Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1793

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
19/05670
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:747, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2019:2434, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Effectenleaseovereenkomst. Onaanvaardbaar zware financiële last? Advies van cliëntenremisier? HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2816
RvdW 2020/1208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 19/05670

Datum 13 november 2020

ARREST

In de zaak van

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

hierna: [eiser],

advocaten: A.C. van Schaick en N.E. Groeneveld-Tijssens,

tegen

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

hierna: Dexia,

advocaat: J. de Bie Leuveling Tjeenk.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

  1. het vonnis in de zaak 3644055 / CV EXPL 14-6186 van de kantonrechter te Gouda van 7 januari 2016;

  2. het arrest in de zaak 200.201.175/01 van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2019.

[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.

Dexia heeft een verweerschrift tot referte ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] en (een rechtsvoorgangster van) Dexia hebben in 1999 via de tussenpersoon SpaarSelect een effectenleaseovereenkomst gesloten.

(ii) De leasesom bedroeg f 60.000,-- (€ 27.226,80) en de looptijd 240 maanden. [eiser] heeft € 9.189,45 aan termijnen betaald. De eindafrekening heeft geresulteerd in een positief resultaat van € 1.588,96.

(iii) Bij brief van 25 januari 2012 van de gemachtigde van [eiser] is aan Dexia medegedeeld dat [eiser] zich alle rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

2.2

In deze procedure vordert Dexia een verklaring voor recht, kort gezegd, dat zij jegens [eiser] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de tussen hen gesloten effectenleaseovereenkomst heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.

2.3.1

In hoger beroep heeft [eiser] aangevoerd dat Dexia gehouden is zijn volledige schade te vergoeden. Hij heeft daaraan in zijn grieven 1 en 2 ten grondslag gelegd dat de tussenpersoon SpaarSelect hem heeft geadviseerd de effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan, terwijl SpaarSelect noch beschikte over een vergunning noch over een vrijstelling, en dat Dexia wist van deze advisering althans daarvan behoorde te weten. [eiser] heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 2 september 2016 in de zaak […]/Dexia (hierna: het arrest […]/Dexia)1.

2.3.2

Het hof2 heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

Indien geen sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer, blijft de schade bestaande in de betaalde rente en aflossing in beginsel voor rekening van de afnemer en heeft deze alleen recht op een (derde) deel van de schade bestaande in de restschuld. [eiser] heeft onvoldoende gesteld dat de effectenleaseovereenkomst voor hem een onaanvaardbaar zware financiële last vormde. (rov. 4.4)

Vast staat dat de overeenkomst is geëindigd met een positief saldo van € 1.588,96. (rov. 4.5)

Dit betekent dat [eiser] geen schade heeft geleden, zodat het eventuele bewijs dat een tussenpersoon hem heeft geadviseerd en dat Dexia dit wist, niet tot het toekennen van schadevergoeding kan leiden. Daardoor mist hij belang bij de beoordeling van de grieven 1, 2 en 4. (rov. 4.6)

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het middel klaagt dat het hof in de rov. 4.4-4.6 heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel is het oordeel van het hof niet verenigbaar met het arrest […]/Dexia .

3.2

Het middel is gegrond.

In het arrest […]/Dexia heeft de Hoge Raad (in rov. 6.2.3) beslist dat indien een particuliere belegger bij de aanbieder is aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en de aanbieder hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten. In het arrest is beslist dat dit ook geldt als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden. Het oordeel van het hof geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3

Het voorgaande brengt mee dat na verwijzing alsnog de grieven 1 en 2 van [eiser] moeten worden onderzocht.

3.4

Dexia heeft zich in haar verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. Zij heeft de bestreden beslissing van het hof dus niet verdedigd. Nu zij deze evenmin heeft uitgelokt, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2019;

- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

- begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiser] op € 493,50 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van Dexia op € 879,01 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 13 november 2020.

1 HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 ([…]/Dexia).

2 Gerechtshof Den Haag 17 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2434.