Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1895

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/05116
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:920
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval, art. 7.1 WVW 1994. Hof heeft (door bevestiging vonnis Pr) verdachte n-o verklaard in zijn verzet tegen strafbeschikking, nu verzet te laat is gedaan. Heeft verdachte verzet gedaan binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat strafbeschikking hem bekend was, nu strafbeschikking niet aan verdachte in persoon is uitgereikt maar per gewone post aan zijn BRP-adres is verzonden? Art. 257e.1 Sv. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat strafbeschikking verdachte meer dan 14 dagen voorafgaand aan het door hem gedane verzet bekend was, zodat verzet niet tijdig is gedaan. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd gelet op wat verdachte heeft aangevoerd (hij heeft pas van strafbeschikking kennis genomen toen zijn vader hem deze door telefoon voorlas) en in aanmerking genomen dat hof geen vaststellingen heeft gedaan m.b.t. moment waarop strafbeschikking aan verdachte bekend is geworden. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0373
RvdW 2021/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05116

Datum 1 december 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 oktober 2019, nummer 22-003127-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.D.J. Visschers, advocaat te Zutphen, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is.

2.2.1

Het hof heeft het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 11 september 2018 bevestigd. De aantekening van het mondeling vonnis houdt in:

“De politierechter verklaart het verzetschrift niet ontvankelijk.

De politierechter overweegt in het bijzonder het volgende: de strafbeschikking dateert van 14 (de Hoge Raad begrijpt: 13) februari 2018 en het verzet is op 3 april 2018 ingesteld. Ik pin de verdachte niet op de datum van de strafbeschikking vast, maar het zal op of omstreeks die datum zijn geweest dat de strafbeschikking is verstuurd. Ik vind het onaannemelijk dat de post er zes weken over gedaan heeft. Ook heeft verdachte bijzondere omstandigheden aangehaald, die ik anders lees dan de verdediging. Ik maak daaruit op dat verdachte de strafbeschikking al langer in bezit had en zich realiseerde dat hij het verzet niet tijdig indiende. Dat is fataal en de strafbeschikking is dus onherroepelijk geworden.”

2.2.2

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende in:

“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:

U houdt mij voor dat in mijn brief van 30 maart 2018 bij het instellen van verzet staat dat ik door bijzondere omstandigheden niet binnen de termijn van twee dagen na dagtekening bezwaar kon maken.

Ja, dat klopt. Toen ik de strafbeschikking voor het eerst zag, dacht ik dat ik binnen 2 dagen verzet moest instellen. Ik weet niet wanneer ik de strafbeschikking heb ontvangen. Deze is per gewone post verzonden en niet aangetekend. Ik heb na ontvangst binnen 3 of 4 dagen verzet aangetekend.

U houdt mij voor dat de strafbeschikking eerder is verzonden en is gedateerd 13 februari 2018. De strafbeschikking is niet aangetekend verstuurd en is waarschijnlijk lang onderweg geweest. Ik heb het veel later binnen gekregen dan had gemoeten.

U vraagt mij of het dan bij Post.nl is verdwenen. Ja, dat klopt. Ik verbleef in die periode bij mijn vriendin. Mijn ouders belden mij als er post voor mij was.

Op vragen van de oudste raadsheer antwoord ik:

U vraagt mij hoe ik op de hoogte ben geraakt van de strafbeschikking.

Mijn vader belde mij dat er post voor mij was van het Openbaar Ministerie of de rechtbank. Ik heb toen tegen hem gezegd dat hij die enveloppe open mocht maken. Nadat mijn vader dat had gedaan, heeft hij de strafbeschikking aan mij voorgelezen. Het bleek dus een brief te zijn van het Centraal Justitieel Incassobureau.

U houdt mij voor dat in de strafbeschikking staat dat het bedrag van € 1.000,-- uiterlijk vóór 29 maart 2018 moet zijn bij geschreven op de rekening van het CJIB.

Ik had uitstel van betaling gevraagd.

U houdt mij voor dat mijn bezwaarschrift is gedateerd 30 maart 2018.

Mijn vader had mij opgebeld en ik dacht dat ik binnen twee dagen moest reageren. Ik weet niet hoe ik daarbij kom. Mogelijk was er sprake van miscommunicatie tussen ons.

Op vragen van de advocaat-generaal antwoord ik:

U vraagt mij hoe de enveloppe van de strafbeschikking eruit zag.

Ik heb de enveloppe zelf niet opengemaakt, maar ik heb later de brief wel met de enveloppe gekregen. Ik kan mij niet herinneren dat ik tegen mijn vader heb gezegd, toen hij de strafbeschikking via de telefoon aan mij voor las, dat de strafbeschikking is gedateerd 13 februari 2018 en dat we die nu pas hebben gekregen.

U houdt mij voor dat je het daar toch direct over zou hebben, want toen mijn vader mij belde, was de termijn van twee weken al lang voorbij. Ik weet niet meer of ik het met mijn vader daarover heb gehad.”

2.3

Artikel 257e lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt:

“Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.”

2.4.1

In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de strafbeschikking niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt maar per gewone post aan zijn in de Basisregistratie Personen opgenomen adres is verzonden. De verdachte kon daarom verzet doen binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend was.

2.4.2

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voorafgaand aan het door hem gedane verzet al bekend was met de strafbeschikking en dat daarom de verdachte niet tijdig het verzet heeft gedaan. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd gelet op wat de verdachte heeft aangevoerd, te weten dat hij pas van de strafbeschikking kennis heeft genomen toen zijn vader hem deze door de telefoon voorlas, en in aanmerking genomen dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot het moment waarop de strafbeschikking aan de verdachte bekend is geworden.

2.4.3

Het cassatiemiddel slaagt.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof;

- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2020.