren in bed beland. Dit waren [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) en ik. We hebben toen met zijn vieren seks gehad. Ik denk dat dit door de drugs is gekomen. Als je voor de eerste keer base-coke gebruikt ben je helemaal van de wereld. Als ik hier nu aan terug denk vind ik dit wel heel erg. Ik heb hier nog veel last van. Wij zijn die hele nacht doorgegaan. Ik ben uiteindelijk 2 tot 4 maanden bij [betrokkene 1] geweest. Wij leefden eigenlijk op bed. Wij gebruikten de hele tijd drugs en hadden regelmatig seks. Ik was niet de eerste dag al verliefd op [betrokkene 1] , maar later wel. Ik vond [verdachte] eigenlijk heel eng. [betrokkene 1] had altijd losse handjes. Ik heb ook seks met [betrokkene 1] gehad tegen mijn wil, maar als ik nee zei, ging [betrokkene 1] altijd door. In het begin was [betrokkene 1] nog niet zo gewelddadig. Dit werd hij later steeds meer. Ik had in die tijd blauwe plekken op mijn borst van hem. Er is heel veel gebeurd in die tijd. Hij heeft mij in die tijd gek gemaakt. Ik wilde in die tijd niet vastgebonden worden, maar het gebeurde toch. Ik heb ook meerdere keren seks tegen mijn wil gehad met die [verdachte] . Als [betrokkene 1] en ik seks hadden dan kwam die [verdachte] daar heel vaak bij in de slaapkamer. Ik moest dan ook wel seks met die [verdachte] hebben maar ik wilde dat niet. Soms wilde [betrokkene 1] dat ik seks met die [verdachte] had of hij stond dit gewoon toe.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2016, opgenomen op pagina 804 van voornoemd het dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :

Ik was toen niet echt gelukkig en een makkelijk doelwit. Ik had een jaar bij mijn zus gewoond omdat ik voor die tijd wel eens aan de drugs zat en mijn moeder daarachter was gekomen. [verdachte] heeft mij ook een keer verkracht. Hij kwam er steeds bij. Hij wou gewoon meedoen. Soms zei [betrokkene 1] : “Ja kom maar”. Hij heeft mij gewoon helemaal psychisch gemanipuleerd.

V: Wie deed dat?

A: [betrokkene 1] en voor die [verdachte] was ik bang. Daar durfde ik bijna niks.... voor [betrokkene 1] was ik ook bang, die sloeg mij ook, maar die [verdachte] was heel onberekenbaar. Als je een woord verkeerd zei, dan stond hij al zo (O: aangeefster beeldt uit dat [verdachte] een agressieve houding aan neemt).

V: Hoe ver is die [verdachte] gegaan?

A: Met verkrachten? Hij heeft alles wel gedaan tegen mijn wil. Hij pakte me gewoon vast en begon gewoon. Hij ging eerst onder mijn oksel likken. Nou en toen ging hij mij vingeren en zo en toen ging hij door en ja, hoe zegje dat. Hij had dus ook seks met mij.

V: Nou, [verdachte] komt bij jou in de slaapkamer en jij hebt een trainingsbroek aan en een hemdje. Wie trekt dat uit?

A: Ja, ik niet. Ik wou niet. Dat heb ik niet zelf uitgetrokken. Hij heeft dat uitgetrokken. Hij begon, trok mijn kleren uit, begon onder mijn oksel te likken, begon mij te vingeren en toen wou hij seks met mij. Ik stribbelde een beetje tegen van “ik wil niet” en “nee” en ik begon te roepen van “help [betrokkene 1] ”, maar toen begon hij toch, toen hadden we toch seks tegen mijn wil. Ik lag op mijn rug en hij lag erboven op. De piemel in de vagina.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
U vraagt me of [betrokkene 1] mij bespeelde of manipuleerde. Ja dat deed hij wel. Hij maakte je heel klein. Ik voelde me wel onzeker over mezelf bij hem. U vraagt mij wanneer ik verslaafd werd. Aan basecoke raak je eigenlijk meteen verslaafd. Dat ik een tweede keer naar [betrokkene 1] ging, komt dus misschien ook wel een beetje doordat ik al een zucht naar basecoke had.

U vraagt mij waarom ik niet bij hem wegging. Ik wist dat als ik naar huis zou gaan ik dan ruzie met mijn moeder zou krijgen en door de drugs was het heel lastig. [betrokkene 1] maakte ook dat ik bleef. Als ik terug zou gaan naar huis zou ik geen drugs meer hebben en zou mijn moeder ook het naadje van de kous willen weten, en dat was voor mij ook geen optie.

