Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:2012

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
19/02202
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1018
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2019:3282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gewelddadige woningoverval in IJmuiden in 2014. Medeplegen diefstal met geweld, art. 311.2.2 Sr. 1. Vordering b.p., immateriële schade. Is sprake van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106b BW a.g.v. bewezenverklaard feit, nu hof niet heeft vastgesteld dat b.p. geestelijk letsel heeft opgelopen? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 en ECLI:NL:HR:2019:376 m.b.t. gevallen waarin sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ a.b.i. art. 6:106.b BW. Uitgangspunt middel dat hof aantasting in persoon van b.p. mede heeft gebaseerd op stress die zijn echtgenote heeft ervaren, berust op onjuiste lezing van ’s hofs overwegingen, zodat middel in zoverre feitelijke grondslag mist. Hof heeft bewezenverklaard dat b.p. en zijn vriendin door verdachte en zijn mededaders in hun woning zijn overvallen, terwijl uit ‘s hofs overwegingen o.m. volgt dat slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt en zij beiden met vuurwapen zijn bedreigd, terwijl b.p. klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met afsnijden van zijn penis. Hof heeft mede op grond hiervan geoordeeld dat op intimiderende wijze zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van b.p. en dat daardoor sprake is van aantasting in persoon op andere wijze a.b.i. art. 6:106.b BW. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Hof heeft verdachte verplichtingen opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemde slachtoffers in arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest telkens genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0954
SR-Updates.nl 2020-0403
RvdW 2021/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02202

Datum 15 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2019, nummer 23-003947-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen vervangende hechtenis is toegepast, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en telkens tot bepaling dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, in het bijzonder wat betreft het oordeel van het hof dat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

2.2

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 9 oktober 2014 te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning aan de [a-straat 1]

- mobiele telefoons (merk Apple iPhone) en opladers en

- een geldbedrag van 4.000 euro en

- een dameshorloge (merk Michael Kors)

toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- zich wederrechtelijk de toegang tot de woning van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben verschaft en

- [benadeelde 1] de woning in hebben geduwd en tegen de grond hebben geduwd en zijn polsen met tie-wraps hebben vastgebonden en zijn enkels met ducttape hebben vastgebonden en

- een klap in zijn nek hebben gegeven en

- een pistool op hem hebben gericht en tegen het hoofd hebben gehouden en

- hebben geroepen: “Geld, goud! waar is het?” en “Blijf liggen” en

- hem bij de penis hebben gegrepen en hebben geroepen: “We gaan hem eraf snijden, we gaan hem eraf snijden” en

- een pistool in de mond van [benadeelde 1] hebben geduwd en

- de polsen van [benadeelde 2] met tie-wraps hebben vastgebonden en haar mond met ducttape hebben vastgeplakt.”

2.3.1

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij [benadeelde 1] met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:

“4B Immateriële schade (smartengeld)

Zie schadeonderbouwingsformulier (bijlage 1 t/m 10) en schriftelijke slachtofferverklaring”

2.3.2

Het bij het schadeformulier als bijlage 1 gevoegde schadeonderbouwingsformulier houdt onder meer het volgende in:

“Immateriële schade

(...)

Psychische gevolgen

Het incident is zeer beangstigend en bedreigend geweest voor benadeelde. Benadeelde had in eerste instantie niet door dat het om een overval ging. Hij voelde dat het fout zat op het moment dat verdachte en betrokkenen zijn woning binnenkwamen. Hij voelde zich hulpeloos op het moment dat hij de deur niet kon dichthouden en hij schrok toen er een vuurwapen op hem gericht werd. Benadeelde dacht dat hij het incident niet zou overleven op het moment dat een wapen in zijn mond werd gedaan en een wapen tegen zijn hoofd werd gezet.

Benadeelde maakte zich grote zorgen om zijn echtgenote en zijn ongeboren baby en hij was bang dat hen iets aangedaan zou worden. Hij voelde zich machteloos, omdat hij ze niet kon beschermen. Daarnaast is het incident erg vernederend geweest voor benadeelde, omdat hij bij zijn geslachtsdeel is gegrepen.

Benadeelde en zijn echtgenote hadden voor het incident een tweeweekse vakantie naar Marokko geboekt. De echtgenote van benadeelde heeft besloten haar vakantie te annuleren. Benadeelde is wel gegaan, echter heeft hij niet kunnen genieten van zijn vakantie. Hij vond het moeilijk om zijn echtgenote achter te laten, maar hij wilde ook de tijd nemen om het incident te kunnen verwerken.

