Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1749

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
19/05119
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:637
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, anderbeslag ex art. 94a.4 en 94a.5 Sv op 4 vorderingen van klaagster (besloten vennootschap) op Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen bestuurder van klaagster t.z.v. verdenking van verkeerd labelen van (paarden)vlees. Herstructurering bedrijfsstructuur, overheveling vermogensbestanddelen en vereenzelviging rechtspersoon en bestuurder. Voldaan aan in art. 94a.4 Sv gestelde eis van kennelijk doel uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen? Uit vaststellingen Rb kan volgen dat, indien herstructurering niet had plaatsgevonden, werkzaamheden voor NVWA zouden zijn verricht door oorspronkelijke vennootschap, in welk geval vorderingen op NVWA tot vermogen van deze vennootschap hadden behoord. Daarmee staat (anders dan kennelijk door Rb is geoordeeld) echter niet vast dat dan integrale toekomstige opbrengsten van normale bedrijfsuitoefening van nieuwe werk-B.V. onder vennootschap in beslag hadden kunnen worden genomen en worden uitgewonnen ter voldoening van aan bestuurder van klaagster op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v. HR neemt daarbij in aanmerking dat vermogensbestanddelen van rechtspersoon niet op enkele grond dat natuurlijke persoon als bestuurder en/of aandeelhouder zeggenschap heeft over gang van zaken binnen die rechtspersoon, kunnen worden beslagen ten laste van die natuurlijke persoon (vgl. ECLI:NL:HR:1996:ZD0345). Oordeel Rb dat voldoende aanwijzingen bestaan dat toekomen van vorderingen op NVWA aan klaagster (mede) tot doel heeft gehad uitwinning ter voldoening van een aan bestuurder op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v. te bemoeilijken of te verhinderen, is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en verwijzing naar hof. CAG: anders. Vervolg op ECLI:NL:HR:2019:244 en ECLI:NL:HR:2016:580.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 19/05119 B

Datum 10 november 2020

BESCHIKKING

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland van 1 november 2019, nummer RK 15/75, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend

door

[klaagster] ,

hierna: de klaagster.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft D.J.G.J. Cornelissen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de klaagster heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de inbeslaggenomen voorwerpen – vorderingen die de klaagster heeft op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit – aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren.

2.2.1

Het gaat in deze zaak om het volgende. In december 2013 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen [betrokkene 1] en tegen de rechtspersonen [B] B.V. en [A] B.V. in verband met een verdenking ter zake van fraude met (paarden)vlees. [betrokkene 1] is op dat moment bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschappen.
Per 31 januari 2014 heeft een herstructurering plaatsgevonden van beide rechtspersonen, waarbij de activiteiten van [A] B.V. zijn voortgezet door [E] B.V., het bedrijf dat de slachterij exploiteert, met als enig aandeelhouder [C] B.V. De naam van [E] B.V. is per 3 mei 2014 gewijzigd in [klaagster]
Na de vennootschappelijke herstructurering is op 3 september 2014 op de voet van artikel 94a lid 4 en 5 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) conservatoir beslag gelegd op vier vorderingen die de klaagster ( [klaagster] ) heeft op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (hierna: NVWA). Deze vorderingen vloeiden voort uit slachtwerkzaamheden die de klaagster in juli 2014 heeft uitgevoerd voor de NVWA en betreffen een bedrag van in totaal € 204.465,80.

2.2.2

De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“1. De vaststaande feiten

Op basis van het aan de raadkamer voorgelegde dossier en het verhandelde tijdens de diverse onderzoeken in raadkamer, kunnen voorshands de volgende feiten worden vastgesteld.

1.1

In december 2013 is door het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek (“Dorian” genaamd) gestart naar [A] BV, [B] BV en [betrokkene 1] privé. [betrokkene 1] is op dat moment bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschappen. Dit onderzoek ziet, kort gezegd, op de verdenking paardenvlees onder de noemer van rundvlees op de markt te hebben gebracht. Er is ook een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld.

