Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:2013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
19/03044
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1184
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vechtpartij tussen rivaliserende motorclubs in Sittard in 2015. Poging tot doodslag (meermalen gepleegd) door vanuit café op manshoogte te schieten op overmacht aan leden van andere motorclub die 3 leden van motorclub van verdachte zwaar mishandelen, art. 287 Sr. Noodweer, proportionaliteitseis. Staat 1 keer schieten met vuurwapen in redelijke verhouding tot ernstige mishandeling van 3 personen door 15 tot 20 personen? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:456 m.b.t. proportionaliteitseis bij noodweer. Hof heeft geoordeeld dat weliswaar sprake was van ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van lijf van A, B en C, waartegen verdachte die personen redelijkerwijs heeft mogen verdedigen, maar dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet was voldaan aan proportionaliteitseis. Hof heeft in dat verband o.m. overwogen dat keuze van verdachte om vuurwapen als verdedigingsmiddel te gebruiken “in beginsel niet onredelijk” was. Hof heeft echter geoordeeld dat door verdachte gekozen wijze van verdediging (door met vuurwapen vanuit café op manshoogte projectiel door raam af te vuren, terwijl zich vlak achter raam “vechtende en dus bewegende groep mensen bevond”) niet in redelijke verhouding stond tot ernst van aanranding, omdat van verdachte in redelijkheid kon worden gevergd dat hij zou hebben gekozen voor minder ingrijpende verdedigingswijze “waarbij kon worden uitgesloten dat iemand door projectiel zou worden geraakt”, zoals bonzen op raam en tonen van wapen dan wel zich (via andere deur dan afgesloten deur) naar buiten begeven om daar te dreigen met wapen en/of waarschuwingsschot te lossen. Dat oordeel is, mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet z.m. begrijpelijk. HR neemt daarbij mede in aanmerking dat hof heeft vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld ter verdediging van 3 personen die op excessieve wijze werden mishandeld door overmacht aan personen (ongeveer 15 tot 20 als groep opererende leden van motorclub), leden van die groep daarbij gebruik maakten van wapens waarmee zeer ernstige verwondingen konden worden veroorzaakt (zoals boksbeugel), tijdens vechtpartij o.m. werd gestampt op hoofd van persoon, als mishandelingen niet gestopt waren onmiddellijk gevaar dreigde dat 3 mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, eventueel met dood tot gevolg, verdachte onder die omstandigheden vuurwapen wilde gebruiken ter afschrikking, verdachte daartoe vuurwapen heeft tevoorschijn gehaald, daarmee 1 schot heeft gelost en vuurwapen vervolgens weer heeft weggeborgen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0404
NJB 2021/110
RvdW 2021/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03044

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2019, nummer 20-000381-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

2.1

De cassatiemiddelen komen op tegen verwerping door het hof van het beroep op noodweer en klagen onder meer over het oordeel van het hof dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 7 mei 2015 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14], zich bevindend op de openbare weg achter het raam, opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 13] en/of [slachtoffer 14] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Het hof heeft onder het opschrift ‘bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen’ onder meer het volgende overwogen:

“Op 7 mei 2015 omstreeks 20:21 uur werden verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] door de centralist van de regionale meldkamer gestuurd naar café [A], [a-straat 1] te Sittard. Aangekomen in de straat zagen zij ongeveer vijftien, als leden van de Bandidos geklede personen in diverse auto’s stappen. Onder hen herkenden zij [slachtoffer 2]. Verder zagen zij voor café [A] twee personen op de grond zitten, die diverse verwondingen in het gelaat hadden. Deze personen bleken te zijn genaamd [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Verder zagen de verbalisanten aan de voorzijde van het café een omgevallen motor liggen en in het raam van het café, gezien vanaf de buitenzijde ter linkerzijde van de toegangsdeur, een beschadiging zitten gelijkend op een in- of uitschot van een projectiel. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] verklaarden desgevraagd dat zojuist nog een derde persoon gewond was geraakt. Deze persoon werd aangetroffen in een ruimte, behorende bij de sporthal. Verbalisant [verbalisant 2] herkende deze persoon als [betrokkene 4]. [betrokkene 4] bleek eveneens in het gelaat gewond. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] gingen het café binnen, waar geen andere personen aanwezig waren dan verdachte en [betrokkene 1] (...).

