Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:196

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
18/02645
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1436
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Onder zich hebben van beschermde inheemse vogels die niet zijn voorzien van juiste pootring (meermalen gepleegd), art. 13.1 Flora- en faunawet. 1. OM n-o in vervolging, nu pootringen zijn verwijderd zodat het niet meer mogelijk is om tegenonderzoek te laten uitvoeren? 2. Verweer strekkend tot bewijsuitsluiting op de grond dat verbalisanten zich niet (tijdig) hebben gelegitimeerd. 3. Verweer dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat vogels niet zijn voorzien van juiste pootring. 4. Heeft mogelijke verkrijging van vogels in België gevolgen voor strafbaarheid van het onder zich hebben van die vogels in Nederland? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/02645 E

Datum 28 januari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 30 mei 2018, nummer 20/001969-15, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.