Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1964

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/04881
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1170
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2019:3957
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het zich verschaffen en in voorraad hebben van valse bankbiljetten, art. 209 Sr. Vormverzuim, art. 359a Sv. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging wegens schending Tallon-criterium. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2020:1889 m.b.t. niet-ontvankelijkverklaring van OM in het geval dat verdachte door opsporingsambtenaar dan wel door persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot begaan van strafbaar feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht. Omstandigheid dat niet verdachte maar medeverdachte contact had met opsporingsambtenaar of persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, sluit niet uit de mogelijkheid dat (ook) verdachte door die opsporingsambtenaar of andere persoon is gebracht tot begaan van strafbaar feit waarvoor hij wordt vervolgd. Hof heeft dat niet miskend, maar heeft kennelijk omstandigheid dat geen sprake was van direct contact tussen verdachte en burgerinformant betrokken bij oordeel dat verdachte niet door opsporingsambtenaar of persoon voor wiens handelen politie of OM verantwoordelijk is, is gebracht tot begaan van tlgd. en bewezenverklaard strafbaar feit. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In aanmerking genomen hetgeen hof ook overigens heeft vastgesteld over wijze waarop verdachte bij dat feit betrokken is geraakt, is oordeel ook niet onbegrijpelijk. In dat verband heeft hof o.m. vastgesteld dat verdachte aan medeverdachte heeft gevraagd waarom burgerinformant continu met die medeverdachte belde, waarna verdachte, toen medeverdachte hem dit had uitgelegd, niet op vraag van medeverdachte maar geheel uit zichzelf, toezegde te informeren en na een of anderhalve week aan medeverdachte duidelijk maakte dat een door hem genoemde persoon in ‘die business’ zat. Volgt verwerping. Samenhang met 19/04915 en 19/04974. Vervolg op ECLI:NL:HR:2011:BR3037 en ECLI:NL:HR:2016:2778.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0388
NJB 2021/18
RvdW 2021/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/04881

Datum 8 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019, nummer 20/000086-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het Tallon-criterium.

2.2.1

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“hij, op 8 april 2005 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, te weten: [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] en [betrokkene 4], 118, bankbiljetten ter waarde van elk 500 euro (in totaal 59.000 euro), waarvan de valsheid verdachte en zijn medeverdachten, toen zij die bankbiljetten ontvingen, bekend was, met het oogmerk om die bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad en zich heeft verschaft.”

2.2.2

Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen:

“De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De CIE heeft langere tijd gebruik gemaakt van een betaalde informant die onder haar regie aan [betrokkene 1] heeft gevraagd om de levering van vals geld. [betrokkene 1] en [verdachte] zijn door deze informant gebracht tot het plegen van strafbare feiten die zij anders niet zouden hebben gepleegd. Hierdoor is het Tallon-criterium geschonden. Er is daarom sprake van met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren die een ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

(...)

Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

a. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell-tankstation in de buurt van de nieuwe woonwijk Zeeburg te Amsterdam een overdracht plaatsvinden van een grotere partij valse eurobiljetten. Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [betrokkene 1], [medeverdachte 1], [betrokkene 2], [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]. In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000,- aan valse 500 euro-biljetten aangetroffen. Een aantal weken later werd [verdachte] (verdachte) aangehouden en op 13 september 2005 [betrokkene 4].

b. Op 9 april 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [betrokkene 4] was benaderd. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [betrokkene 1] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [verdachte]. Deze [verdachte] had hem in contact gebracht met [medeverdachte 1]. [betrokkene 1] zou er voor zorgen dat deze [betrokkene 2] en [betrokkene 4] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten.

c. Op 12 juli 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [betrokkene 4]. [betrokkene 4] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. [betrokkene 4] bleef [betrokkene 1] daarom vragen. Via [verdachte] heeft hij [medeverdachte 1] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [betrokkene 4] en die [betrokkene 2]. [betrokkene 4] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 4] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [betrokkene 4] dat hij geleverd wilde hebben. [betrokkene 1] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [betrokkene 4] ontvangen. Het initiatief was van [betrokkene 4] uitgegaan. [betrokkene 1] heeft met [betrokkene 4] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten.

