Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1804

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
19/02033
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gewelddadige woninginbraak in Hoofddorp. Medeplegen poging tot diefstal met geweld d.m.v. braak, art. 312.2 Sr. 1. Heeft verdachte opzet gehad op het (door zijn mededaders) toegepaste geweld? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr.

Ad 1. Hof heeft vastgesteld dat plan van verdachten was om in avonduren met behulp van koevoet en ijzeren staaf in te breken in woning, waarin op dat moment niemand thuis was. Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in dit plan (bij gebreke van aanwijzingen van tegendeel) besloten lag dat in geenszins onwaarschijnlijk geval dat bewoner tijdens inbraak zou thuiskomen, tegen hem of haar enig beperkt geweld zou worden gebruikt om te ontkomen, zoals duw en/of enkele klap, al dan niet met behulp van die inbrekerswerktuigen. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte aanmerkelijke kans heeft aanvaard op gebruik van bewezenverklaarde geweld (met kracht tegen deur duwen van bewoner en met ijzeren staaf tegen diens voorhoofd slaan als gevolg waarvan deze behoorlijke bult op zijn hoofd opliep, waaruit bloed kwam, en bonkende pijn ontstond), omdat plegen van dit geweld onderdeel was van het door verdachte met zijn mededaders uitgevoerde plan, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Ad 2. Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.

Samenhang met 19/02111.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0363 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/02033

Datum 17 november 2020

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2019, nummer 23-000826-18, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van het opzet van de verdachte op het bij de poging tot diefstal toegepaste geweld.

2.2.1

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 23 januari 2016 te [plaats] , gemeente [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in of uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] weg te nemen geld en/of goederen, toebehorende aan [slachtoffer] , zich en/of zijn mededaders de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat geld en/of die goederen onder hun bereik heeft gebracht door middel van braak, en die voorgenomen diefstal heeft doen volgen van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders de vlucht mogelijk te maken, een poortdeur en een deur van genoemde woning heeft opengebroken en/of geforceerd en die woning is binnengegaan en heeft doorzocht en heeft getracht een kluis te openen en [slachtoffer] met kracht tegen een deur heeft geduwd en met een ijzeren staaf tegen diens voorhoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. Een proces-verbaal van aangifte (doorgenummerde pagina’s 8 tot en met 10). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 23 januari 2016 door aangever [slachtoffer] ten overstaan van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] afgelegde verklaring:

Op 23 januari 2016 om 12.30 uur heb ik mijn woning aan de [a-straat 1] te [plaats] afgesloten en onbeschadigd achtergelaten. Op 23 januari 2016 omstreeks 22.10 uur kwam ik terug bij mijn woning. Mijn schuttingdeur stond op een kiertje open. Ik ben naar de tuindeur van mijn woning gelopen. Ik zag dat deze deur ook op een kiertje openstond. Ik hoorde geluiden van boven komen. Ik heb een stok gepakt. Ik hoorde dat er lades open en dicht gingen. Ik deed het licht aan in de hal en in mijn woonkamer. Ik hoorde verschillende stemmen roepen: “politie, politie”. Ik zag drie personen de trap afkomen. Ik hoorde één roepen: “ga weg”. Ze renden naar mij toe. Ik werd tegen de wc-deur aangeduwd door de voorste man die de trap afkwam. Deze persoon had een ijzeren staaf in zijn rechterhand. De derde die de trap afkwam had een koevoet in zijn rechterhand. Nummer 1 en nummer 2 (die van de trap afkwamen) duwden de deur van de hal naar de woonkamer dicht. Toen de deur open was, heb ik persoon 2 een roei verkocht met de stok. Ik raakte zijn achterhoofd. Hij had een capuchon op. Ik kreeg toen een klap met de ijzeren staaf van nummer 1. Ik kreeg de klap op mijn voorhoofd. Ik zag dat nummer 1 en 2 door mijn woonkamer de achtertuin in renden, waar man 3 ook stond. Ze renden alle drie door de opening van de schuttingdeur weg.

Boven zag ik dat alle ruimten doorzocht waren. Op de tweede etage had ik een kluis staan; deze is beschadigd door de verdachten. Ik heb een behoorlijke bult op mijn hoofd. Ik zag dat er bloed uit de bult kwam. Ik voelde een bonkende pijn.