1.2

Op 31 januari 2014 krijgt een herstructurering van de vennootschappelijke structuur van de ondernemingen haar beslag. Er worden drie nieuwe vennootschappen opgericht:

- [C] BV, met als enig aandeelhouder en bestuurder [betrokkene 1] ;

- [D] BV met als enig aandeelhouder [C];

- [E] BV met als enig aandeelhouder [C].

De vleesverwerkingsactiviteiten worden vanaf nu ondergebracht bij laatst genoemde vennootschap. De naam van deze vennootschap wordt op 3 mei 2014 gewijzigd in [klaagster] (hierna: [klaagster] ).

1.3

Op 5 maart 2014 komen alle aandelen in [C] in handen van [betrokkene 2] , de echtgenote van [betrokkene 1] . Bestuurder blijft [betrokkene 1] .

1.4

Medio 2014 vindt in Nederland een ‘vleesschandaal’ plaats in verband met mogelijke toevoeging van het (verboden) antibioticum furazolidon aan veevoeder. In verband hiermee zijn runderen van verdachte veehouderijen geruimd. In juli 2014 krijgt [klaagster] van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (hierna: de NVWA) de opdracht ruimings- en slachtwerkzaamheden van runderen bij diverse rundveebedrijven te verrichten. Zij stuurt daarvoor op 18 augustus 2014 vier facturen aan de NVWA t.w.v. € 204.465,80.

1.5

Op 3 september 2014 wordt conservatoir ‘anderbeslag’ gelegd onder [klaagster] op haar vorderingen op de NVWA in de strafzaak tegen [betrokkene 1] .

(...)

2 Het procesverloop

2.1

Bij klaagschrift van 26 september 2014 verzoekt [klaagster] opheffing van het conservatoir beslag op de vier vorderingen op de NVWA. Het klaagschrift wordt bij beschikking van 21 oktober 2014 door deze rechtbank ongegrond verklaard (rb.nr. 14/1388). De rechtbank heeft daarbij, kort gezegd, overwogen dat de herstructurering van de bedrijfsstructuur en de overheveling van vermogensbestanden daarbij (mede) tot doel heeft gehad de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken ofte verhinderen, waarvan de betrokken partijen weet moeten hebben gehad dan wél waarvan zij redelijkerwijs een vermoeden moeten hebben gehad. Deze beschikking is onherroepelijk geworden.

2.2

Op 16 januari 2015 wordt wederom door [klaagster] een klaagschrift ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag. Klaagster wordt bij beschikking van 25 februari 2015 (rb.nr. 15/75) niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek niet is gestoeld op sinds de vorige procedure nieuw opgekomen feiten en omstandigheden.

2.3

Deze beschikking is bij beschikking van de Hoge Raad van 5 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:580) vernietigd omdat de rechtbank een te strenge maatstaf had aangelegd bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een hernieuwd beklag.

2.4

Na hernieuwde mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij beschikking van 2 november 2016 het klaagschrift ongegrond verklaard, daarbij enerzijds aansluiting zoekend bij de eerste beschikking van 21 oktober 2014 over de kennelijk beoogde verhaalsfrustratie en anderzijds oordelend dat er geen sprake is van een disproportioneel beslag, in aanmerking nemend dat de gestelde slechte financiële omstandigheden van klaagster onvoldoende onderbouwd zijn.

2.5

Ook deze beslissing is door de Hoge Raad bij beschikking van 12 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:244) vernietigd omdat, kort gezegd, onvoldoende was gemotiveerd dat het niet is uitgesloten dat in de strafzaak tegen [betrokkene 1] een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd ter ontneming van een door [klaagster] illegaal verkregen winst.

(...)

3 De beoordeling van het beklag

3.1

In de onderhavige beklagzaak gaat het om door het openbaar ministerie gelegd conservatoir beslag ex artikel 94a Sv onder klaagster, [klaagster] , ter waarborging van verhaal van een aan [betrokkene 1] op te legen ontnemingsmaatregel.