d. [medeverdachte 1] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [verdachte] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vertelde aan hem, [medeverdachte 1], dat hij valse euro's kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [medeverdachte 1] heeft op verzoek van [betrokkene 1] geregeld dat [betrokkene 2] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [betrokkene 2] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]).

e. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [betrokkene 4] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [betrokkene 1] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [betrokkene 1] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [betrokkene 4] zou tegen [betrokkene 1] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [betrokkene 4] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [betrokkene 4] had de CIE-man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro's aan hem geleverd kon worden. [betrokkene 4] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [betrokkene 4] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro's daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een 'plan de campagne' maken om in te grijpen. [betrokkene 4] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE € 1.750,- heeft ontvangen.

f. De CIE-man met wie [betrokkene 4] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zogenoemde runner, wordt 'de Oudste' genoemd. De Oudste heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [betrokkene 4] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse 500 euro-biljetten.

g. [betrokkene 4] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest. Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, 'pro-actieve' en ervaren informant.

h. Op 6 april 2005 informeerde [betrokkene 4] zijn CIE-runner 'de Oudste' tussen 14.45 en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000,- aan valse 500 euro-biljetten, waarmee 'iemand rond rijdt' en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals 500 euro-biljet en 'een gedeelte' weet van 'de identiteit'.

i. De door 'de Oudste' en [betrokkene 4] met betrekking tot het valse 500 euro-biljet gegeven verklaringen lopen uiteen over de inhoud van het advies c.q. de opdracht van de runner aan de informant met betrekking tot het valse biljet, maar komen in essentie hierin overeen dat [betrokkene 4] zich zo spoedig mogelijk ('als de weerga') van het valse biljet moest ontdoen.

j. Het CIE-journaal van 6 april 2005 bevat in zeven regels een weergave van het contact tussen runner en informant en eindigt met de woorden 'Gezegd hierop terug te komen'. Het bevat geen specifieke vragen, nadere afspraken of opmerkingen van de runner over het feit dat [betrokkene 4] in het bezit was van een vals 500 euro-biljet, over de wijze waarop hij in het bezit daarvan was gekomen en zijn wetenschap over en/of betrokkenheid bij de partij van € 80.000,- aan valse euro's.

k. Over de vraag of en hoe hierop later nog is teruggekomen en over de frequentie van het contact tussen de CIE-runner en zijn informant over deze kwestie verschillen de verklaringen van beiden aanzienlijk. [betrokkene 4] verklaart dat tussen 6 april 14.50 uur en 8 april 2005 te 11.05 uur een aantal telefonische contacten tussen hen beiden hebben plaatsgevonden, terwijl 'de Oudste’ verklaart dat er in die periode geen contact (meer) is geweest.

l. In strijd met de binnen de CIE geldende regels ter waarborging van een rechtmatige gang van zaken en een adequate controleerbaarheid is [betrokkene 4] met betrekking tot zijn inzet niet gerund door een koppel van twee runners, maar solo door 'de Oudste'.

m. Volgens het CIE-journaal van die dag lichtte [betrokkene 4] zijn runner op 8 april 2005 om 11.05 uur telefonisch in over een overdracht van een partij vals geld van € 80.000,- op diezelfde dag om 13.45 uur bij een tankstation bij de Zeeburgerdijk te Amsterdam, waarbij een zekere '[betrokkene 5]' en een blauwe Opel Vectra, waarin zich het valse geld zou bevinden, zouden zijn betrokken.

n. De verklaringen van de runner en zijn informant lopen uiteen over het tijdstip van de overdracht, in het bijzonder over het verzetten/verlaten van dat tijdstip om voldoende tijd en gelegenheid te hebben voor het treffen van politiële maatregelen rond de overdracht van de partij vals geld en het ingrijpen daarbij door de politie.