Ik kan de verdachten als volgt omschrijven:

man 1: 1.75 meter lang, normaal postuur, rond hoofd, donkergekleurde jas, lengte net tot onder de bil, capuchon (niet op het hoofd), sluik haar langs zijn oren, jonge-jongens baardje, spijkerbroek.

man 2: 1.75 meter lang, capuchon over zijn hoofd, donkergekleurde jas,

man 3: kort donker haar ongeveer 5 centimeter lang, dat wild omhoog stond, rond gezicht en groene of bruine jas, lengte tot net boven de knie.

Ik heb schade aan mijn schuttingdeur en kozijn en aan het slot en het kozijn van mijn openslaande tuindeuren.

2. Een proces-verbaal van aanvullende aangifte (doorgenummerde pagina’s 28 en 29). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2016 door aangever [slachtoffer] ten overstaan van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] afgelegde verklaring:

Door de klap heb ik een behoorlijke bult op mijn voorhoofd. Er zijn geen goederen uit mijn woning weggenomen. Er is geprobeerd een kluis mee te nemen. Ik zag dat deze kluis beschadigd was.

Ik heb (het hof begrijpt:) man 1 het beste gezien. Volgens mij had hij een blanke huidskleur. Hij was eerder blank dan bruin. Verder had hij donker haar en een ringbaardje. De tweede man droeg een capuchon met een vrij lichte bontkraag over zijn hoofd. Hij droeg een donkerkleurige jas. Ik heb met de stok op zijn achterhoofd geslagen. De derde droeg een jas tot net boven zijn knieën. Ik heb geen accent gehoord. Het klonk mij als goed Hollands.

3. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina’s 40 tot en met 45). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van de bevoegde opsporingsambtenaren verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dan wel één hunner:

Op 23 januari 2016 omstreeks 22.15 uur kregen wij het verzoek te gaan naar de [b-straat 1] te [plaats] , waar een woninginbraak gaande zou zijn. Tijdens het aanrijden hoorden wij dat een collega een personenauto, een witte Toyota Aygo, met het kenteken [kenteken] midden op de [c-straat] had zien stoppen. Hij zag twee personen het voertuig ingaan. Hij zag het voertuig met hoge snelheid wegrijden. Op dat moment kregen wij te horen dat er een inbraak plaatsvond op het [a-straat ] . Wij zijn via de [c-straat] in de richting van de [a-straat ] gereden. Wij hoorden dat een getuige drie personen had zien wegrennen. Wij hebben een zoekslag gemaakt in het verlengde van de looprichting van de mogelijke verdachten. Omstreeks 22.29 uur reden wij op de [d-straat] . Wij zagen op het trottoir een man ons tegemoet lopen. Wij zagen dat deze man ongeveer 1.60 meter lang was, een donkere jas tot over de heupen droeg. De jas had een lichte bontkraag. Wij zagen dat deze man op het moment dat wij langsreden direct zijn gezicht wegdraaide. Wij zagen dat deze man zijn rits van zijn winterjas grotendeels had opengeritst. Wij vonden dit opvallend aangezien de buitentemperatuur ongeveer 7 graden bedroeg. Omdat het signalement van de man grotendeels overeenkwam (het hof begrijpt: met de door aangever [slachtoffer] opgegeven signalement van één van de daders), hebben wij de man staande gehouden. Wij vroegen aan de man waar hij naar onderweg was. We hoorden de man zeggen: “wat?”. Hierop hebben wij de vraag herhaald. Wij hoorden de man zeggen: “Me vriendin woont hier en ik ben onderweg naar haar”. Wij vroegen hem vervolgens waar zijn vriendin woonde. Wij hoorden de man zeggen: “wat?”. Na de vraag herhaald te hebben gaf de man aan niet precies te weten waar zij woonde. Op alle vragen die wij vervolgens stelden hoorden wij de man constant antwoorden met ‘wat’. Wij hadden het vermoeden dat de man hiermee extra tijd wilde creëren om een antwoord te kunnen bedenken. De man gaf op te zijn:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .

Wij zagen dat [verdachte] een snelle ademhaling had en redelijk buiten adem was en een redelijk bezweet voorhoofd had. Wij vermoedden dat hij had gerend.

Ik, verbalisant [verbalisant 3] , vroeg hoe lang hij al een relatie had met zijn vriendin. Wij hoorden verdachte zeggen dat hij inmiddels een jaar een relatie met haar had. Ik vroeg wat haar achternaam was. Wij hoorden verdachte zeggen dat hij dat niet wist.