Benadeelde heeft tot op heden het incident nog niet kunnen verwerken. Zijn leven is op slag veranderd. Door het incident zijn er veel spanningen in zijn huwelijk ontstaan, terwijl zij voorheen vrijwel nooit ruzie hadden. De levens van benadeelde en zijn echtgenote lopen door elkaar heen en de sfeer in huis is veranderd. Wanneer zijn echtgenote ‘s nachts een geluid hoort, schrikt zij wakker waardoor benadeelde ook wakker schrikt. Voorgaande werkt op elkaar door, waardoor benadeelde geïrriteerd raakt en zij onenigheid krijgen.

Later is geconstateerd dat benadeelde lijdt aan slaapapneu. Er zijn diverse onderzoeken bij het ziekenhuis geweest, waaruit bleek dat benadeelde ‘s nachts plotseling stopt met ademhalen. Benadeelde heeft hier een CPAP-apparatuur voor gekregen en het gaat inmiddels beter. Hij wordt echter nog steeds regelmatig wakker in de nacht. Hierdoor gaat het opstarten erg moeizaam voor benadeelde en is hij in de ochtend uitgeput. Benadeelde slaapt op de bank om zijn vrouw zoveel mogelijk te ontlasten.

Doordat benadeelde weinig slaap krijgt, is hij de volgende dag gestrest. Daarnaast kan hij regelmatig niet weg voor zijn werk, omdat zijn echtgenote angstig is om alleen thuis te zijn. In het begin moest benadeelde van zijn echtgenote in de winter rond 17.00 uur thuis zijn, waardoor hij zijn werkzaamheden als zelfstandig garagehouder niet volledig kon uitvoeren. Wanneer benadeelde in de avond een klant had, belde de echtgenote van benadeelde haar broer, zodat zij niet alleen thuis hoefde te zijn.

Het incident heeft dan ook grote impact gehad op de financiële situatie van het gezin. Door het voorval heeft benadeelde de zaak een tijdje moeten sluiten en veel klanten moeten afbellen. Hierdoor heeft het gezin inkomsten misgelopen en vervolgens een huurachterstand gekregen. Het heeft benadeelde veel moeite gekost om het hoofd boven water te houden en het incident heeft nog steeds een nasleep voor het bedrijf van benadeelde, hetgeen hij erg vervelend vindt en verdachte kwalijk neemt. Benadeelde heeft momenteel nog veel schulden (zie bijlage 8).

Het gevoel van onveiligheid is sterk aanwezig bij benadeelde. Hij is tot op de heden alert en hij heeft regelmatig een onrustig gevoel. Benadeelde kijkt om zich heen wanneer hij op straat loopt en hij is bang om verdachte of betrokkenen tegen te komen. Benadeelde voelde zich erg onveilig in de woning waar het incident heeft plaatsgevonden en hij is dan ook inmiddels verhuisd. Hij had de hoop dat hij dan minder geconfronteerd zou worden met het incident. Echter, benadeelde voelt zich tot op heden onveilig in zijn woning en hij vindt het jammer dat de plek wat bij uitstek een veilige plek zou moeten zijn, niet meer veilig voor hem voelt.

Benadeelde vindt het jammer dat de foto’s en filmpjes die op de telefoons stonden die zijn weggenomen, verloren zijn. Er stonden foto’s op van de zwangerschap, welke hij graag nog had willen terugzien. Benadeelde begrijpt niet dat iemand tot zo iets in staat is en hij vindt het harteloos wat verdachten hem en zijn gezin hebben aangedaan.

Voor een nadere omschrijving van de psychische gevolgen wordt tevens verwezen naar bijgevoegde schriftelijke slachtofferverklaring (zie bijlage 9).”

2.3.3

De bijgevoegde schriftelijke slachtofferverklaring houdt voorts het volgende in:

“Ik wil u allen hier vandaag aanwezig vertellen wat de woningoverval met ons heeft gedaan.

Ons huis, onze veiligste plek bij uitstek. Althans dat was het. Door wat de verdachte en zijn partners in crime hebben gedaan, is dat nu verleden tijd. De plek waar je je altijd kon terugtrekken na een dag hard werken. Het gevoel van veiligheid is voor altijd verdwenen.

Dat er mensen zijn die geen besef hebben van wat ze allemaal hebben aangericht, is niet te beschrijven. Mijn liefdevolle vrouw die altijd voor mij klaarstond, is niet meer de vrouw die ze ooit was. En het besef dat ik niet meer de oude ben, vreet elke dag aan mij. Slapeloze nachten waarin ik rechtop in bed zit door het minste of geringste geluid om vervolgens uitgeput wakker worden.

Wat een leuke periode had moeten zijn vanwege de zwangerschap is veranderd in een helse periode van onzekerheid. We wisten niet of mijn vrouw de zwangerschap zou voltooien vanwege alle stress. Dat was echt heel zwaar.

lk heb een aantal maanden niet kunnen werken. De gedachte dat mijn vrouw alleen thuis was, kon ik mentaal niet aan.