Het juridisch kader

3.2

Bij inbeslagneming met toepassing van art. 94a Sv gaat het om een conservatoir beslag, waarmee in geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, beoogd wordt een verhaalsmogelijkheid zeker te stellen in verband met een later eventueel op te leggen geldboete of ontnemingsmaatregel.

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken

a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en

b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klaagster, als verdachte, een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven.

Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.

Zogeheten ‘anderbeslag’ is mogelijk “indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.” (artikel 94a lid 4 Sv)

Daarbij moet worden vooropgesteld dat het onderzoek in raadkamer bij beklagzaken als de onderhavige, een summier en voorlopig karakter draagt en dat de rechtbank niet ten gronde mag treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofd- of ontnemingszaak omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.

De toe te passen maatstaf sluit niet uit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De onderhavige zaak

3.3

Het beslag ziet op vier vorderingen van [klaagster] op de NVWA, ter zake van werkzaamheden die [klaagster] in juli 2014 in opdracht van de NVWA heeft verricht. Tussen partijen staat vast dat deze vorderingen inderdaad aan [klaagster] en niet aan een andere vennootschap toekomen, de raadkamer zal hiervan ook uitgaan.

3.4

Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat [betrokkene 1] en de door hem geleide ondernemingen, waaronder [A] BV, strafbare handelingen hebben verricht (namelijk vermenging van paardenvlees met rundvlees en het vervalsen van facturen en orderbrieven om dit te maskeren) waarmee zij illegale winsten hebben gemaakt. Dit zou gebeurd zijn in de periode van 2012 tot maart 2014.

3.5

Klaagster, [klaagster] , was toen net opgericht in het kader van de herstructurering per 31 januari 2014. De vorderingen waarop thans beslag rust, zijn daarna ontstaan, in juli 2014. De vraag is daarmee: kunnen deze later ontstane vorderingen die toebehoren aan een andere vennootschap ( [klaagster] ), te zijner tijd worden uitgewonnen ter verhaal van een aan [betrokkene 1] op te leggen ontnemingsmaatregel, die ziet op door een ‘voorganger’ van [klaagster] ( [A] BV) illegaal verkregen winst. De term ‘voorganger’ wordt in dit verband niet gebruikt in het kader van rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel, maar om aan te geven dat de bedrijfsactiviteiten die voorheen door [A] werden uitgeoefend, in 2014 zijn overgenomen door [klaagster] . Kennelijk zijn de productiemiddelen van [A] BV ook overgegaan op of overgenomen door [klaagster] .

Een schijnconstructie ter frustratie van verhaal?

3.6

De eerste vraag die moet worden beantwoord is, of de herstructurering van de

ondernemingen van [betrokkene 1] in januari 2014 een legitieme reden had dan wel was bedoeld als schijnconstructie om eventueel verhaal van derden (waaronder eventuele strafrechtelijke boetes en maatregelen) af te wenden.

3.7

In een brief aan de belastingdienst d.d. 5 februari 2014 is vermeld dat er in de landelijke pers negatieve berichtgeving is geweest over de verwerking van paardenvlees door [A] BV. Om deze imagoschade zoveel mogelijk te beperken en verdere schade te voorkomen is het de bedoeling om de slachterij zo snel mogelijk onder te brengen in een inmiddels nieuw opgerichte vennootschap.

Waarom dit doel niet kon worden bereikt door een naamswijziging waarbij de oude naam zou worden vervangen door [klaagster] , kon tijdens de mondelinge behandeling niet worden beantwoord. Opmerkelijk is dat de aanvankelijke naam van de nieuwe werkmaatschappij, [E] BV, binnen twee maanden werd gewijzigd in [klaagster] . Zo problematisch is dat dus niet.

