Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1730

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
19/05365
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 8:25 Awb; weigering gemachtigde i.v.m. stelselmatig grievend taalgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-11-2020
V-N Vandaag 2020/2693
FutD 2020-3257 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2020/57.21 met annotatie van Redactie
NLF 2020/2502 met annotatie van Nick van den Hoek
NTFR 2020/3337 met annotatie van
NJB 2020/2740
JOM 2020/626
Belastingblad 2021/15 met annotatie van L.J. Boone
BNB 2021/20 met annotatie van E.B. PECHLER
FED 2021/24 met annotatie van J.A. SMIT
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 19/05365

Datum 6 november 2020

ARREST

in de zaak van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 29 oktober 2019, nr. AWB 19/272, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 30 juni 2020 geconcludeerd tot het niet–ontvankelijk verklaren dan wel het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.1

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van de middelen

Kern van de zaak

2.1

De Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende, [A] , vanwege ernstige bezwaren tegen zijn persoon, geweigerd om belanghebbende in de fase van beroep nog verder te vertegenwoordigen dan wel haar bijstand te verlenen.
De cassatiemiddelen zijn gericht tegen deze beslissing van de Rechtbank.

Ernstige bezwaren in de zin van artikel 8:25 Awb

2.2.1

Volgens artikel 8:25, lid 1, Awb kan de bestuursrechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, weigeren.

2.2.2

In de parlementaire geschiedenis van artikel 8:25 Awb, zoals weergegeven in onderdeel 6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is tot uitdrukking gebracht dat deze bepaling is bedoeld als uiterste maatregel tegen gemachtigden of bijstandsverleners van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen. Deze totstandkomingsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de wetgever ernstige bezwaren in de zin van artikel 8:25 Awb heeft willen beperken tot gedrag waardoor de gemachtigde of bijstandverlener schade toebrengt aan concrete individuele belangen van zijn cliënt. Er kan van worden uitgegaan dat die ernstige bezwaren ook kunnen rijzen door gedrag van de gemachtigde of bijstandverlener waardoor een behoorlijke rechtsbedeling in gevaar wordt gebracht. Indien een gemachtigde of bijstandverlener door stelselmatig nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik hetzij een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt, hetzij het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast, kan dit de conclusie rechtvaardigen dat ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Awb tegen de persoon van de gemachtigde of bijstandverlener bestaan.

2.2.3

De beslissing tot weigering als voorzien in artikel 8:25, lid 1, Awb is voorbehouden aan de rechter die is belast met de behandeling van de zaak waarin de in die bepaling genoemde ernstige bezwaren rijzen. De rechter kan daartoe ambtshalve besluiten, of op verzoek van een andere partij in het geding. De aard van de in artikel 8:25, lid 1, Awb geregelde weigering brengt mee dat het rechtsgevolg ervan beperkt moet blijven tot die zaak, en tot de instantie waarin de beslissing is genomen.

Opmerking verdient dat zulke beperkingen niet gelden voor de toepassing van artikel 2:2 Awb.2 Artikel 8:25 Awb ziet op de zaaksbehandeling door de bestuursrechter, terwijl artikel 2:2 Awb in algemene zin betrekking heeft op het verkeer tussen het bestuursorgaan en de desbetreffende persoon.

2.2.4

Volgens artikel 8:25, lid 2, Awb worden de betrokken partij en haar gemachtigde of bijstandverlener onverwijld in kennis gesteld van de beslissing tot weigering en van de reden daarvoor. Daarnaast brengen beginselen van een behoorlijke procesorde mee dat de te weigeren gemachtigde of bijstandverlener en de desbetreffende procespartij in de gelegenheid worden gesteld op het daartoe strekkende voornemen te reageren voordat de beslissing tot weigering wordt genomen. Datzelfde geldt voor een door een andere procespartij gedaan verzoek tot weigering, tenzij de rechter aanstonds besluit het verzoek af te wijzen. Diezelfde beginselen brengen voorts mee dat na het weigeren van een gemachtigde of bijstandverlener de betrokken partij een redelijke termijn wordt gegund om te kennen te geven of zij de procedure zonder gemachtigde of bijstand, of met een andere gemachtigde of bijstandverlener wil voortzetten, en in het laatste geval zich van die andere gemachtigde of bijstand te voorzien.

