Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1778

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
20/01266
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2020:1834
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 30fc, lid 1, en 30fe, lid 1, AWR. Vermindering IB/PVV bij echtgenoot leidt na overlijden partner tot navordering bij de erven i.v.m. terugname algemene heffingskorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-11-2020
V-N Vandaag 2020/2772
FutD 2020-3334
NTFR 2020/3336 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
V-N 2020/59.22 met annotatie van Redactie
NLF 2020/2563 met annotatie van Lisa van Esdonk-Bongaarts
BNB 2021/13 met annotatie van F.J.P.M. Haas
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 20/01266

Datum 13 november 2020

ARREST

in de zaak van

de erfgenamen van [X] te [Z] (hierna: belanghebbenden)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2020, nr. 19/00739, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. 18/3347), betreffende een beschikking inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 25 augustus 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.1

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1 [

A], een van de belanghebbenden, was gehuwd met [X] die op 23 juli 2013 is overleden (hierna: erflaatster). [A] (hierna: de echtgenoot) en de zoon [E] zijn haar enige erfgenamen. In het testament van erflaatster was een ouderlijke boedelverdeling opgenomen.

2.1.2

Overeenkomstig de op 14 maart 2014 door belanghebbenden gedane aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) van erflaatster voor het jaar 2013 is ten name van erflaatster met dagtekening 23 december 2015 een aanslag vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 1.296 en op een te ontvangen bedrag aan algemene heffingskorting van € 715.

2.1.3

Ten tijde van het vaststellen van die aanslag was aan de echtgenoot over het jaar 2013 een aanslag IB/PVV van € 715 opgelegd. Hij had dat bedrag voldaan.

2.1.4

Op diens verzoek is het door de echtgenoot over 2013 verschuldigde bedrag aan IB/PVV op 29 maart 2018 nader vastgesteld op nihil. Het door hem reeds voldane bedrag van € 715 is hem op 3 april 2018 terugbetaald.

2.1.5

Met dagtekening 21 april 2018 is aan belanghebbenden over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, waarbij de in 2.1.2 vermelde algemene heffingskorting is nagevorderd. Bij beschikking is € 111 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.2.1

Bij het Hof was in geschil of de beschikking inzake belastingrente terecht is vastgesteld.

2.2.2

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat zij na het overlijden van erflaatster, gelet op haar testament, als erven voor de heffing van IB/PVV over het jaar 2013 met de echtgenoot vereenzelvigd moeten worden zodat er sprake is van één belastingplichtige, en de teruggave van € 715 wegvalt tegen het nagevorderde bedrag van dezelfde omvang.

2.2.3

Het Hof heeft geoordeeld dat er geen mogelijkheid is voor vereenzelviging van belanghebbenden en de echtgenoot omdat de Wet IB 2001 uitgaat van geïndividualiseerde belastingheffing. Daarbij heeft het Hof verwezen naar de bepaling omtrent de bevoegdheden en verplichtingen van rechtverkrijgenden onder algemene titel in artikel 44 AWR.

2.2.4

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een wettelijk systeem dat in dit geval ertoe leidt dat over de vermindering van de aanslag van de echtgenoot geen belastingrente wordt vergoed terwijl bij de navorderingsaanslag van belanghebbenden wel belastingrente is verschuldigd.

2.3.1

Met betrekking tot de tegen deze oordelen gerichte middelen overweegt de Hoge Raad als volgt.

2.3.2

De op diens eigen inkomen betrekking hebbende belastingschuld van de echtgenoot was aanvankelijk € 715 te hoog vastgesteld. De daarmee samenhangende verhoging van de gecombineerde heffingskorting van erflaatster is tot hetzelfde bedrag te hoog vastgesteld. De vervolgens – door ambtshalve vermindering en navordering – gecorrigeerde aanslagen zijn niet vastgesteld ter zake van dezelfde belastingplicht. In overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake belastingrente (vgl. de artikelen 30fc en 30fe, telkens lid 1, AWR) is bij de ambtshalve vermindering ten aanzien van de echtgenoot geen belastingrente vergoed, terwijl bij de navordering ten aanzien van de erven wel belastingrente in rekening is gebracht. Deze wettelijke bepalingen laten niet toe om bij de berekening van ter zake van een belastingaanslag verschuldigde belastingrente acht te slaan op een recht op vermindering uit hoofde van een andere belastingaanslag of een andere beschikking met betrekking tot een andere belastingplicht. Dat geldt ook in een geval als dit, waarin de vermindering en de navordering rechtstreeks met elkaar samenhangen. Anders dan belanghebbenden kennelijk menen, is in dit verband niet van belang of de echtgenoot met de beide erfgenamen vereenzelvigd kan of moet worden.

2.3.3

De middelen, die beide tot uitgangspunt nemen dat vereenzelviging van de echtgenoot en de erfgenamen tot een andere uitkomst moet leiden, stuiten hierop af. Het beroep in cassatie moet ongegrond worden verklaard.

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2020:739.