Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1896

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/03685
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:917
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr) en oplichting (art. 326.1 Sr). Aanhoudingsverzoek verdachte en gemachtigde raadsvrouw voorafgaand aan tz. (door raadsvrouw ttz. herhaald) op grond van medische situatie verdachte t.g.v. mishandeling, door hof afgewezen met overweging dat medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:1934 en ECLI:NL:HR:2020:1172, inhoudende dat aanhoudingsverzoek kan worden gedaan door verdachte of gemachtigde raadsman (met het oog op effectuering aanwezigheidsrecht), dat rechter (als geval dat aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is zich niet voordoet) belangenafweging dient te maken tussen aanwezigheidsrecht verdachte en belang bij doeltreffende en spoedige berechting en dat rechter i.g.v. afwijzing van verzoek in motivering van zijn beslissing blijk dient te geven van deze belangenafweging en m.b.t. toetsingskader i.g.v. aanhoudingsverzoek wegens ziekte van verdachte. Hof heeft verzoek tot aanhouding van onderzoek ttz., v.zv. daaraan ten grondslag is gelegd dat verdachte wegens ziekte is verhinderd ttz. aanwezig te zijn, afgewezen op enkele grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd. Hof heeft echter niet geoordeeld dat die aan verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Hof heeft ook niet blijk gegeven van afweging van belangen als hiervoor vermeld. Nu hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0379
RvdW 2021/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03685

Datum 1 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2019, nummer 22-002257-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder het volgende in:

“Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. M.N. de Bruijn, advocaat te Almere, die mededeelt door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
(...)

De raadsvrouw deelt mede:

Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting van vandaag. Mijn cliënt en ik hebben beiden een aanhoudingsverzoek ingediend. Mijn cliënt woont in [plaats], Friesland. Vanwege de reisafstand is mijn cliënt niet in staat om vroeg voor uw hof te verschijnen. Volgens de website 9292 doet mijn cliënt er van deur tot deur vijf uren over om hier te verschijnen. U houdt mij voor dat ik contact met de planning van het hof had kunnen opnemen over het tijdstip van de behandeling van de zaak. Dat heb ik niet gedaan.

Naar aanleiding van de mishandeling in december vorig jaar, in de Penitentiaire Inrichting, is mijn cliënt niet in staat om zich psychisch dan wel lichamelijk voor te bereiden. Met betrekking tot de klachten naar aanleiding van de mishandeling, merk ik op dat mijn cliënt zodanige klappen heeft gehad, dat hij naar de neuroloog en oogarts moest en dat hij de resultaten van de artsen eerst wil afwachten. Dit is niet met meer stukken te onderbouwen. Mijn cliënt wil wel graag aanwezig zijn.

Desgevraagd door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede:

Ik heb alleen de brief van de verdachte zelf ontvangen. Een verzoek van de raadsvrouw heb ik niet gezien. Ik ga er vanuit dat het verzoek door de raadsvrouw wel is ingediend. Betreffende de reisafstand wil ik opmerken dat de zaak gepland stond om 10:40 uur. [plaats] is in Friesland, mede gelet op het tijdstip van aanvang lijkt mij dat te doen. Voorts is er geen contact opgenomen met de planning. Betreffende het letsel van de verdachte merk ik op dat ik de foto’s heb gezien, alsmede de onderliggende stukken. Ik vraag me af in hoeverre daadwerkelijk kan worden gesteld dat de verdachte niet kan verschijnen. Ik verzoek uw hof het verzoek tot aanhouding af te wijzen.

Op vragen van het hof deelt de raadsvrouw mede:

Het is inderdaad zo dat de reden voor het verzoek tot aanhouding gelegen is in de medische situatie van cliënt en dat de reistijd wel speelt, maar in die zin ondergeschikt is.

U vraagt mij waarom het verzoek niet eerder is ingediend. Ik heb eerder geen contact kunnen krijgen met mijn cliënt. Dat is pas vorige week gelukt.

U vraagt mij of ik over een medische onderbouwing beschik betreffende de psychische klachten. Nee, hij zegt dat hij heel slecht slaapt en psychisch niet in staat is om te verschijnen.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het door de raadsvrouw ingediende aanhoudingsverzoek niet in het dossier is aangetroffen en - na navraag - evenmin bekend is bij de administratie van het hof.

De voorzitter verzoekt de raadsvrouw haar aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 thans ter zitting per e-mail aan de griffier te sturen.

Na kennis te hebben genomen van het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 en daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door de voorzitter, deelt de advocaat-generaal mede:

In het aanhoudingsverzoek van 3 juli 2019 brengt de raadsvrouw hetzelfde naar voren als de verdachte, namelijk de psychische gesteldheid en het letsel. Dit wordt verder niet onderbouwd. Ik blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt.

In reactie op de advocaat-generaal deelt de raadsvrouw mede:

Ik blijf ook bij mijn standpunt.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek tot aanhouding zal afwijzen, nu de medische argumentatie onvoldoende is onderbouwd. Voorts deelt de voorzitter mede dat de behandeling van de zaak doorgang zal hebben en dat de raadsvrouw door haar cliënt uitdrukkelijk en bepaaldelijk is gemachtigd namens haar cliënt de verdediging te voeren, nu haar cliënt er niet is.”

2.3

Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.

De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.

In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat evenwel niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een zich onverwacht aandienende omstandigheid, bijvoorbeeld verband houdend met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient evenwel dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing omtrent de aannemelijkheid van de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat hetgeen is aangevoerd – ware het juist – in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds – dat wil zeggen: zonder dat tot de hierna weer te geven afweging van belangen wordt overgegaan – afwijzen op de grond dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.
In het specifieke geval dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd op de terechtzitting te verschijnen en in verband daarmee schorsing van het onderzoek heeft verzocht of heeft doen verzoeken, voldoet de rechter aan dit verzoek zodat de verdachte alsnog de gelegenheid krijgt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak op de terechtzitting. Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat het belang van een behoorlijke strafvordering – dat de afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen, wanneer het onderzoek op de terechtzitting zou worden geschorst en dat dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak tegenwoordig te zijn. Buiten deze situatie van verhindering wegens ziekte van de verdachte geldt in het algemeen dat niet op voorhand kan worden aangegeven hoe vorenstaande belangenafweging zal moeten uitvallen. De rechter dient deze afweging te maken in de concrete omstandigheden van het geval en, bij afwijzing van het verzoek tot aanhouding, de daarop gebaseerde beslissing te motiveren. In cassatie kan die motivering alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. Hoge Raad 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934 en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.)

2.4

Het hof heeft het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting, voor zover daaraan ten grondslag is gelegd dat de verdachte wegens ziekte is verhinderd ter terechtzitting aanwezig te zijn, afgewezen op de enkele grond dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het hof heeft echter niet geoordeeld dat die aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Het hof heeft ook niet blijk gegeven van de afweging van de belangen als onder 2.3 vermeld. Nu het hof dit heeft nagelaten, heeft het zijn beslissing niet toereikend gemotiveerd.

2.5

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2020.