Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:187

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
18/05558
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1286
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging diefstal d.m.v. braak en medeplegen diefstal d.m.v. inklimming (art. 311.1 Sr) door op 1 dag meerdere woninginbraken te plegen bij oudere mensen in Hengelo. Medeplegen toereikend gemotiveerd, nu Hof niet alleen t.a.v. rol van verdachte heeft vastgesteld dat hij heeft betaald voor benzine, op uitkijk heeft gestaan, zich heeft bemoeid met te rijden route, heeft gesproken over wegmaken van gebruikte schroevendraaiers en heeft beschikt over tasje met buit, maar ook is uitgegaan van vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te gaan plegen? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. motiveringsplicht voor rechter ingeval medeplegen niet bestaat uit gezamenlijke uitvoering. Hof heeft vastgesteld “dat de verdachten tezamen op pad gingen met maar één doel, namelijk inbreken bij oude mensen”, dat iedereen meedeelde in de buit en rollen bij betreffende inbraak inwisselbaar waren. O.g.v. die vaststellingen heeft Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat sprake was van vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te plegen. I.h.l.v. dit gezamenlijke plan geeft ’s Hofs oordeel dat f&o in hun onderlinge verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat door Hof vastgestelde afzonderlijke gedragingen van verdachte (waaronder betalen van benzine voor auto, op uitkijk staan, betrokkenheid bij gesprek over wegmaken van bij inbraak gebruikte schroevendraaiers en beschikken over buit) elk op zichzelf beschouwd niet als bijdrage van voldoende gewicht aan tlgd. feiten zouden kunnen worden aangemerkt, maakt dat niet anders. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0034
NJB 2020/431
RvdW 2020/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05558

Datum 4 februari 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 december 2018, nummer 21/005765-17, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, behalve wat betreft de strafmotivering. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1.
hij op 15 mei 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, perceel gelegen aan de [a-straat 1], weg te nemen geld en/of goed(eren) van verdachtes gading, toebehorende aan [betrokkene 1], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, te weten door middel van het forceren van een kozijn/raam aan de achterzijde van genoemde woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 15 mei 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, perceel gelegen aan de [b-straat 1], heeft weggenomen meerdere sieraden, toebehorende aan [betrokkene 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen sieraden onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming, te weten door middel van door een (slaapkamer)raam van genoemde woning naar binnen te gaan.”

2.2.2

De bewijsvoering waarop deze bewezenverklaring steunt, is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - weergegeven in de conclusie van de advocaat‑generaal onder 5. Deze bewijsvoering houdt onder meer het volgende in:

“In de telefoontaps werd [verdachte] één keer aangesproken met zijn naam [verdachte] en zeer regelmatig met zijn bijnaam [verdachte]. In de OVC-gesprekken noemde hij zichzelf [verdachte] of [verdachte] en werd hij ook [verdachte] genoemd.”

2.2.3

Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank in zoverre te bevestigen, ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

“Op basis van wat hierboven is weergegeven in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte de betreffende avond aan de gesprekken in de auto heeft deelgenomen, ook aan de relevante hierboven genoemde gesprekken waarin zijn stem is herkend en dat hij dus samen met zijn medeverdachten in Hengelo was. Uit de hiervoor weergegeven OVC-gesprekken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn mededaders op zoek zijn naar osso’s (woningen), oldies (oudere mensen) en over scroebies (schroevendraaiers) praten. Zij rijden rond door Hengelo en zij kijken naar geschikte woningen om hier vervolgens in te breken, dan wel een poging daartoe te doen.

Welke rol speelde verdachte bij deze feiten?

De verdediging heeft ten aanzien van beide feiten aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake was van medeplegen, dan wel medeplichtigheid, zodat verdachte van beide feiten integraal dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat verdachte bij de poging tot woninginbraak aan de [a-straat 1] op de uitkijk heeft gestaan, nu niemand daarover heeft verklaard en dit ook niet uit de OVC-gesprekken kan worden gedestilleerd. Ten aanzien van de inbraak aan de [b-straat 1] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zeer waarschijnlijk in de auto is achtergebleven ten tijde van de inbraak en hierbij dus niet betrokken was. Daarnaast blijkt volgens de verdediging onvoldoende dat hij op de uitkijk heeft gestaan, nu de woning waar werd ingebroken niet zichtbaar was vanuit de plek waar de auto stond en waarin verdachte mogelijk zou hebben gezeten.

Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De rechtbank kan bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij moet aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis worden gegeven. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd.

De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde OVC-gesprekken volgt dat er sprake is van een intensieve samenwerking tussen de verdachten. Op verschillende momenten vindt overleg plaats over hoe ze het beste ongezien kunnen blijven, welke route moet worden gereden en na de inbraak vindt overleg plaats over de buit en de waarde daarvan. Ook volgt uit de gesprekken dat steeds verschillende personen binnen zijn geweest. Medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat er geen vast rollenpatroon was.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde strafbare feiten. Het verweer van de raadsman dat verdachte geen rol kan hebben vervuld, nu de getuige slechts drie personen heeft gezien waarbij verdachte niet aan het signalement voldoet, slaagt niet. Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 9] en de tijdstippen van de OVC-gesprekken waarin gesproken wordt over de confrontatie met deze getuige volgt dat dit plaatsvond voorafgaand aan de inbraak en de poging daartoe. Bovendien blijkt uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden dat verdachte wel degelijk een rol heeft gehad in de voorbereiding en afhandeling van de strafbare feiten, hij op belangrijke momenten aanwezig was en zich niet heeft gedistantieerd.

Zo heeft verdachte betaald voor de benzine waarmee de auto van Ede naar Hengelo is gereden. In de hierboven aangehaalde OVC-gesprekken die plaatsvinden na afloop van de poging tot woninginbraak aan de [a-straat 1] zegt [betrokkene 3] onder meer: “Ik zei tegen [verdachte]: kijk eens naar haar” en “Ik zit zelf te kijken met [verdachte]”. Ook vraagt [betrokkene 5]: “Heb je haar zien kijken [verdachte]?”. Uit deze passages volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zicht heeft gehad op de bewoonster van deze woning en dat hij op de uitkijk stond. Verder volgt uit de OVC-gesprekken onder meer dat hij zich bemoeit met de te rijden route en dat hij het tasje heeft waar de buit kennelijk in wordt verzameld. Ook zegt verdachte dat de ‘scroebies’ moeten worden weggegooid en dat zilver ook geld is.

Gelet op het voorgaande staat vast dat de verdachten tezamen op pad gingen met maar één doel, namelijk inbreken bij oude mensen. Verdachte wist ook dat dit de bedoeling was. Niemand distantieerde zich ervan of wilde zijn rol beperkt houden. Iedereen deelde mee in de buit en de rollen bij de betreffende inbraak waren inwisselbaar. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de poging tot woninginbraak aan de [a-straat 1] te Hengelo en de woninginbraak aan de [b-straat 1] te Hengelo.”

2.3

In zijn arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, heeft de Hoge Raad enige algemene beschouwingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

2.4

Het hof heeft vastgesteld “dat de verdachten tezamen op pad gingen met maar één doel, namelijk inbreken bij oude mensen”, dat iedereen meedeelde in de buit en de rollen bij de betreffende inbraak inwisselbaar waren. Op grond van die vaststellingen heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat sprake was van een vooraf voor alle deelnemers duidelijk plan om inbraken te plegen. In het licht van dit gezamenlijke plan geeft het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking van de verdachte met zijn mededaders, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de door het hof vastgestelde afzonderlijke gedragingen van de verdachte - waaronder het betalen van de benzine voor de auto waarmee hij en zijn mededaders van Ede naar Hengelo zijn gereden, het op de uitkijk staan en de betrokkenheid bij het gesprek over het wegmaken van bij de inbraak gebruikte schroevendraaiers en het beschikken over de buit - elk op zichzelf beschouwd niet als een bijdrage van voldoende gewicht aan de tenlastegelegde feiten zouden kunnen worden aangemerkt, maakt dat niet anders.

2.5

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.