3.8

Daar staat het volgende tegenover. In het proces-verbaal AMB-0146 (productie 2 bij inleidend klaagschrift) worden enkele telefoonnotities van medewerkers aangehaald die kennelijk in beslag zijn genomen bij doorzoekingen.

- een notitie van 30 januari 2014: “extra holding om nieuwe structuur volkomen los te laten zijn v.d. oude structuur. Gaat het fout in ‘vlees’ dan wordt zoveel mogelijk voorkomen dat ‘vlees’ de nieuwe structuur van [B] BV meetrekt. Natuurlijk is de extra noodzaak van een nieuwe holding er niet als [betrokkene 1] privé wordt aangepakt” (...) “prima om alles klaar te zetten, echter slachten kan niet in de nieuwe BV want die moest eerst nog een EG-nummer hebben om te mogen slachten.”;

- een notitie van 4 februari 2014: “aandelen o.g. niet overdragen, zou curator wel eens in de kaart kunnen spelen, alles wel erg in het zicht van het eventuele faillissement geregeld. Het is zelfs de vraag of aandelen op naam ega wel werkt in het faillissement. [betrokkene 3] gaat dat nog na. [betrokkene 4] is absoluut voorstander van overdracht van aandelen o.g., want als het strafrechtdeel doorgaat, kan er zonder - - meer conservatoir beslag worden gelegd en zit o.g. gelocked bij [betrokkene 1] en kan het in het kader v/d voordeelsberekening uitgewonnen worden.”;

- een notitie van 4 februari 2014: “1) melding nvwa dat slacht in DMS gebeurt in overleg en na goedkeuring [betrokkene 4] / [betrokkene 1] (...)

2) verhanging o.g. naar beheer bv + aandelen op vrouw + loskoppelen fin. relatie o.g. —» vlees en het liefst ook tussen oude en nieuwe beheer”

3.9

Deze notities wijzen er op dat er behoefte was om de bedrijfsactiviteiten en vermogensbestanddelen onder te brengen in nieuwe vennootschappen om toekomstige civiele aansprakelijkheid (in het zicht van een naderend faillissement) te vermijden maar ook om uitwinning in een strafrechtelijke procedure (“voordeelsberekening”) te voorkomen. Ook de overdracht van de aandelen in [C] aan [betrokkene 2] , de echtgenote van [betrokkene 1] in maart 2014 moet in dat licht worden bezien. Niet duidelijk is geworden, ook niet tijdens de mondelinge behandeling, wat de achtergrond van deze overdracht was, tegen welke prijs dat is geschied etc. In dit verband kan er op gewezen worden dat blijkens proces-verbaal AMB-0132, [betrokkene 2] in 2013 in loondienst was tegen een salaris van € 2.000,- per maand en dat in juli/augustus 2014, nadat zij alle aandelen heeft gekregen, nog steeds € 2.000,- aan salaris wordt overgemaakt op haar privérekening. Dat wijst er niet direct op dat zij een heel verantwoordelijke en beleidsbepalende functie heeft binnen het bedrijf, noch dat die functie wezenlijk is veranderd na de aandelenoverdracht. Dit duidt er op dat [betrokkene 1] formeel zijn rol binnen de onderneming wilde marginaliseren.

3.10

Voorshand gaat de raadkamer er in deze beklagprocedure van uit dat de vennootschappelijke herstructurering vooral werd ingeven door de wens toekomstig verhaal op het bedrijfsvermogen in civielrechtelijke en strafrechtelijke zin te bemoeilijken.

De verhouding tussen de vennootschappen en [betrokkene 1]

3.11

Een uitgangspunt van het rechtspersonenrecht is dat een rechtspersoon, behoudens de situatie van evident misbruik van rechtspersoonlijkheid, niet kan worden vereenzelvigd met haar bestuurder en/of aandeelhouder; de rechtspersoon is een zelfstandige entiteit met een eigen vermogen. Indien in de strafzaak komt vast te staan dat [A] strafbare feiten heeft gepleegd en daarmee winst heeft gemaakt, kan die winst haar worden ontnomen. Als deze vennootschap geen liquide middelen blijkt te hebben (en bij de laatste raadkamerzitting is gebleken dat [A] inmiddels inderdaad in staat van faillissement verkeert), kan het voordeel dan worden ontnomen bij haar leiding gevende bestuurder c.q. enig aandeelhouder, [betrokkene 1] ?