Als aanvulling op het eerder gegeven signalement kregen wij te horen dat 1 van de verdachten een donkere jas droeg met een bontkraag en een lengte had van ongeveer 1.50 à 1.70 meter.

De verdachte [verdachte] is aangehouden, omdat hij voldeed aan het signalement; een onsamenhangende verklaring had voor de reden dat hij in deze wijk was en omdat hij uit de richting kwam waar de getuige de personen had weg zien rennen.

Bij de insluiting van de verdachte zagen wij dat zijn schoenen waren bevuild met vochtige aarde. Toen hij zijn jas had uitgedaan zagen wij dat zijn rug nat was. Wij roken een penetrante lucht die wij herkenden als zweet. Wij zagen dat de verdachte zijn broekspijpen begon af te kloppen en zagen dat er aarde van zijn broek viel.

Waarneming verwonding bij de verdachte door verbalisant [verbalisant 4] :

Ik heb het hoofd van de verdachte bekeken. Ik zag bovenop het hoofd een rode plek. Deze rode plek herkende ik als een lichte bloeduitstorting. Rondom deze plek zag ik rode wondjes. Ik zag dat de rode kleur in de wondjes veroorzaakt werd door zijn bloed. Ik zag dat het bloed nog niet gestold was. Hieruit maakte ik op dat de wondjes vers waren. Ik voelde op de rode plek op zijn hoofd een lichte bobbel of zwelling.

Waarneming verwondingen op het hoofd door verbalisant [verbalisant 3] :

Bovenop het hoofd van [verdachte] zag ik een rode plek. Deze rode plek herkende ik als een lichte bloeduitstorting. Rondom deze rode plek zag ik kleine rode wondjes. Ik zag dat het bloed nog niet was opgedroogd. Mijn conclusie is dat de wondjes niet oud waren. Vervolgens voelde ik een onnatuurlijke bobbel dan wel een zwelling op de plek op zijn hoofd waar ook de rode plek zat.

De verdachte wordt als volgt beschreven:

man, ongeveer 1.60 meter lang, blank uiterlijk, haardracht: opvallend lange haren van links naar rechts plat liggend, dun, zwarte winterjas, opvallend geel koord met een haak aan het einde, bontkraag op de capuchon van de winterjas, groen-bruin overhemd, blauwe spijkerbroek en donkere sportschoenen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina’s 57 en 58). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] :

Op 23 januari 2015 (het hof begrijpt: 2016) omstreeks 22.10 uur reed ik over de Provincialeweg N 201 in [plaats] , toen de centralist van de Meldkamer meedeelde dat er op dat moment een woninginbraak gaande was aan het [b-straat ] te [plaats] . Rijdend over de [c-straat] in de richting van de kruising met het [a-straat ] zag ik voor mij een personenauto stilstaan midden op de rijbaan ter hoogte van de bushalte […] . Toen ik deze auto, een witte Toyota Aygo voorzien van het kenteken [kenteken] , naderde, zag ik vanuit de richting van het [a-straat ] twee mannen aan komen rennen en achterin deze auto stappen. De auto reed direct weg en sloeg rechtsaf het [e-straat] in. Ik heb het kenteken genoteerd en nam vluchtig een signalement op van de rennende mannen. Beide personen waren lichtgetint, beiden waren donker gekleed, één had een donkerblauwe drie kwart jas aan met vermoedelijk een bontkraag. De tweede man had eveneens een drie kwart jas aan, vermoedelijk kleur zwart. Beiden waren tussen de 20 en 25 jaar oud. Achter het stuur zat een derde persoon, eveneens licht getint, donker gekleed. Hij had een op een ringbaardje gelijkende gezichtsbeharing. Op het moment dat ik arriveerde aan het [b-straat ] , werd door de Meldkamer meegedeeld dat er een inbraak gaande was aan het [a-straat ] en dat de daders waren weggerend in de richting van de halte […] . Gezien het tijdstip vermoed ik dat de mannen die ik had zien rennen de daders moeten zijn geweest van laatstgenoemde inbraak. Later bleek dat de aangever van de inbraak aan het [a-straat ] een overeenkomstig signalement opgaf dan die ik had waargenomen.

5. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina 59). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] :

Op 23 januari 2016 werd gezien dat twee mannen uit de richting [a-straat ] kwamen rennen en in een witte Toyota Aygo met het kenteken [kenteken] stapten. Uit de gegevens van het Rijksdienst van het Wegverkeer (RDW) werd bekend dat de Toyota op naam staat van het bedrijf genaamd [A] . Uit het ontvangen huurcontract en factuur bleek dat de Toyota verhuurd was vanaf 10 januari 2016 11.43 uur tot en met 24 januari 2016 te 12.32 uur. De huurder bleek te zijn: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende te [plaats] , [f-straat 1] .

Uit de als bijlage (doorgenummerde p. 61) bij dit proces-verbaal gevoegde huurovereenkomst, waarin 17 januari 2016 als retourdatum is vermeld, maakt het hof op dat 24 januari 2016 niet als einddatum is overeengekomen bij het aangaan van de huurovereenkomst.

6. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina 54). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] :

Op 25 januari 2016 trof ik in de fouillering van verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990, een visitekaartje van [A] te [plaats] aan.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige (doorgenummerde pagina’s 82-83). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als verklaring van de getuige [betrokkene 1] :

Ik ben werkzaam bij [A] waar de Toyota met kenteken [kenteken] is verhuurd aan [medeverdachte] van 10 tot en met 24 januari 2016. Ik hoorde van een collega dat de huurder van de Toyota bij het inleveren had gezegd dat als de politie belt wij geen gegevens moesten geven.

8. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina’s 68 tot en 81). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] :

De Track en Trace gegevens over de periode 10 januari 2016 tot en met 24 januari 2016 van de Toyota met kenteken [kenteken] , zijn gevorderd bij het [A] en onderzocht. Uit het onderzoek rijst het vermoeden dat de bestuurder van de Toyota twee van de drie weggevluchte daders bij de poging woninginbraak [a-straat 1] te [plaats] heeft opgepikt op de [c-straat] te [plaats] en dat [verdachte] de derde gevluchte dader is. Dit is gebaseerd op de volgende gegevens:

Op zaterdag 23 januari 2016 is de Toyota in de directe omgeving of in de omgeving geweest, zowel waar [medeverdachte] als waar de verdachte [verdachte] wonen.

Op het moment dat de poging woninginbraak [a-straat 1] werd ontdekt, was de Toyota in de directe omgeving en reed rond dat tijdstip voor de woning [a-straat ] te [plaats] weg.

Daarnaast werd gezien dat er twee mannen die uit de richting van de poging woninginbraak aan het [a-straat ] kwamen rennen in de Toyota stapten.

De route van de Toyota gereden op 23 januari 2016 in [plaats] is ogenschijnlijk een onlogische route.

De Toyota werd een dag na de poging woninginbraak direct teruggebracht naar het bedrijf [A] .

Verdachte [verdachte] was in het bezit van een visitekaartje van het bedrijf [A] .

Analyse van de Track en Trace gegevens van 23 januari 2016

Na 20.22 uur bevond de Toyota zich onder meer in [plaats] . Vanuit [plaats] reed de Toyota om 21.17 uur [plaats] binnen. Uit de Track en Trace gegevens van de Toyota bleek dat deze op zaterdag 23 januari 2016 om 21.42 uur vanaf de [c-straat] naar de [a-straat 2] reed waar om 21.45 uur de Toyota 2 minuten en 37 seconden stil stond. Hierop reed de Toyota vanaf de locatie [a-straat 2] naar de locatie [g-straat 1] en weer terug naar de locatie [a-straat 2] .

Uit het onderzoek werd bekend dat aangever [slachtoffer] op 23 januari 2016 omstreeks 22.10 uur de poging woninginbraak [a-straat 1] ontdekte. Hij zag dat drie daders uit zijn woning wegvluchtten. Uit het onderzoek werd bekend dat de Toyota omstreeks 22.10 uur werd gezien op de [c-straat] ter hoogte van de bushalte […] . Gezien werd dat er twee mannen komende uit de richting waar de poging inbraak [a-straat 1] had plaatsgevonden in de Toyota stapten. In de Toyota zat een derde man, de bestuurder. De Toyota reed vervolgens weg en sloeg rechtsaf de [e-straat] in. Uit de Track en Trace gegevens van de Toyota bleek dat deze vanaf 21.53 uur ruim 20 minuten had stilgestaan op de locatie [a-straat 2] , vóór het perceel [a-straat 1] waar de poging plaatsvond. Om 22.14 uur werd de Toyota gestart en om 22.15 uur reed de Toyota via de [c-straat] (hof: op welke laan als snelheid 0 is geregistreerd om 22.15 en 22.16) naar de [h-straat] (het hof begrijpt: via de [e-straat] ), hetgeen overeenkomt met vorenstaande observatie.

