Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1967

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/02684
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:991
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd (art. 287 Sr) door met een vuurwapen op een woning te schieten waarin en waarvoor zich op dat momenten verschillende personen (waaronder kinderen) bevonden. 1. Vordering b.p., rechtstreekse schade. Heeft b.p. gevorderde schade rechtstreeks door bewezenverklaard feit geleden? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2019:793 m.b.t. rechtstreekse schade. Hof heeft geoordeeld dat tussen bewezenverklaarde handelen van verdachte en schade die b.p. heeft gevorderd, voldoende verband bestaat in hiervoor bedoelde zin. Daaraan heeft hof ten grondslag gelegd dat “hoewel b.p. destijds nog maar 7 jaar oud, op het moment van schietpartij zelf niet in woning was, (...) het voor haar desalniettemin een zeer traumatische ervaring moet zijn geweest nu haar ouders, broers en zus wel in woning aanwezig waren”. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk. HR neemt daarbij in aanmerking dat uit ‘s hofs vaststellingen niet z.m. volgt dat b.p. 1 van de in bewezenverklaring genoemde kinderen is en ook overigens niet blijkt waar zij was op het moment van schietpartij en op welke wijze zij daarmee (al dan niet direct) is geconfronteerd. Volgt partiële vernietiging (t.a.v. beslissing op vordering b.p. en oplegging schadevergoedingsmaatregel) en terugwijzing.

Ad 2. HR ambtshalve (t.a.v. andere slachtoffers): HR zal ’s hofs uitspraak vernietigen v.zv. daarbij telkens vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0396
RvdW 2021/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02684

Datum 8 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 mei 2019, nummer 21-001080-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is dat beroep nadien ingetrokken voor zover dat is gericht tegen de door het hof gegeven beslissing om de benadeelde partij [benadeelde] wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding van € 200 niet-ontvankelijk te verklaren. Namens de verdachte heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend:

1. wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan;

2. voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in het arrest genoemde overige slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, ambtshalve te bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

3. en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen. In het bijzonder klaagt het cassatiemiddel over de juistheid en de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de benadeelde partij de gevorderde schade rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 5 maart 2016 te Enschede ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of één of meer van zijn/haar kind(eren) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van de woning van die [betrokkene 2] , gelegen aan het [a-straat 1] aldaar, waarin/waarvoor die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 1] en/of één of meer kind(eren) zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Het door het hof in zoverre bevestigde vonnis van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:

“Op 5 maart 2016 tussen 20.30 uur en 21.00 uur is [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), echtgenote van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), samen met haar dochters [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) en [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) naar de woning van [betrokkene 3] gegaan om te praten over de klachten die er zijn over de [familie van de benadeelde] . In de woning van [betrokkene 3] is een vechtpartij ontstaan tussen de kleinkinderen van mevrouw [betrokkene 3] - zijnde de kinderen van verdachte - en de daar aanwezige leden van de [familie van de benadeelde] . Uiteindelijk zijn de twee families buiten tegenover elkaar komen te staan. Daarbij is ook over en weer met stenen gegooid. Ruiten van [a-straat 1] zijn gesneuveld en [betrokkene 4] en zoon [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) zijn lichtgewond geraakt.

Vanaf het plantsoen is een blanke man met lang haar, dat hij in een paardenstaart droeg, met een driekwart jas al schietend in de richting van de woning met [a-straat 1] aan komen lopen. [betrokkene 5] en [betrokkene 4] hebben deze persoon als verdachte herkend. Op het moment van schieten stonden [betrokkene 2] en [betrokkene 5] nog in de voortuin van de woning. [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) en [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] ) waren in de woning op dat moment.

(...)

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld waarop en/of op wie door verdachte is geschoten. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , zoals hiervoor onder 5.3.1 is uiteengezet, kan worden vastgesteld dat [benadeelde] en [betrokkene 5] nog in de voortuin van hun woning stonden op het moment dat verdachte het vuur opende. Zij zijn direct daarna de woning in gevlucht. In de woning waren [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] aanwezig. Getuige [betrokkene 8] ziet dat een man al schietend op de woning van de [familie van de benadeelde] in de richting van die woning liep. Deze man hield zijn rechterarm gestrekt voor zich, had het wapen in zijn rechterhand en hield het wapen voor zich uitgestoken. Getuige [betrokkene 8] denkt dat de man drie of vier keer geschoten heeft. Gelet daarop en op het feit dat door de forensisch rechercheur kogelinslagen zijn aangetroffen in en om de woning aan het [a-straat 1] , is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft geschoten in de richting van de woning van de [familie van de benadeelde] waarin en waarvoor leden van die familie zich bevonden.”

2.2.3

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van de benadeelde partij [benadeelde] met bijlagen. Dit formulier houdt onder meer in:

“Omschrijving immateriële schade

[benadeelde] is als jongste familielid van de [familie van de benadeelde] erg aangedaan door het incident. Ze ervaart angst. Dit uit zich in haar gedragingen. Ze is niet bij haar moeder weg te krijgen. Dit met name door de mishandeling van haar moeder en zus [betrokkene 4] voor haar ogen. Zij heeft zichzelf met moeite uit de woning kunnen bevrijden. Ze was erg bang dat haar moeder en zus iets zou overkomen. Ook zijn de kogels die naderhand in de woning zijn gevonden haar bijgebleven. Zij maakt tekeningen met daarop een pistool en kogels die zijn gericht op mensen. In de nacht schreeuwt zij dan ook vaak wakker.”

2.2.4

Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van € 1.758 ter zake van immateriële schade aan [benadeelde] als benadeelde partij. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. Hoewel [benadeelde] , destijds nog maar 7 jaar oud, op het moment van de schietpartij zelf niet in de woning was, acht het hof het aannemelijk dat het voor haar desalniettemin een zeer traumatische ervaring moet zijn geweest nu haar ouders, broers en zus wel in de woning aanwezig waren. Het hof is van oordeel dat de door [benadeelde] gevorderde schade daarmee in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schade te hoog is. Toewijzing van een bedrag van € 1.758,- komt het hof echter alleszins redelijk voor. Het hof acht derhalve de vordering, inclusief de gevorderde wettelijke rente, die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, gegrond en voor toewijzing vatbaar.”

2.3.1

De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. (Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793.)

2.3.2

Het hof heeft geoordeeld dat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte kort gezegd: poging tot doodslag, meermalen gepleegd - en de schade die de benadeelde partij heeft gevorderd, voldoende verband bestaat in de hiervoor bedoelde zin. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat “hoewel [benadeelde] , destijds nog maar 7 jaar oud, op het moment van de schietpartij zelf niet in de woning was, (...) het voor haar desalniettemin een zeer traumatische ervaring moet zijn geweest nu haar ouders, broers en zus wel in de woning aanwezig waren”. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de vaststellingen van het hof niet zonder meer volgt dat de benadeelde partij één van de in de bewezenverklaring genoemde kinderen is en ook overigens niet blijkt waar zij was op het moment van de schietpartij en op welke wijze zij daarmee - al dan niet direct - is geconfronteerd.

2.4

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1

De verdachte bevond zich ten tijde van de betekening van de aanzegging als bedoeld in artikel 435 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in voorlopige hechtenis op zijn woonadres met elektronisch toezicht. De Hoge Raad doet uitspraak binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet is overschreden.

3.2.1

Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.

3.2.2

De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij ten behoeve van de andere slachtoffers dan [benadeelde] telkens vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (i) wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde] en (ii) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de overige in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de hiervoor onder (ii) genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien van de hiervoor onder (i) genoemde beslissingen opnieuw wordt berecht en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020.