U vraagt me of het geweld altijd aan de seks gerelateerd was. Ja. Hij (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) ging daarmee echt over mijn grenzen. Het geweld werd ook steeds erger. Ik had op een gegeven moment ook allemaal blauwe plekken op mijn borst. [betrokkene 1] stompte met zijn vuist op mijn borst, omdat ik tegenstribbelde. Wat me bang maakte, was dat hij me sloeg.

U vraagt mij of [betrokkene 1] mij heeft gevraagd om seks met anderen te hebben. Hij heeft het me niet gevraagd, maar het is wel een keer gebeurd met [verdachte] . Het gebeurde wel dat ik met [betrokkene 1] seks had en dat [verdachte] er aldoor bij kwam. Ik zei elke keer nee. [betrokkene 1] zei soms “toe nou laat hem nou” tegen mij. Dan mocht [verdachte] van [betrokkene 1] aan mij zitten. Terwijl ik dat niet wilde. Dan ging [verdachte] aan mijn borsten zitten likte hij aan mijn oksel en hij trok enge gezichten. Het was heel vreemd en heel eng. Ik vond hem totaal niet aantrekkelijk. Hij is één keer bij me binnengedrongen daar heb ik uitgebreid over verklaard. En die eerste keer dat we met z’n vieren waren, heb ik natuurlijk ook seks met hem gehad, maar dat was anders, want toen heb ik niet aangegeven dat ik dat eigenlijk niet wilde.

U vraagt mij naar het incident met [verdachte] waarover ik heb verklaard bij de politie.

De seks met [verdachte] vond plaats op de kamer van [betrokkene 1] . Ik zei: “ik wil niet, ik wil niet”, maar hij ging toch door. Hij ging weer aan mijn oksel likken en wilde bij me naar binnen gaan. Ik zei toen dat ik naar de wc moest, omdat ik dacht dat hij me anders niet zou laten gaan. Toen zei [verdachte] “nee, nee”. [betrokkene 1] zat op de wc te lachen. Het was me gelukt om weg te komen, maar toen had ik al wel vaginale seks met [verdachte] gehad, dus het was niet op tijd gelukt om weg te komen. Ik had wel duidelijk aangegeven dat ik het niet wilde. Ik heb gezegd: “nee ik wil niet” en heb geprobeerd weg te komen. [verdachte] hield me gewoon vast. Toen zei ik dat ik echt moest plassen en het anders daar zou doen: en toen ben ik naar de badkamer gerend.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 16 maart 2017, opgenomen op pagina 397 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):
Aangeefster: [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .
(p. 402) In oktober 2014 heeft het Mensenhandel Interventie Team een onderzoek ingesteld naar [benadeelde] . Zij was door haar moeder als vermist opgegeven en het vermoeden bestond dat zij bij [betrokkene 1] verbleef. Er werd een ‘instap’ in de woning van [betrokkene 1] gedaan, waarbij [benadeelde] werd aangetroffen. Zij verkeerde duidelijk onder invloed van verdovende middelen. In de woning werd tevens [verdachte] aangetroffen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2014, opgenomen op pagina 488 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):
Op maandag 6 oktober 2014 spraken verbalisanten met [betrokkene 2] . Tijdens deze verklaring gaf zij aan dat zij enige weken a maanden geleden tegen haar wil seks heeft gehad met een man die zij kent als [verdachte] . Deze [verdachte] verblijft al 3 a 4 maanden op het adres boven snackbar [A] (het hof begrijpt: in [plaats] ). Deze [verdachte] ziet er hetzelfde uit als [betrokkene 1] , de eigenaar van het pand. Ook gaf de getuige aan dat zij onder andere op 30 augustus 2014 onder invloed van drugs tegen haar wil seksuele handelingen had gedaan. Zij had die dag samen met [benadeelde] seksuele handelingen verricht. Uit onderzoek en na controle door collega’s is gebleken dat [verdachte] de bijnaam is van [verdachte] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 januari 2017, opgenomen op pagina 528 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

V: [benadeelde] doet ook aangifte van verkrachting tegen de man die wij kennen als ‘ [verdachte] ’.

A: Ja, [verdachte] .