9. Een proces-verbaal van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 10 mei 2016 (pagina 98). Dit in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 10 mei 2016 door deze verdachte ten overstaan van de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] afgelegde verklaring:

Ik heb de Toyota Aygo met kenteken [kenteken] in de periode 10 januari 2016 tot en met 24 januari 2016 gereden en gehuurd. U laat mij zien dat alleen de huurder in die auto mag rijden. Dat deed ik ook.”

2.2.3.

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging en bespreking van een bewijsverweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat (a) de verdachte onvoldoende past in het door de aangever opgegeven signalement van de daders, (b) direct bewijs voor de aanwezigheid van de verdachte in de woning van de aangever ontbreekt en dat (c) verzuimd is DNA-onderzoek te doen aan de stok waarmee de aangever een van de daders op het hoofd zegt te hebben geslagen. Daarnaast heeft zij gewezen op de verklaring die de verdachte heeft afgelegd over zijn aanwezigheid in [plaats] en over de wondjes op zijn hoofd.

Die verklaring luidt, kort gezegd, dat de verdachte na een bezoek aan de McDonalds in [plaats] en na een busrit binnen [plaats] op zoek was naar de woning van zijn vriendin met wie hij heimelijk een relatie had, terwijl de wondjes op zijn hoofd verband houden met een haartransplantatie die de verdachte in Istanbul heeft ondergaan. Bij gebreke van een letselverklaring die antwoord kon geven op de vraag of het hoofdletsel past bij een slag met een stok dan wel bij geïrriteerde haarimplantaten, en zonder nader onderzoek naar de bedoelde vriendin, kan deze verklaring niet als onaannemelijk terzijde worden geschoven en is de alternatieve lezing van de verdachte heel wel mogelijk, aldus de raadsvrouw.

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte de pleger van de poging tot woninginbraak is geweest die door de aangever op zijn hoofd is geslagen. Dit leidt het hof met name af uit de plaats waar en de omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden en uit de geconstateerde verwonding en zwelling op zijn hoofd. Dat de verdachte in de avond van 23 januari 2016 samen met onder anderen [medeverdachte] op pad is geweest, leidt het hof af uit de track en trace gegevens van de door laatstgenoemde bestuurde Toyota. Het in de fouillering van de verdachte aangetroffen visitekaartje van het autoverhuurbedrijf waar de medeverdachte [medeverdachte] de door hem die avond bestuurde Toyota heeft gehuurd, vormt een extra aanwijzing voor de nauwe banden tussen de verdachte en [medeverdachte] . Voor de vaststelling dat [medeverdachte] is opgetreden als chauffeur naar en van de plaats van het misdrijf acht het hof in het bijzonder redengevend de grote mate waarin de plaats, het tijdstip en de signalementen van daders van de poging tot woninginbraak aansluiten op de track en trace-gegevens van de door [medeverdachte] bestuurde auto en de waarnemingen betreffende de personen die bij hem in de auto zijn gestapt zeer kort na de inbraakpoging.