Deze vraag is relevant omdat het conservatoire beslag uitsluitend is gelegd in de strafzaak tegen [betrokkene 1] en niet in de strafzaken tegen de vennootschappen.

3.12

Voor de beantwoording van de vraag of het door [A] BV verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel (de raadkamer gaat er voor de beoordeling van deze beklagzaak veronderstellenderwijs van uit dat dit het geval is) kan worden toegerekend aan [betrokkene 1] , zijn, blijkens HR 6 februari 2007, AZ4672; JOW 2007/12 (Jacobs arrest), aanhakend bij HR 8 mei 2001, NJ 2001/507 en m.n. COM Wortel) de volgende gezichtspunten relevant:

- heeft [betrokkene 1] in belangrijke mate zeggenschap gehad over deze rechtspersoon?

- kon [betrokkene 1] over het vermogen van die rechtspersoon beschikken?

- heeft het genoten voordeel kunnen strekken tot voordeel van [betrokkene 1] ?

3.13

Vast staat dat [betrokkene 1] , via zijn beheersmaatschappij, bestuurder en enig aandeelhouder was van [A] BV (en overigens ook van alle andere dochtermaatschappijen uit de ‘ [F-groep] ’). Daarmee ligt formeel alle zeggenschap over de gang van zaken binnen deze ondernemingen bij hem. Dat zulks in de praktijk anders zou zijn (bijv. door statutaire bepalingen) is niet gesteld of gebleken.

Als bestuurder en enig aandeelhouder was [betrokkene 1] degene die het beleid bepaalde en over het gehele vermogen beschikte binnen de rechtspersoon. Hij besliste (als voorzitter en secretaris van de aandeelhoudersvergadering van [B] B.V.) tot het verhuren van bedrijfsruimte en roerende zaken en het aangaan van een geldlening. Hij heeft de relevante beslissingen genomen die tot het wederrechtelijk voordeel en dus ook tot de verbetering van de vermogenspositie hebben geleid. Met zijn zeggenschap in en over de BV en de andere maatschappijen in de groep was [betrokkene 1] steeds in de gelegenheid en de positie om te besluiten dat voordeel op elk gewenst moment naar zich toe te halen of te laten waar het gerealiseerd werd en op deze wijze indirect (doordat zijn aandelen meer waard werden) te behouden en dat dan (op termijn) te genieten. Een en ander wordt onderstreept door [betrokkene 1] veroordeling ter zake van feitelijk leiding geven aan de binnen [A] BV verrichte verboden gedragingen.

3.14

Aan alle drie de voornoemde criteria wordt dan ook, voorshands, voldaan.

3.15

Uit het voorgaande volgt dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan [betrokkene 1] , veroordeelde, een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

3.16

Voorshands moet worden aangenomen dat de herstructurering van de ondernemingen van [betrokkene 1] - waartoe overigens uitsluitend [betrokkene 1] zelf heeft kunnen besluiten - de bedoeling had om civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid en verhaalsmogelijkheden te omzeilen. [klaagster] is met dat doel opgericht en heeft de bedrijfsactiviteiten van [A] BV overgenomen en voortgezet, in eerste instantie onder vermelding van het EG-erkenningsnummer dat [A] BV toebehoorde. De herstructurering weggedacht, zouden de ruiming en slacht van met furazolidon besmette runderen door [A] BV zijn verricht en de beslagen vorderingen op de NVWA tot het vermogen van [A] BV behoren. Voorshands kan daarom niet worden uitgesloten dat de beslagen vorderingen aan [klaagster] zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen door derden te bemoeilijken of te verhinderen, waarmee zou worden voldaan aan het in artikel 94a lid 4 Sv gestelde vereiste van verhaalsfrustratie.