o. Het journaal van de runner van 8 april 2005 bevat voorts de strofe: 'Op mijn vraag wat de rol van info (naar het hof begrijpt: informant) is antwoordde hij hier geen enkele rol in te spelen, en de opmerking van informant geen enkel gevaar te duchten te hebben, gevraagd naar zijn afscherming.

p. Op basis van deze informatie werd door [verbalisant 1], die de coach was van runner 'de Oudste' en die tevens fungerend chef van de CIE was, en met wie op 8 april 2005 telefonisch voor het eerst over deze zaak was gesproken, 'er op geïnvesteerd', een proces-verbaal opgemaakt en per fax verzonden aan de CIE van de afdeling Nationale Recherche Randstad Noord.

q. Volgens hetzelfde dag-journaal lichtte [betrokkene 4] zijn runner 'de Oudste' om 14.15 uur telefonisch in - na een daaraan voorafgegaan SMS-bericht van [betrokkene 4] - dat hij gebeld werd ‘dat men er al 45 minuten staat en dat er niemand is, dat de kopers de zaak niet vertrouwd hebben en door zijn gereden'.

r. Een (observatie)team van de politie, dat na het onder p. genoemde proces-verbaal van [verbalisant 1] op de hoogte is gesteld van de vermoedelijke overdracht van een partij vals geld, observeerde diezelfde middag de ontmoeting bij bedoeld tankstation, waarbij [betrokkene 4] niet aanwezig was, hield de verdachten aan, doorzocht de betrokken voertuigen en nam een partij van € 59.000.- aan valse biljetten van € 500,- in beslag.

s. In het CIE-journaal van 8 april 2005 is vermeld dat [betrokkene 4] is gevraagd naar zijn rol en afscherming in deze zaak. Voorts is in dit journaal vermeld (mutatie 11.12 uur) dat na het telefoongesprek van 14.15 uur (?) informant 'kennelijk meer er bij betrokken' is dan in het eerste gesprek werd gesuggereerd, waarop evenwel niet meer is teruggekomen in het gesprek dat op de avond van 8 april 2005 tussen [verbalisant 1], [betrokkene 4] en 'de Oudste' plaatsvond. In elk geval blijkt daarvan niet uit het journaal.

t. [betrokkene 4] is vervolgens in de periode van april tot september 2005 ongewijzigd als informant voor de CIE werkzaam geweest, tot het moment van zijn aanhouding medio september 2005 in deze zaak op verdenking van betrokkenheid bij de handel in vals geld.

u. Het openbaar ministerie heeft de verdachten en de overige procesdeelnemers, onder wie ook de rechters van de rechtbank die over de vrijheidsbeneming van de verdachten te beslissen hadden, in dat stadium van de strafrechtelijke procedure niet ingelicht over deze aan de aanhoudingen voorafgegane, met bijstand van een burgerinformant ondernomen, opsporingsactiviteiten noch anderszins in het strafdossier verslag gedaan van de in nauw overleg tussen de runner en de informant bepaalde gedragslijn die leidde tot de onderschepping van de partij vals geld, de aanhouding van verdachte en medeverdachten en tot het daarop gevolgde strafrechtelijk onderzoek.

v. Pas maanden na de aanhouding van de verdachte(n), maar vóór de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg, is dankzij de proceshouding van [betrokkene 4] de in deze zaak gevolgde bijzondere opsporingsmethode bekend geworden aan (mede)verdachte(n) en hun raadslieden. De aangehouden verdachten zaten in dat stadium van de strafprocedure allemaal in voorlopige hechtenis.

Het hof overweegt voorts het volgende.

In de zaak van medeverdachte [betrokkene 1] heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 25 juni 2007 (ECLI:NL:GHSGR:2007:BA8171) onder meer het volgende geoordeeld: ‘Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking geweest in verband met de delicten inzake de handel en gebruik van vals geld. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte de strafbare feiten zou hebben gepleegd als [betrokkene 4] (die optrad als informant voor de CIE) hem daartoe niet had overgehaald. Onder andere het feit dat [betrokkene 4] door de overheid kreeg betaald voor het verstrekken van informatie over strafbare feiten heeft hem er kennelijk toe gebracht verdachte over te halen om te bemiddelen bij de vals geld transactie. [betrokkene 4] heeft kunnen handelen zoals hij gehandeld heeft, omdat het toezicht van de CIE faalde. Het hof is daarom van oordeel dat de verdachte als gevolg van aan de overheid toe te rekenen omstandigheden is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet was gericht en dat alleen al om die reden geen veroordeling kan volgen.’

Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is verworpen (zie HR 29 juni 2010 ECLI:NL:HR:2010:BL0655).

Het hof gaat er daarom van uit dat tegen medeverdachte [betrokkene 1] sprake is geweest van schending van het Tallon-criterium, in die zin dat CIE-informant [betrokkene 4], die kan worden aangemerkt als een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, [betrokkene 1] heeft gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij is vervolgd. Dat [betrokkene 4] dat op eigen initiatief heeft gedaan en niet in opdracht van de politie of het openbaar ministerie doet daar niet aan af.

Dat het Tallon-criterium jegens [betrokkene 1] is geschonden, betekent echter niet dat dat ook jegens verdachte het geval is. Uit de hiervoor onder a. tot en met v. weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat [betrokkene 4] medeverdachte [betrokkene 1] heeft benaderd met de vraag of hij mensen wist die kopietjes van euro's konden leveren. [betrokkene 1] heeft op zijn beurt, uit eigen beweging, contact gezocht met verdachte en verdachte heeft [medeverdachte 1] benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelde. [medeverdachte 1] heeft vervolgens via een kennis contact gezocht met [betrokkene 2], die valse euro's kon leveren.

Verdachte heeft (in dit stadium) dus geen direct contact gehad met CIE-informant [betrokkene 4]. Verdachte is dan ook niet door een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd. Het zogenoemde Tallon-criterium is ten aanzien van verdachte derhalve niet geschonden. Het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt derhalve verworpen.”

2.2.3

Het hof heeft - voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang - voorts het volgende vastgesteld in de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt.

“8. Een bundel in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften (...) waaronder een proces-verbaal van verhoor verdachte (...), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden hoofdagent van politie Haaglanden, voor zover dit zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1972, tegenover de verbalisanten voornoemd:

V = vraag verbalisanten.

A = antwoord verdachte [betrokkene 1].

(...)

V: Hoelang kent u [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte]] al?

A: Ik ken hem sinds februari 2005.

(...)

V: Kunt u nogmaals kort uitleggen hoe u betrokken bent geraakt bij de handel in vals geld?

A. Ik ben erbij betrokken geraakt door [betrokkene 4] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [betrokkene 4]], [betrokkene 4] vroeg mij in december 2004 of januari 2005 of ik aan vals geld kon komen, maar ik had daar geen tijd voor. (...) [betrokkene 4] bleef mij bellen en in een klein gesprek over leningen en verzekeringen met [verdachte] kwam het verzoek van [betrokkene 4] weer ter sprake, dat hij dus vals geld wilde, en [verdachte] zou gaan kijken of hij iets kon regelen.

V: Wat vraagt [betrokkene 4] dan letterlijk?

A: Hij vroeg om drukwerk en [betrokkene 4] is een keer naar Utrecht gekomen en daar vroeg hij mij of ik aan valse euro-biljetten kon komen. Toen ik [betrokkene 4] een keer aan de telefoon had en [hij] mij er weer om vroeg, was ik bij [verdachte] en [verdachte] wilde weten wat er aan de hand was. Ik vertelde [verdachte] toen wat [betrokkene 4] wilde en [verdachte] zou kijken wat hij kon regelen. Via [verdachte] hebben we toen een man genaamd [medeverdachte 1] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [medeverdachte 1]] leren kennen en in contact laten komen met [betrokkene 4]. Ik heb toen een afspraak geregeld tussen [betrokkene 4] en [medeverdachte 1]. Het initiatief lag bij [betrokkene 4].

V: Waarom vroeg [betrokkene 4] u om valse bankbiljetten?

A: Omdat ik in het geld zat, verzekeringen en dergelijke. (...)

V: Hoe heeft u [verdachte] dan betrokken bij de zaak?