Anders dan de raadsvrouw acht het hof de door de verdachte gegeven alternatieve lezing niet ‘heel wel mogelijk’, laat staan aannemelijk. Wat betreft de verklaring over een bezoek aan een vriendin, is de verklaring van de verdachte reeds volstrekt ongeloofwaardig waar hij heeft verklaard een jaar een relatie met haar te onderhouden, zonder haar achternaam te kunnen noemen. Ook op de vraag naar haar precieze adres moest hij het antwoord schuldig blijven. Daar komt bij dat de omstandigheden waaronder de verdachte is aangetroffen - met bevuilde schoenen en broek, bezweet en met een penetrante zweetlucht (in wording) - heel goed passen bij kort daaraan voorafgaand vluchten en zich in het gemeentelijk groen schuilhouden voor de politie, en veel minder goed passen bij een voorgenomen bezoek aan een heimelijke liefde. Ook de verklaring over hoofdwondjes als gevolg van een in Istanbul ondergane haartransplantatie ontbeert elke geloofwaardigheid. De verdachte heeft geen enkel gegeven aangeleverd aan de hand waarvan deze verklaring (waaronder het hebben ondergaan van de gestelde behandeling) geverifieerd zou kunnen worden. Daar komt bij dat de verdachte kort na zijn aanhouding heeft verklaard dat hij de haartransplantatie twee jaar geleden heeft ondergaan (pagina 44) en later in zijn verhoor door de politie op de vraag hoe lang het geleden was heeft geantwoord “Zwijgrecht. Het was een jaar geleden. Nee zes maanden terug. Nee twee maanden terug. Zwijgrecht op alles.” (pagina 120).

De alternatieve lezing verwijst het hof daarom naar het rijk der fabelen; een letselverklaring over de hoofdwondjes heeft het hof daarbij niet nodig. Verder geldt dat het signalement van de verdachte in voldoende mate overeenkomt met het signalement dat de aangever van de dader(s) heeft gegeven. DNA- onderzoek aan de stok van de aangever acht het hof niet nodig, nog los van de vraag of dat nuttig zou kunnen zijn nu de geslagene een capuchon droeg.

Voorts overweegt het hof dat het tegen de aangever toegepaste geweld ook aan de verdachte moet worden toegerekend. In het door de verdachte tezamen met zijn mededaders uitgevoerde plan om in de avonduren rond tien uur met behulp van een koevoet en een ijzeren staaf in te breken in een woning waarin op dat moment niemand thuis is, ligt – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, die in dit geval ontbreken – besloten dat in het geenszins onwaarschijnlijke geval dat een bewoner tijdens de inbraak thuiskomt, tegen hem of haar enig geweld gebruikt zal worden om te ontkomen, zoals een duw en/of een enkele klap, al dan niet met behulp van die voornoemde inbrekerswerktuigen. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans hierop bewust aanvaard door zijn betrokkenheid als medepleger bij de uitvoering van dit plan. Het hof heeft hierbij in zijn overwegingen betrokken dat het een feit van algemene bekendheid is dat het geconfronteerd worden met een inbraak in de eigen woning hevige emoties kan oproepen, waarvan boosheid er één is. Mede tegen die achtergrond is het volstrekt onrealistisch om te denken dat de bewoner de door hem overlopen inbrekers zonder meer (of anders gezegd: zonder slag of stoot) zal laten vertrekken, zodat – tenzij hierover vooraf door de medeplegende inbrekers andersluidende afspraken zijn gemaakt, waarvan hier niet is gebleken – het tegen een dergelijke bewoner gepleegd beperkt geweld om de vlucht mogelijk te maken, als onderdeel van het plan moet worden gezien.

De gevoerde verweren worden mitsdien verworpen en het feit wordt bewezen verklaard, zoals hierna vermeld.”

2.3

Het hof heeft vastgesteld dat het plan van de verdachten was om in de avonduren rond tien uur met behulp van een koevoet en een ijzeren staaf in te breken in een woning, waarin op dat moment niemand thuis was. Het hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat in dit plan bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel besloten lag dat in het geenszins onwaarschijnlijke geval dat een bewoner tijdens de inbraak zou thuiskomen, tegen hem of haar enig beperkt geweld zou worden gebruikt om te ontkomen, zoals een duw en/of een enkele klap, al dan niet met behulp van die inbrekerswerktuigen.
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het gebruik van het bewezenverklaarde geweld – bestaande uit het met kracht tegen een deur duwen van [slachtoffer] en het met de ijzeren staaf tegen diens voorhoofd slaan als gevolg waarvan deze een behoorlijke bult op zijn hoofd opliep, waaruit bloed kwam, en een bonkende pijn ontstond – omdat het plegen van dit geweld onderdeel was van het door de verdachte met zijn mededaders uitgevoerde plan, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

2.4

Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1

Het cassatiemiddel klaagt dat de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel dient te worden vervangen door gijzeling.

3.2

Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest genoemde aantal dagen hechtenis.

3.3

Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

4 Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

4.2

Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijftien maanden.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer vervangende hechtenis is toegepast;

- vermindert de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze veertien maanden beloopt;

- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2020.