2.2.5

De tijdens de behandeling van de zaak gegeven beslissing tot weigering dient te worden opgenomen in de uitspraak in die zaak. Daarbij moet de rechter die beslissing voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de in artikel 8:25, lid 1, Awb bedoelde ernstige bezwaren zich in de desbetreffende zaak voordoen. De rechter moet de reden tot weigering in beginsel ontlenen aan de gedragingen van de gemachtigde of bijstandverlener in zijn instantie. Het staat de rechter daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken hetgeen hem overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde of bijstandverlener. Met inachtneming van het hiervoor overwogene worden aan de beslissing tot toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb geen bijzondere motiveringseisen gesteld. Aangezien het oordeel inzake ernstige bezwaren tegen de persoon van een gemachtigde of bijstandverlener naar zijn aard in hoge mate is verweven met feitelijke waarderingen, kan de Hoge Raad de motivering daarvan alleen toetsen op onbegrijpelijkheid.

2.2.6

Tegen de beslissing om met toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb een persoon als gemachtigde of bijstandverlener te weigeren, staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open. Dat neemt niet weg dat degene die een rechtsmiddel kan aanwenden tegen de uitspraak van de rechter die artikel 8:25, lid 1, Awb heeft toegepast, ook die toepassing aan het oordeel van de hogere rechter kan onderwerpen. Geen rechtsregel staat in de weg aan de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel tegen een uitspraak als de daarbij aangevoerde gronden alleen zien op de weigeringsbeslissing.

Toepassing van het voorgaande op het onderhavige geval

2.3.1

Namens belanghebbende zijn bij de Rechtbank het beroepschrift en het (aanvullende) verzetschrift ingediend door [A] (hierna: de gemachtigde). De Rechtbank heeft, naar aanleiding van het aanvullende verzetschrift, een brief met dagtekening 31 mei 2019 naar de gemachtigde verzonden. In deze brief heeft de Rechtbank het voornemen geuit om de gemachtigde in deze procedure te weigeren op grond van artikel 8:25, lid 1, Awb.

2.3.2

In verband met dit voornemen heeft de Rechtbank de gemachtigde op 14 juni 2019 ter zitting gehoord. Bij beslissing van 3 juli 2019 heeft de Rechtbank de gemachtigde met toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb geweigerd.

2.3.3

Met betrekking tot het weigeren van de gemachtigde is in de bestreden uitspraak overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat ernstige bezwaren in de zin van artikel 8:25 van de Awb tegen gemachtigde bestaan. Het taalgebruik van gemachtigde is ongepast, onfatsoenlijk, beledigend en respectloos naar de wederpartij, de rechtspraak en een individuele rechter. Gemachtigde heeft inmiddels verscheidene waarschuwingen ontvangen en volhardt bewust in zijn beledigende en respectloze taalgebruik. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar bevoegdheid om gemachtigde te weigeren in de onderhavige procedure. Deze beslissing heeft tot gevolg dat opposante zich niet langer door de gemachtigde van haar (eerste) keuze in de onderhavige procedure kan laten bijstaan/vertegenwoordigen. Het onderwerp van geschil in de onderhavige procedure alsmede het dossier bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen dat opposante is aangewezen op behartiging van haar belangen door gemachtigde in het bijzonder. De gevolgen van deze beslissing voor opposante zijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank zeer beperkt. De rechtbank ziet in het standpunt van gemachtigde geen aanleiding om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid.”

2.3.4

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, geeft het door de middelen bestreden oordeel niet blijk van miskenning van het begrip ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Awb. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De middelen falen in zoverre.

2.3.5

De in de middelen opgenomen klachten over schending van het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.

1 ECLI:NL:PHR:2020:665.

2 Vgl. ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2709, en ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2886.