Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:178

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
19/03633
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:1426
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94 Sv op gegevensdragers onder kla(a)g(st)er(s) i.v.m. onderzoek naar OMG Caloh Wagoh, art. 552a Sv. Het oordeel van de Rb dat het belang van de kla(a)g(st)er(s) bij teruggave van in de beschikking van de Rb vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van Sv, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. HR merkt t.a.v. gelasten van de teruggave van de goederen “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” op dat de wet geen “voorwaardelijke teruggave” kent. Is de rechter van oordeel dat het belang van Sv zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. ECLI:NL:HR:2019:1692). Samenhang met 9 andere beschikkingen. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing naar de Rb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2020/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/03633

Datum 4 februari 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 28 mei 2019, nummer RK 19/692, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend

door

[klaagster 9],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klaagster, M.R. Mantz, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het beklag ten aanzien van bepaalde inbeslaggenomen voorwerpen (voorwaardelijk) gegrond heeft verklaard en de teruggave daarvan heeft gelast per 28 juni 2019 en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het oordeel van de rechtbank dat het belang van de klaagster bij teruggave van twee in de beschikking van de rechtbank vermelde gegevensdragers “thans, na een half jaar”, zwaarder moet wegen dan het belang van strafvordering, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.

2.2

Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5.3.

2.3

Naar aanleiding van de gegrondverklaring door de rechtbank van het beklag ten aanzien van de hierboven genoemde goederen “per 28 juni 2019” en het gelasten van de teruggave daarvan aan de klaagster “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen” merkt de Hoge Raad nog het volgende op. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van een voorwaardelijke beslissing over strafvorderlijk inbeslaggenomen voorwerpen. Is de rechter van oordeel dat het belang van strafvordering zich (nog) verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, dan dient hij het klaagschrift waarin de teruggave van die voorwerpen wordt verzocht ongegrond te verklaren. Is daarvan geen sprake, dan dient in de regel teruggave te worden gelast (vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1692).

2.4

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover betrekking hebbend op de twee voorwerpen ten aanzien waarvan het beklag “per 28 juni 2019” gegrond is verklaard en waarvan de teruggave aan de klaagster is gelast “indien daarover op 28 juni 2019 door het OM nog geen beslissing is genomen”;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt behandeld en afgedaan;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.