A: Ik heb hem uitgelegd wat [betrokkene 4] wilde (...). [verdachte] vertelde dat het moeilijk en risicovol was om aan valse bankbiljetten te komen.

V: Wist [verdachte] u dat direct te vertellen of moest hij bijvoorbeeld informeren?

A: Dat vertelde [verdachte] toen gelijk al.

(...)

V: Kunt u zich herinneren wat u precies aan [verdachte] vroeg?

A: Ja, of [verdachte] iemand wist die zich bezighield met valse euro's.

V: Heeft u om specifieke coupures gevraagd?

A: Nee, gewoon valse euro's.

V: Wat zei [verdachte] toen tegen u?

A: Ik heb hem daarna nog één of twee keer gebeld en [verdachte] zei dat hij een persoon kende, dat bleek [medeverdachte 1] te zijn, en ik besprak met [verdachte] om een afspraak te regelen tussen [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] om verder zaken te doen.

V: Wat vertelde [verdachte] nog meer over [medeverdachte 1]?

A: [medeverdachte 1] kon mogelijk wat betekenen voor [betrokkene 4]. We hebben toen een keer in een ochtend afgesproken dat [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] elkaar zouden ontmoeten bij de benzinepomp in Amsterdam en daar ben ik toen aangehouden.

V: Zou dat de eerste ontmoeting geweest zijn tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 4]?

A. Ja, ze hadden elkaar nog niet gezien en/of gesproken.

V: Kent [verdachte] [betrokkene 4] ook?

A: Toen nog niet.

(...)

V: Wat zou u eraan verdienen?

A: Ik zou een percentage van [betrokkene 4] ontvangen. (...)

(...)

V: Voordat de partij vals geld overgedragen zou worden, moet er een proefbiljet getoond zijn. Kunt u hierover verklaren?

A: Ik heb er eentje aan [betrokkene 4] gegeven. Ik denk ongeveer twee weken vóór mijn aanhouding. Ik kreeg dat biljet van [verdachte] en dat heb ik toen aan [betrokkene 4] gegeven.

(...) Toen ik te horen kreeg van [verdachte] dat er valse bankbiljetten geleverd konden worden, heb ik dat doorgegeven aan [betrokkene 4] en [betrokkene 4] wilde toen een monster. [verdachte] heeft toen, na een telefonische afspraak, een monster, een vals bankbiljet, geleverd in de buurt van Den Haag, bij een tankstation. Dit biljet betrof een vals biljet van vijfhonderd euro. (...) Ik heb bij dezelfde benzinepomp waar ik ben aangehouden ook het monster overhandigd aan [betrokkene 4].

(...)

V: Wat zei [betrokkene 4] van het monster?

A: (...) Een paar dagen later belde [betrokkene 4] dat hij geleverd wilde hebben, dat het monster goed was, dat hij wilde weten hoeveel ze konden leveren en ik heb toen [verdachte] weer benaderd met deze vragen.

(...)

V: Hoeveel kon [verdachte] leveren, toen [betrokkene 4] geïnteresseerd was?

A: [verdachte] zei dat er tachtigduizend geleverd kon worden. Later bleek dat dus maar negenenvijftigduizend te zijn. Dat was dus wat ze op dat moment konden leveren.

(...)

9. De verklaring van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1972, afgelegd tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank 's-Gravenhage op 9 januari 2006:

(...)

3. (...) [betrokkene 4] belde mij in de maand of anderhalve maand voor mijn aanhouding continu op, nadat hij aan mij gevraagd had of ik wist of iemand hem vals geld kon leveren. Ik weet niet waarom [betrokkene 4] bij mij terechtkwam met die vraag. Daarna bleef hij mij continu telefonisch lastig vallen met de vraag of ik al wat meer wist. Ik heb hem via [verdachte] [het hof begrijpt hier en hierna telkens: [verdachte]] in contact gebracht met [medeverdachte 1]. Op uw vraag hoe dat contact met [verdachte] tot stand kwam, zeg ik u het volgende. Ik herinner me dat ik onderweg was met [verdachte] naar België toen [betrokkene 4] mij wederom belde. Dit was ongeveer één maand voor mijn aanhouding. [verdachte] vroeg aan mij waarom [betrokkene 4] continu met mij belde, waarna ik hem dit uitlegde en [verdachte] zei dat ook hij zou informeren. Dit deed hij niet op een vraag van mij, maar geheel uit zichzelf. Na een week of anderhalf werd duidelijk dat [medeverdachte 1] in die business zat. Dat werd mij zo verteld door [verdachte]. Hiervan heb ik [betrokkene 4] op de hoogte gebracht.