[betrokkene 3] was op 7 mei 2015 rond 20:30 uur met twee vrienden bij café [A] in Sittard. Op of nabij het terras van het café zag hij vijftien tot twintig personen staan, kennelijk allen leden van de Bandidos. Hij herkende onder andere [slachtoffer 2]. Hij hoorde deze [slachtoffer 2] schreeuwen: “Ik heb jullie gewaarschuwd, dit is Holland, dit is Holland, dit is Holland.” Daarna is [betrokkene 3] mishandeld door een aantal van de tot deze groep behorende personen. Hij is op zijn rug gevallen en heeft ongeveer tien keer een klap op zijn hoofd gekregen. Vervolgens waren ineens alle tot deze groep behorende personen verdwenen. [betrokkene 3] is opgestaan en zag een kogelinslag in de ruit van café [A]. Deze inslag bevond zich naar zijn schatting op 1,80 meter hoogte links van het midden van de ruit, direct links naast de toegangsdeur naar het café, een en ander gezien vanaf de buitenzijde van het café (...).

(...)

Direct nadat de mishandelingen bij café [A] hebben plaatsgehad, zijn vertrouwelijke gesprekken opgenomen, gevoerd door personen die deel uitmaakten van de groep die [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] heeft mishandeld.

Daarin zegt [slachtoffer 4]: “(...) Bij mij zitten geen knokkels meer zie je, alleen van het knokken. Ik heb ook ene flink te pakken gehad, heb je dat gezien?...die heb ik op zijn kóp staan stampen”.”

2.2.3

Het hof heeft het verweer waarop de cassatiemiddelen doelen, als volgt samengevat en verworpen:

“Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat de verdachte, ondanks dat hij ontkent te hebben geschoten, indien bewezenverklaard, subsidiair heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in art. 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte, in geval van bewezenverklaring, zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich verdedigd heeft op een wijze die in verhouding staat tot de ernst van de aanranding, onder meer gelet op het feit dat er geen alternatieve wijze van verdedigen was.

(...)

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

(...)

Het hof stelt - met de rechtbank - op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 7 mei 2015 vonden er voor café [A] te Sittard uiterst grove mishandelingen van enkele personen plaats door een overmacht van in een groep opererende personen. Daarbij werd gebruik gemaakt van wapens waarmee zeer ernstige verwondingen kunnen worden veroorzaakt, zoals een boksbeugel. Dat er onmiddellijk gevaar dreigde dat de drie mishandelde personen zeer zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, heeft het hof via de camerabeelden, die buiten het café [A] opgenomen zijn, zelf kunnen waarnemen. Ook uit het commentaar van [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] (proces-verbaal zaaksdossier, ZD9A, pagina 19-23), dat als deze mishandelingen niet gestopt waren, zij hun slachtoffers mogelijk blijvend letsel hadden bezorgd of hen zelfs dood zouden hebben getrapt, leidt het hof af dat er een onmiddellijk gevaar dreigde dat de mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, eventueel met de dood tot gevolg.

De verdachte heeft bij het zien van deze mishandelingen een geladen pistool, dat hij onder de bar van het café had liggen, gepakt en daarmee vanuit het café op manshoogte een projectiel door het raam naar buiten afgevuurd, terwijl zich daar vlak achter een vechtende en dus bewegende groep mensen bevond. Verdachte heeft verklaard dat hij het pistool wilde gebruiken ter afschrikking.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf door een groep van personen, die voor de verdachte in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend is geweest dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr en waarbij voor verdachte een noodzaak tot verdedigen van de anderen bestond. Van hem kon niet worden gevergd dat hij zich aan deze aanranding zou onttrekken. Met de rechtbank acht het hof de keuze voor het gebruik van een vuurwapen ter afschrikking, als verdedigingsmiddel tegen deze ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, in beginsel niet onredelijk.

