Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2020:1722

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
18/05490
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1024
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rolbeslissing m.b.t. betekening aanzegging in cassatie. Verzoek te bepalen dat eerder arrest HR (geen middelen ingediend, verdachte n-o) wordt ingetrokken, omdat aanzegging niet op rechtsgeldige wijze is betekend. Is aanzegging in persoon uitgereikt aan verdachte op het in cassatieakte vermelde adres in Nederland, nu verdachte niet degene is geweest die akte van uitreiking heeft ondertekend? Aanzegging is blijkens akte van uitreiking in persoon uitgereikt aan verdachte op in cassatie-akte vermeld adres van verdachte in Zwolle (oud BRP-adres), terwijl verdachte geen BRP-adres (meer) heeft en aan cassatie-akte gehechte volmacht en arrest hof als adres van verdachte een adres in Belgiƫ vermelden. HR: Op redenen vermeld in CAG moet eerder arrest worden ingetrokken en aan verdachte nieuwe termijn worden gegeven voor doen indienen van cassatieschriftuur. CAG: Indien verdachte niet is ingeschreven in BRP, niet in Nederland is gedetineerd en ook geen feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland heeft maar wel bekend adres in buitenland, dient betekening op dat buitenlandse adres plaats te vinden. Uit stukken blijkt evenwel dat geen aanzegging naar opgegeven Belgisch adres is gestuurd. Bovendien blijkt niet dat aanzegging op ander adres in persoon is uitgereikt. Aangenomen moet immers worden dat het niet verdachte is die handtekening op akte van uitreiking met adres in Zwolle heeft geplaatst, terwijl aan verdachte geen aanzegging is verzonden naar zijn (bekende) buitenlandse adres. Volgt intrekking eerder arrest. Vervolg op 18/05490 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2020-0348
RvdW 2020/1189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 18/05490

Datum 3 november 2020

BESLISSING

op een verzoek in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,

hierna: de verdachte,

in welke zaak het gerechtshof Amsterdam arrest heeft gewezen op 20 december 2018, nummer 23/003471-16.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 12 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat namens de verdachte geen schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad is ingediend (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).

Op 18 augustus 2020 is bij de Hoge Raad ingekomen een namens de verdachte ingediend geschrift, waarin wordt verzocht te bepalen dat het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2020 zijn kracht heeft verloren en aan de verdachte een termijn te geven voor het indienen van een cassatieschriftuur, omdat de aanzegging in cassatie niet op rechtsgeldige wijze is betekend.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal bepalen dat het arrest van de Hoge Raad in de onderhavige zaak wordt ingetrokken en dat aan de verdachte een termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt gegeven.

2 Beoordeling van het verzoek

De Hoge Raad is van oordeel dat het arrest van 12 mei 2020 moet worden ingetrokken en dat de verdachte een nieuwe termijn moet worden gegeven voor het doen indienen van een cassatieschriftuur. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

- trekt in het voormelde arrest van 12 mei 2020;

- geeft aan de verdachte de gelegenheid om binnen twee maanden na het uitspreken van deze beslissing bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie;

- verwijst de zaak naar de enkelvoudige kamer.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2020.