(Collega [verbalisant] komt binnen met de foto van de ‘ [verdachte] ’ en [betrokkene 2] herkent hem direct en zegt: ja, dat is hem).

V: Wat gebruikten jullie dan?

A: Coke. Snuiven, roken, basen.

V: [benadeelde] vertelde dat één van de eerste keren dat zij met jou bij hun was, zijn jullie aan de drugs gegaan en toen is er ook seks geweest, met z’n vieren, daar was die [verdachte] ook bij.

A : Ja, dat was toen.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

Ik heb wel gezien dat [betrokkene 1] [benadeelde] stevig aanpakte, zowel tijdens de seks als buiten de seks om. Hij sloeg [benadeelde] dan. Dat was in haar gezicht, maar eigenlijk overal. Dat heb ik gezien. Ik heb ook gezien dat [benadeelde] blauwe plekken had op haar borst. [betrokkene 1] was zowel gewelddadig tijdens de seks als ook buiten de seks om. Ik heb alleen tijdens die ene keer dat wij met zijn vieren seks hadden, gezien dat [betrokkene 1] en [benadeelde] seks met elkaar hadden. Dat was niet helemaal tegen haar zin. Ik bedoel daarmee dat ik zag dat het in het begin niet tegen de zin van [benadeelde] was, maar later zag ik wel dat [benadeelde] het niet meer leuk vond. Dat zei [benadeelde] tegen [betrokkene 1] en ik hoorde dat. Zij zei dan dat ze het niet leuk vond. Dat had te maken met de manier waarop [betrokkene 1] seks met haar had. Ik bedoel daarmee: de hardhandige seks.

De officier van justitie vraagt hoe [betrokkene 1] daarop reageerde. Hij lachte daar om. Ik kreeg de indruk dat het hem niet zoveel uitmaakte. De manier waarop hij seks met haar had, werd dan niet anders. Het ging gewoon door. Ik zag wel dat [benadeelde] dat écht niet leuk vond. [benadeelde] heeft dat aan [betrokkene 1] heel duidelijk aangegeven. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat de seks één keer heel erg was voor [benadeelde] . Dat was de keer toen wij seks met zijn vieren hadden. Ik heb toen gezien dat [verdachte] [benadeelde] sloeg met een riem. Zij heeft mij later, toen zij uit die woning weg was, wel verteld dat zij daarna ook nog seks met [verdachte] heeft gehad. Ik kreeg daarbij de indruk dat zij dat niet leuk heeft gevonden.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 mei 2016, opgenomen op pagina 112 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :
[benadeelde] was helemaal in de ban van [betrokkene 1] . Ik weet dat die [verdachte] haar ook gewoon moest be-seksen zeg maar. Ik heb wel foto’s gezien van hun dat ze samen aan de drugs zaten enzo. [betrokkene 1] begon toen echt met die zware drugs. Met roken en basen. Ik zag ook op foto’s dat zij dat deden.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 december 2016, opgenomen op pagina 538 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):
[betrokkene 4] deelde mede:

Dat er een meisje genaamd [benadeelde] en een [betrokkene 2] bij [betrokkene 1] thuis kwamen;

Dat met name [benadeelde] heel erg verliefd op [betrokkene 1] was en hem ook erg claimde;

Dat [betrokkene 1] onder andere die [benadeelde] aan de crackpijp heeft geholpen;

Dat er in het huis van [betrokkene 1] ook een andere man verbleef die ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’ werd genoemd.

Dat zij die [verdachte] wel ‘ [verdachte] ’ noemde.

Dat [betrokkene 1] samen met [verdachte] , [betrokkene 2] en [benadeelde] een seksfeestje had;

Dat [betrokkene 1] haar vroeg om ook mee te doen maar dat zij dit niet wilde en weg is gegaan;

Dat [betrokkene 1] [verdachte] een keer naar [benadeelde] had gestuurd om seks met [benadeelde] te hebben;

Dat die [verdachte] met elke vrouw daar in huis wel seks wilde en ook daarvoor benaderde.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 12 juli 2017, inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :
[betrokkene 1] gaf [benadeelde] een klap met de vlakke hand in haar gezicht. Zij deed niets terug. [benadeelde] was echt verliefd op hem. Hij had haar helemaal in de tang. Hij zette haar aan de crack. Ik heb gezien dat hij [benadeelde] een crackpijp aanbood en dat zij toen ging roken. [betrokkene 1] vertelde mij dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) [benadeelde] had weggebracht en dat ze seks hadden gehad. Ik begreep dat [verdachte] aan [betrokkene 1] had gevraagd om seks te hebben met [benadeelde] als tegenprestatie voor het feit dat hij haar weg moest brengen.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2016, opgenomen op pagina 694 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] :
Ik heb [benadeelde] bij [betrokkene 1] weggehaald. [benadeelde] zat daar zo stoned als een garnaal en hij was ook gewoon niet fris. (...) Daar was ook nog een Marokkaan, die [verdachte] , de naam weet ik niet meer.

