Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1949

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
18-12-2020
Zaaknummer
19/05006
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:2539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Art. 10 Wet Vpb 1969. Uitdeling van winst. Vormde kwijtschelding van rentevordering op aandeelhouder een uitdeling van winst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-12-2020
V-N Vandaag 2020/3166
FutD 2020-3765 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/65.10 met annotatie van Redactie
NTFR 2021/25 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
BNB 2021/60 met annotatie van E.J.W. Heithuis
FED 2021/49 met annotatie van G.J.W. Kinnegim
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05006

Datum 18 december 2020

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 september 2019, nr. BK-18/01097, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/4209) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarin besloten liggende beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1

[D] is houder van alle certificaten van de aandelen in belanghebbende en tevens bestuurder van belanghebbende. Hij wordt hierna aangeduid als: de certificaathouder.

2.2

Op 31 december 2014 had belanghebbende een vordering op de certificaathouder van € 5.140.420. Over het jaar 2014 is over deze vordering € 54.940 rente berekend (hierna: de rente). De certificaathouder is de rente schuldig gebleven.

2.3

Belanghebbende heeft de rentevordering ultimo 2014 afgewaardeerd tot nihil. Zij heeft het bedrag van € 54.940 aan de certificaathouder kwijtgescholden.

2.4

De certificaathouder heeft in 2014 een schenking van € 100.000 gedaan aan [E], met wie hij in 2015 onder het maken van huwelijkse voorwaarden is gehuwd.

2.5

Bij het doen van de aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 heeft belanghebbende door de afwaardering van de rentevordering per saldo geen bate ter zake van rente begrepen in haar belastbare winst en daarom een verlies aangegeven. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aangegeven belastbare winst verhoogd met het bedrag van € 54.940.

2.6

Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht het bedrag van € 54.940 tot de belastbare winst heeft gerekend.

2.7

Het Hof heeft geoordeeld dat de kwijtschelding van de rentevordering niet is ingegeven door zakelijke motieven en niet aan de certificaathouder is verleend in diens hoedanigheid van debiteur maar in diens hoedanigheid van houder van de certificaten van de aandelen in belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof vormt de kwijtschelding daarom een uitdeling van winst en kan zij niet ten laste van de winst worden gebracht.

2.8

Aan zijn oordeel heeft het Hof in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat een onafhankelijke derde al bij het negatief worden van het vermogen van de schuldenaar een vorm van zekerheid voor de voldoening van de lening zou hebben geëist, welk recht de schuldeiser blijkens artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de certificaathouder toekwam (positieve hypotheekverklaring), aldus het Hof.

2.9

Het Hof heeft aan zijn oordeel voorts ten grondslag gelegd (i) dat een derde nimmer zou hebben toegestaan dat de schuldenaar een bedrag van € 100.000 aan zijn toekomstige echtgenoot schonk en de rentevordering van deze derde onbetaald liet, en (ii) dat uit de feiten blijkt dat belanghebbende zich bij de kwijtschelding heeft laten leiden door het belang van haar certificaathouder, aangezien de schenking is aangewend om te voldoen aan een primaire levensbehoefte van de certificaathouder, namelijk het verkrijgen van woonruimte. Hierbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat weliswaar ook derden hun vorderingen op de certificaathouder hebben kwijtgescholden of daarover afspraken hebben gemaakt, maar dat die derden, anders dan belanghebbende, niet op de hoogte waren van de door de certificaathouder gedane schenking.

3 Beoordeling van de klachten

3.1

Voor zover de klachten de hiervoor in 2.8 weergegeven onderbouwing van het oordeel van het Hof bestrijden, slagen zij. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende en de certificaathouder niet een (schriftelijke) overeenkomst van geldlening hebben opgemaakt. Het oordeel van het Hof dat artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belanghebbende en de certificaathouder de schuldeiser het recht gaf een vorm van zekerheid (een positieve hypotheekverklaring) te eisen, is daarom onbegrijpelijk.

3.2

Voor zover de klachten opkomen tegen de hiervoor in 2.9 weergegeven oordelen, slagen zij eveneens. In die oordelen van het Hof ligt besloten het oordeel dat de door de certificaathouder gedane schenking ertoe leidt dat de kwijtschelding een – door onzakelijke motieven ingegeven – onttrekking aan het vermogen van belanghebbende oplevert. Belanghebbende heeft evenwel gemotiveerd gesteld dat de certificaathouder in het jaar 2014 een zodanig negatief vermogen had dat daardoor haar rentevordering op de certificaathouder geen waarde had, en dat dit zonder de schenking niet anders zou zijn geweest. Over deze stelling heeft het Hof geen oordeel gegeven, zodat in cassatie veronderstellenderwijs ervan moet worden uitgegaan dat zij juist is. In het licht van de hier bedoelde stelling van belanghebbende is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de door de certificaathouder gedane schenking maakt dat de kwijtschelding een onttrekking aan het vermogen van belanghebbende oplevert. Evenmin is zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk dat het Hof aan de omstandigheid dat de schenking is aangewend om te voldoen aan een primaire levensbehoefte van de certificaathouder, de gevolgtrekking heeft verbonden dat belanghebbende zich bij de kwijtschelding heeft laten leiden door het belang van de certificaathouder.

3.3

Ten slotte wordt terecht erover geklaagd dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over de stelling van belanghebbende dat zij bij de kwijtschelding zakelijk handelde omdat de certificaathouder in 2014 tot een bedrag van € 30.166,27 kosten van belanghebbende voor zijn rekening heeft genomen.

3.4

Op grond van hetgeen hiervoor in 3.1 tot en met 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe behandeling van de zaak in volle omvang.

4 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- verklaart het beroep in cassatie gegrond,

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 519, en

- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.