4. Ik herinner me dat [betrokkene 4] een proefmonster wilde hebben van het valse geld. Daarop heb ik [verdachte] gebeld met deze mededeling, waarna [verdachte] mij vertelde dat anderen een proefmonster konden leveren. [medeverdachte 1] kende ik nog niet in die tijd. Ik kreeg het proefmonster van [verdachte] in een enveloppe en heb dit aan [betrokkene 4] overhandigd. Dit was zo'n twee à twee en een halve week voordat ik werd opgepakt. [betrokkene 4] nam het proefmonster in ontvangst, nam dit mee en zei tegen mij dat hij dat aan zijn opdrachtgevers zou laten zien. Dit speelde zich af bij hetzelfde tankstation als waar wij zijn aangehouden. Vervolgens heb ik één week niets van [betrokkene 4] gehoord. Daarna vroeg hij mij of ze konden leveren en hoeveel zij konden leveren. Nadat ik dit had gevraagd aan [verdachte], die dat op zijn beurt aan de anderen zou vragen, belde [verdachte] mij terug met de mededeling dat zij 70 à 80.000 euro konden leveren.

5. Op 8 april 2005 heb ik [medeverdachte 1] opgehaald. Tegen [betrokkene 4] heb ik gezegd dat hij direct contact moest opnemen met [medeverdachte 1]. De details rond de levering zouden door [betrokkene 4] en [medeverdachte 1] worden besproken. Ik was daar niet bij. [verdachte] is daar verder ook buiten gebleven.

6. U vraagt me naar mijn eigen rol in deze zaak. Ik was bemiddelaar, heb personen bij elkaar gebracht en heb geïnformeerd naar iemand die vals geld zou kunnen leveren. Het was de bedoeling van [betrokkene 4] dat ik daarvoor 1.000 of 2.000 euro zou ontvangen, hetgeen ik niet heb gekregen. De rol van [verdachte] was eveneens die van bemiddelaar. Of hij betaald kreeg, weet ik niet. De rol van [medeverdachte 1] kan ik moeilijk beoordelen. Ik weet alleen van hem dat hij contact had met anderen in deze zaak, meer weet ik niet van hem.”

2.3

Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens - “the proceedings as a whole were not fair”. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht. (Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889).

2.4

De omstandigheid dat niet de verdachte maar zijn medeverdachte contact had met een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, sluit niet uit de mogelijkheid dat (ook) de verdachte door die opsporingsambtenaar of deze andere persoon is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd. Het hof heeft dat niet miskend, maar heeft kennelijk, zoals het kon doen, de omstandigheid dat geen sprake was van direct contact tussen de verdachte en [betrokkene 4] betrokken bij zijn oordeel dat de verdachte niet door een opsporingsambtenaar of een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafbare feit. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. In aanmerking genomen hetgeen het hof ook overigens heeft vastgesteld over de wijze waarop de verdachte bij dat feit betrokken is geraakt, is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. In dat verband heeft het hof (zoals blijkt uit bewijsmiddel 9) onder meer vastgesteld dat de verdachte aan zijn medeverdachte heeft gevraagd waarom [betrokkene 4] continu met die medeverdachte belde, waarna de verdachte, toen zijn medeverdachte hem dit had uitgelegd, niet op een vraag van de medeverdachte maar geheel uit zichzelf, toezegde te informeren en na een of anderhalve week aan die medeverdachte duidelijk maakte dat een door hem genoemde persoon in ‘die business’ zat.
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020.