Daarna is die inval bij [betrokkene 1] geweest. Toen had ik [benadeelde] ook weer terug. [benadeelde] zat onder de blauwe plekken, dat had ik wel gezien en was heel erg dun. Laatst heeft ze me verteld dat [betrokkene 1] haar zo had geslagen op haar borst. En dat hij haar wou laten verkrachten en nog veel meer.”

3.2.3

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat zij in ieder geval één keer onvrijwillige penetrerende seks met verdachte heeft gehad. Het hof heeft geen aanwijzingen dat haar verklaringen op dit punt onbetrouwbaar zijn. Aangeefster heeft hierover een gedetailleerde verklaring afgelegd. Juist vanwege die gedetailleerdheid zijn er geen aanwijzingen dat het geheugen van aangeefster (door het drugsgebruik) haar in de steek heeft gelaten. Ook als zij enige tijd later bij de rechter-commissaris wordt gehoord, kan zij zich die details herinneren en verklaart zij consistent. Verder blijkt niet uit de verklaringen van aangeefster of anderen dat aangeefster heeft gelogen, de zaken zwaarder heeft aangezet of heeft overdreven.

Het hof is verder van oordeel dat voldaan is aan het wettelijk bewijsminimum.

Dat aangeefster (anders dan de verdachte heeft verklaard) in de tenlastegelegde periode seks heeft gehad met verdachte blijkt ook uit andere verklaringen. Verder blijkt uit zowel de verklaring van aangeefster als uit andere verklaringen dat in de tijd dat aangeefster (samen met verdachte) verbleef in de woning van [betrokkene 1] , zij seksueel werd misbruikt. Aangeefster was nog maar 19 jaar toen zij onder invloed van drugs seks had met de veel oudere verdachte (toen 39 jaar) en [betrokkene 1] (toen 38 jaar). Reeds tijdens dat eerste ‘seksfeest’ (waar aangeefster, [betrokkene 2] , verdachte en [betrokkene 1] aan deelnamen) werden de bezwaren van aangeefster tegen hardhandige seks (door [betrokkene 1] ) genegeerd. Ook later bleken de wensen van aangeefster op seksueel gebied er niet toe te doen en werd zij (door [betrokkene 1] ) mishandeld. Binnen die context van seksueel misbruik (waarvoor voldoende ondersteunend bewijs is) speelde ook verdachte een rol. Niet alleen was hij deelnemer aan het ‘seksfeest’ (hetgeen ook door anderen dan aangeefster wordt verklaard), ook daarna probeerde hij mee te doen als aangeefster seks had met [betrokkene 1] en heeft hij haar verkracht, terwijl [betrokkene 1] op het toilet zat. Verdachte heeft geweten dat de seks met aangeefster niet vrijwillig was. Zij heeft immers aan verdachte kenbaar gemaakt dat zij niet wilde en zij riep zelfs om hulp in de hoop dat [betrokkene 1] haar zou helpen. Aangeefster werd gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan, omdat verdachte haar vasthield en zij dus niet weg kon.

Het hof komt daarom tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.”

3.3

Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)

3.4

Van schending van artikel 342 lid 2 Sv is geen sprake. In het bijzonder gelet op de verklaring van [betrokkene 4] dat in het huis van [betrokkene 1] ook de verdachte verbleef, dat deze [betrokkene 4] van [betrokkene 1] begreep dat de verdachte hem had gevraagd of hij als tegenprestatie voor het feit dat hij aangeefster moest wegbrengen, seks met de aangeefster kon hebben en dat [betrokkene 1] de verdachte naar de aangeefster had gestuurd voor seks met haar (bewijsmiddelen 9-10), kan immers niet worden gezegd dat de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal.

3.5

Het cassatiemiddel faalt.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

4.2

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.

4.3

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

5.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

5.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee jaren.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze een jaar en elf maanden beloopt;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur als de in het arrest genoemde duur van de vervangende hechtenis kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.