De relatie tussen mij en mijn vrouw is zwaar verstoord vanwege de stress die de woningoverval met zich mee heeft gebracht. De zware ruzies die we na die tijd hebben gehad zijn niet op twee handen te tellen.

Ook waren periodes van teruggetrokkenheid dagelijkse kost, omdat ik geen prater ben. Mensen zien mij als een sterke man, maar als ik aan die avond terugdenk, herbeleef ik alles en komt het besef dat het ook heel anders had kunnen aflopen. Hoe kunnen deze beesten dit ons aandoen?

Ik hoop dat het besef bij de verdachte doordringt dat wat hij ons heeft aangedaan, hij dit ook niet voor zijn moeder of zijn zusje(s) wenst.”

2.4.1

Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van € 7.000 ter zake van immateriële schade aan de benadeelde partij [benadeelde 1]. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.689,90, bestaande uit € 4.689,90 aan materiële schade en € 7.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. Daarnaast is een bedrag van € 1.000,00 aan proceskosten gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.069,95, bestaande uit € 69,95 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de maatregel van artikel 36f Sr. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot een bedrag van € 500,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De raadsman van de verdachte heeft de vordering betwist en gesteld dat:

(...)

(d) de gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd
(...)
Ten aanzien van de betwiste posten overweegt het hof als volgt.
(...)

(d) Het bedrag aan immateriële schade zal worden begroot naar maatstaven van billijkheid.

(...)

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden in de zin van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.

[benadeelde 1] heeft onder meer gesteld dat als gevolg van het door de verdachte en diens mededaders gepleegde strafbare feit hij en zijn vrouw grote stress hebben ervaren, met name ook in de 2 laatste maanden van de zwangerschap, waardoor tussen hen veel spanningen en onenigheid zijn ontstaan.

Het hof begroot de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op € 7.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering ook voor dat deel zal worden toegewezen.

(...)

Het hof zal de maatregel van artikel 36f Sr opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”

2.4.2

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:

“Oplegging van straf

(...)

De verdachte heeft samen met zijn mededaders een gewapende overval gepleegd in een woning. Zij zijn ’s avonds met vier mannen de woning binnengedrongen, waar een man en diens vriendin aanwezig waren. Dat zij zich geconfronteerd zagen met de duidelijk zichtbare zwangere vriendin heeft hen niet weerhouden van het toepassen van ingrijpend geweld op haar en haar vriend. De slachtoffers zijn door de verdachte en zijn mededaders vastgebonden aan handen en/of voeten, hun monden zijn vastgeplakt met ducttape en zij zijn beiden met een vuurwapen bedreigd. De verdachte en zijn mededaders hebben het mannelijke slachtoffer een klap in zijn nek gegeven en gedreigd zijn penis eraf te zullen snijden. Daarnaast hebben de verdachte en zijn mededaders geld, telefoons en een horloge van de slachtoffers weggenomen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, temeer omdat een woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers, waarin zij de gevolgen die de overval voor hen heeft gehad hebben beschreven.”

2.5

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde 1] sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als bedoeld in artikel 106, aanhef en onder b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), welke aantasting het gevolg is van het bewezenverklaarde feit, kort gezegd het medeplegen van diefstal met geweld uit een woning. Het hof heeft niet vastgesteld dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.

2.6

Artikel 6:106 BW luidt, voor zover hier van belang:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

(...)

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”

2.7

In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, het volgende overwogen:

“Van de [in art. 6:106, aanhef en onder b, BW] bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”

2.8.1

Het uitgangspunt van het cassatiemiddel dat het hof de aantasting in de persoon van [benadeelde 1], mede heeft gebaseerd op stress die zijn echtgenote heeft ervaren, berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van het hof. Het cassatiemiddel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

2.8.2

Het hof heeft bewezenverklaard dat [benadeelde 1] en zijn vriendin door de verdachte en zijn mededaders in hun woning zijn overvallen, terwijl uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof onder meer volgt dat de slachtoffers zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt en zij beiden met een vuurwapen zijn bedreigd, terwijl [benadeelde 1] een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn penis. Het hof heeft mede op grond hiervan geoordeeld dat op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] en dat daardoor sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook voor zover het cassatiemiddel hierover beoogt te klagen, faalt het.

3 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

3.2

Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

3.3

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4 Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

5 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt in verband met het slagen van het derde cassatiemiddel, is bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat op grond van artikel 6:4:20 lid 3 Sv gijzeling niet wordt toegepast indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- vermindert de duur van deze gevangenisstraf in die zin dat deze vier jaren en negen maanden beloopt;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020.