Het hof acht de wijze waarop verdachte het vuurwapen heeft gebruikt echter niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Van verdachte kon in redelijkheid worden gevergd dat hij zich op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd, een wijze waarbij kon worden uitgesloten dat iemand door een projectiel zou worden geraakt. Verdachte had bijvoorbeeld vanuit het café op het raam kunnen bonzen en het vuurwapen tonen, of naar buiten kunnen gaan - eventueel via een andere uitgang dan de door [betrokkene 1] afgesloten toegangsdeur - en dreigen dat hij zou schieten als de groep zich niet meteen zou verwijderen en hij had mogelijk een waarschuwingsschot (in de lucht) kunnen lossen. De stelling van de raadsman dat er geen alternatieve wijze van verdedigen was, verwerpt het hof dan ook.

Verdachte heeft er echter voor gekozen zijn vuurwapen ter hand te nemen en vanuit het café op manshoogte een projectiel door het raam af te vuren, terwijl zich vlak achter het raam een vechtende en dus bewegende groep mensen bevond. Door op deze wijze gebruik te maken van het vuurwapen, is verdachte buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging getreden. Het hof acht derhalve de door verdachte gekozen wijze van reageren tegen de aanranding niet geboden en de aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht leidt er dan ook toe dat het beroep op noodweer niet slaagt.

Het beroep op noodweer wordt verworpen.”

2.3

De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3).

2.4

Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van [betrokkene 4], [betrokkene 2] en [betrokkene 3], waartegen de verdachte die personen redelijkerwijs heeft mogen verdedigen, maar dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt omdat niet was voldaan aan de proportionaliteitseis. Het hof heeft in dat verband onder meer overwogen dat de keuze van de verdachte om een vuurwapen als verdedigingsmiddel te gebruiken “in beginsel niet onredelijk” was. Het hof heeft echter geoordeeld dat de door de verdachte gekozen wijze van verdediging - door met het vuurwapen vanuit het café op manshoogte een projectiel door het raam af te vuren, terwijl zich vlak achter het raam “een vechtende en dus bewegende groep mensen bevond” - niet in een redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, omdat van de verdachte in redelijkheid kon worden gevergd dat hij zou hebben gekozen voor een minder ingrijpende verdedigingswijze “waarbij kon worden uitgesloten dat iemand door een projectiel zou worden geraakt”, zoals het bonzen op het raam en het tonen van het wapen, dan wel het zich (via een andere deur dan de afgesloten deur) naar buiten begeven om daar te dreigen met het wapen en/of een waarschuwingsschot te lossen. Dat oordeel is, mede gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij mede in aanmerking dat het hof - blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen - heeft vastgesteld dat:

- de verdachte heeft gehandeld ter verdediging van de drie bovengenoemde personen die op excessieve wijze werden mishandeld door een overmacht aan personen, bestaande uit ongeveer vijftien tot twintig als groep opererende leden van de motorclub Bandido’s;

- de leden van de groep Bandido’s daarbij gebruik maakten van wapens waarmee zeer ernstige verwondingen konden worden veroorzaakt, zoals een boksbeugel;

- tijdens de vechtpartij onder meer werd gestampt op het hoofd van een persoon;

- als de mishandelingen niet gestopt waren onmiddellijk gevaar dreigde dat de drie mishandelde personen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, eventueel met de dood tot gevolg;

- de verdachte onder die omstandigheden het vuurwapen wilde gebruiken ter afschrikking;

- de verdachte daartoe het vuurwapen heeft tevoorschijn gehaald, daarmee één schot heeft gelost en het vuurwapen vervolgens weer heeft weggeborgen.

2.5

De cassatiemiddelen zijn terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.