Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1958

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
19/01939
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:944
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Steekincident op metrostation Postjesweg in Amsterdam, waarbij minderjarige meisjes zijn betrokken. Medeplegen poging tot doodslag (art. 47 jo. 287 Sr) en openlijke geweldpleging met lichamelijk letsel tot gevolg (art. 141.2 Sr). Aanhouding zaak, art. 496a Sv. Is rechter, ingeval niet “beide ouders” van minderjarige verdachte ttz. zijn verschenen en geen sprake is van één van in art. 496a.3 Sv omgeschreven uitzonderingssituaties, verplicht om o.g.v. art. 496a.1 Sv behandeling van zaak aan te houden? O.g.v. art. 496a.1 Sv moet (behoudens in lid 3 omschreven uitzonderingssituaties) behandeling van zaak worden aangehouden indien “de ouders” van een van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven om op tz. te verschijnen. Een redelijke en met bedoeling van wetgever en eisen van praktische hanteerbaarheid strokende wetstoepassing brengt mee dat dit voorschrift alleen ziet op het geval dat geen van beide ouders is verschenen. Dat vindt bevestiging in parlementaire stukken, i.h.b. het daarin opgenomen standpunt van regering dat desbetreffende regeling aan rechter de ruimte verschaft om verschijningsplicht “naar de geest van de wet” uit te voeren door behandeling van zaak “in de regel” niet aan te houden “als één van beide ouders afwezig is” en dat met dergelijke “pragmatische” toepassing van verschijningsplicht goede afweging wordt gemaakt tussen “belang (...) bij een snelle afdoening van [de] strafzaak” en “belang van de aanwezigheid van ouders”. Middel berust op onjuiste rechtsopvatting. Volgt verwerping. Samenhang met 19/02082 J.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0391
NJB 2021/20
RvdW 2021/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/01939 J

Datum 8 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 april 2019, nummer 23-001238-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf van jeugddetentie betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 496a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) op de terechtzitting van 1 april 2019 de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden terwijl de vader van de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen. Het voert daartoe aan dat ingeval niet “beide ouders” van de minderjarige verdachte ter terechtzitting zijn verschenen, de rechter op grond van artikel 496a lid 1 Sv verplicht is tot aanhouding van de behandeling van de zaak, tenzij sprake is van één van de in artikel 496a lid 3 Sv omschreven uitzonderingssituaties.

2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 april 2019 houdt in dat onder meer de verdachte, haar raadsman en haar moeder ter terechtzitting zijn verschenen. Het proces-verbaal houdt niet in dat de vader van de verdachte ter terechtzitting is verschenen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij niet aanwezig was. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat het hof heeft geoordeeld dat aanhouding op één van de in artikel 496a lid 3 Sv genoemde gronden achterwege kon blijven.

2.3

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang, die ingevolge artikel 501 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn.

- Artikel 496 lid 1 Sv:

“De ouders of de voogd zijn verplicht tot bijwoning van de terechtzitting. Zij worden daartoe opgeroepen. Bij de oproeping wordt hun kennisgegeven, dat, indien zij niet aan deze verplichting voldoen, het gerecht hun medebrenging kan gelasten.”

- Artikel 496a Sv:

“1. Indien de ouders of voogd van een van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven op de terechtzitting te verschijnen beveelt het gerecht de aanhouding van de zaak tegen een bepaalde dag en beveelt het tevens hun oproeping. Het gerecht stelt voorafgaand aan zijn beslissing de verdachte, de officier van justitie en het slachtoffer dat ter terechtzitting aanwezig is, in de gelegenheid zich uit te laten over de wenselijkheid van aanhouding.

2. Het gerecht kan bij het bevel tot oproeping een bevel tot medebrenging verlenen, indien het de aanwezigheid van een of beide ouders dan wel de voogd bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting noodzakelijk acht. Het gerecht kan dit bevel ook geven in het geval van de behandeling van de zaak van een van overtreding verdachte minderjarige.

3. Het gerecht kan slechts bevelen dat het onderzoek niet wordt aangehouden, en dat een bevel tot medebrenging niet wordt verleend indien:

a. het aanstonds een van de uitspraken bedoeld in artikel 349, eerste lid, doet,

b. de ouders of voogd geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, of

c. de aanwezigheid van een of beide ouders niet in het belang van de minderjarige wordt geacht.”

2.4.1

Op grond van artikel 496a lid 1 Sv moet - behoudens in de in lid 3 omschreven uitzonderingssituaties - de behandeling van de zaak worden aangehouden indien “de ouders” van een van misdrijf verdachte minderjarige in gebreke blijven om op de terechtzitting te verschijnen. Een redelijke en met de bedoeling van de wetgever en de eisen van praktische hanteerbaarheid strokende wetstoepassing brengt mee dat dit voorschrift alleen ziet op het geval dat geen van de beide ouders is verschenen. Dat vindt bevestiging in de parlementaire stukken, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 29 tot en met 38, 40 en 41, in het bijzonder in het daarin opgenomen standpunt van de regering dat de desbetreffende regeling aan de rechter de ruimte verschaft om de verschijningsplicht “naar de geest van de wet” uit te voeren door de behandeling van de zaak “in de regel” niet aan te houden “als één van beide ouders afwezig is” en dat met een dergelijke “pragmatische” toepassing van de verschijningsplicht een goede afweging wordt gemaakt tussen “het belang (...) bij een snelle afdoening van [de] strafzaak” en het “belang van de aanwezigheid van ouders” (Kamerstukken I 2011/12, 30 143, nr. I, p. 4).

2.4.2

Gelet op wat hiervoor is overwogen faalt het cassatiemiddel, reeds omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting.

3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

Op de verdachte is het strafrecht voor jeugdigen toegepast. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde jeugddetentie van 300 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;

- vermindert deze in die zin dat deze 286 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020.