Ten aanzien van het in artikel 94a lid 4 Sv genoemde wetenschapsvereiste geldt het volgende. [klaagster] werd indirect bestuurd door [betrokkene 1] . Daaruit volgt dat ook aan het wetenschapsvereiste dat [klaagster] wist of redelijkerwijze kon vermoeden dat voorwerpen aan haar zijn gaan toebehoren om uitwinning te bemoeilijken of te verhinderen, lijkt te worden voldaan.

Nu het (veronderstellenderwijs) door [A] B.V. wederrechtelijk verkregen voordeel aan [betrokkene 1] kan worden toegerekend, kunnen de beslagen vorderingen voorshands tot uitwinning dienen van een aan [betrokkene 1] opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.17

Met inachtneming van het summiere karakter dat het onderzoek in raadkamer in een beklagprocedure kenmerkt, zijn er derhalve feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die voldoende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de beslagene zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren en dat de beslagene dat wist of had kunnen weten.

3.18

Het belang van Strafvordering verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag op voornoemde voorwerpen van klaagster.

De beslissing

De raadkamer

verklaart het klaagschrift ongegrond.”

2.3

Artikel 94a Sv luidt:

“1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.

6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.”

2.4

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat op vorderingen van de klaagster op de NVWA op de voet van artikel 94a Sv beslag is gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal van een op [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat in het onderhavige geval om de vraag of voldaan is aan de in artikel 94a lid 4 Sv gestelde eisen.

2.5

De rechtbank heeft blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen geoordeeld dat zich hier de situatie van artikel 94a lid 4 Sv voordoet, te weten dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de vorderingen op de NVWA aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning daarvan te bemoeilijken of te verhinderen en dat de klaagster dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden.
De rechtbank heeft vastgesteld dat:
- de vorderingen van de klaagster voortvloeien uit door de klaagster in opdracht van de NVWA uitgevoerde slachtwerkzaamheden, die na de onder 2.2.1 weergegeven vennootschappelijke herstructurering hebben plaatsgevonden;
- de slachterij vóór deze herstructurering werd geëxploiteerd door [A] B.V., zodat de vorderingen, indien zij vóór de herstructurering zouden zijn ontstaan, zouden hebben toebehoord aan [A] B.V.;
- terwijl het conservatoir beslag op de desbetreffende vorderingen van de klaagster is gelegd ten laste van [betrokkene 1] in verband met een aan hem op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit deze vaststellingen kan volgen dat, indien de herstructurering niet had plaatsgevonden, de werkzaamheden voor de NVWA zouden zijn verricht door [A] B.V., in welk geval de vorderingen op de NVWA tot het vermogen van [A] B.V. hadden behoord. Daarmee staat – anders dan kennelijk door de rechtbank is geoordeeld – echter niet vast dat dan de integrale toekomstige opbrengsten van de normale bedrijfsuitoefening van de nieuwe werk-B.V. ([klaagster])onder [A] B.V. in beslag hadden kunnen worden genomen en worden uitgewonnen ter voldoening van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat vermogensbestanddelen van een rechtspersoon niet op de enkele grond dat een natuurlijke persoon als bestuurder en/of aandeelhouder zeggenschap heeft over de gang van zaken binnen die rechtspersoon, kunnen worden beslagen ten laste van die natuurlijke persoon (vgl. HR 9 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0345).
Het oordeel van de rechtbank dat voldoende aanwijzingen bestaan dat het toekomen van de vorderingen op de NVWA aan klaagster (mede) tot doel heeft gehad de uitwinning ter voldoening van een aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te bemoeilijken of te verhinderen, is daarom ontoereikend gemotiveerd.

2.6

Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de beschikking van de rechtbank;

- verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2020.